Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3326

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/08/347415 / HA ZA 26-149
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 706 RvArt. 6:83 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming koopovereenkomst camper en betaling geldsom met incasso- en beslagkosten

In deze civiele procedure vordert eiser nakoming van een koopovereenkomst betreffende een camper en betaling van een geldsom van €51.500,00. Daarnaast vordert eiser vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en wettelijke rente. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde een consument is en beoordeelt de incassokosten aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De aanmaning voldoet aan de wettelijke eisen en de incassokosten worden inclusief btw toegewezen.

De beslagkosten worden vastgesteld op €2.182,77 en zijn toewijsbaar op grond van artikel 706 Rv Pro. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 maart 2026, omdat de fatale termijn voor betaling op 28 februari 2026 viel en gedaagde toen nog niet in verzuim was.

De vorderingen worden verder niet onrechtmatig of ongegrond bevonden. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de koopprijs, incassokosten, beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de koopprijs, incassokosten, beslagkosten en proceskosten met wettelijke rente vanaf 1 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/347415 / HA ZA 26-149
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.560,90 worden toegewezen.
2.3
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 551,77 voor kosten deurwaardersexploten, € 341,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.290,00), totaal € 2.182,77.
2.4
[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente over haar vordering. De gevorderde wettelijke rente is echter niet toewijsbaar vanaf de door [eiser] gevorderde datum.
2.4.1
[eiser] vordert de wettelijke rente over haar vordering van € 51.500,00 vanaf 28 februari 2026. Die datum is echter de laatste dag waarop [gedaagde] volgens [eiser] volgens de overeenkomst nog kan betalen en is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als fatale termijn in de zin van art. 6:83 sub a van Pro het burgerlijk wetboek. De wettelijke rente is dus per 28 februari 2026 nog niet verschuldigd, omdat [gedaagde] op die datum nog niet in verzuim was wat betreft de overeengekomen betaling. De rechtbank zal de wettelijke rente over het bedrag van € 51.500,00 daarom toewijzen vanaf 1 maart 2026.
2.4.2
Om die reden is de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot en met 19 maart 2026 berekend op € 112,88 niet toewijsbaar.
2.5
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.046,02

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 51.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.560,90 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.182,77,
3.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.046,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.