Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3331

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
zaak_C08346834__JE_RK_26-562_beschikking_29052026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 1:265k BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en regie omgang minderjarige met vader

De rechtbank Overijssel heeft op 29 mei 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 5 juni 2027. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging en om regie over de omgang tussen de vader en de minderjarige, omdat de omgang momenteel stil ligt en er onduidelijkheid bestaat over de wensen van de vader.

Tijdens de zitting bleek dat de vader de zaal vroegtijdig verliet en niet terugkeerde, waardoor hij geen standpunt kon innemen over het verzoek. De kinderrechter constateerde dat het verzoek om regie over de omgang niet schriftelijk was ingediend en daarom niet kon worden behandeld. Wel werd vastgesteld dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld.

De minderjarige woont bij de moeder en krijgt hulp via JeugdGGZ en een zorgboerderij, wat positieve ontwikkelingen laat zien. Desondanks is er sprake van ernstige bedreiging in haar ontwikkeling door traumagerelateerde problematiek en problematische omgangsrelaties. De communicatie tussen ouders is slecht, wat de situatie belast. De kinderrechter acht het in het belang van de minderjarige dat de GI regie blijft voeren en dat er duidelijkheid komt over de zorg- en contactregeling.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 5 juni 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/346834 / JE RK 26-562
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats]
en
[minderjarige].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026;
  • het plan van aanpak van de GI, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader (deels);
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de heer [naam 3] , de partner van de moeder, en aan de heer [naam 4] , de begeleider van de vader.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 5 juni 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] stil ligt. De door [minderjarige] geuite zorgen worden door de vader niet herkend. De vader heeft een tijd rust gewild om na te denken over wat hij wil in het contact met [minderjarige] . De GI stelt een begeleide omgang voor, maar daar was de vader het in eerste instantie niet mee eens. Naderhand was de vader wisselend in zijn antwoorden of hij wel of niet kan instemmen met een begeleide omgang. Voor de GI is het onduidelijk wat de vader met betrekking tot de omgang wil en in hoeverre hij hierin wil meewerken. Voor broertje Djevano geldt hetzelfde, echter loopt er voor hem geen ondertoezichtstelling, waardoor de GI wat Djevano betreft niets kan doen. De GI vraagt ter zitting om de regie te krijgen over de omgang tussen [minderjarige] en de vader, zodat er meer ondersteuning kan komen, de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd is en gekeken kan worden hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader vorm gegeven kan worden.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] wil dat de jeugdbeschermer blijft, want de jeugdbeschermer is vriendelijk. Ze wil met de jeugdbeschermer de situatie rondom de vader bespreken. [minderjarige] vindt de situatie heel ingewikkeld. Ze mist haar vader en ze wil hem wel onder begeleiding zien.
4.2.
De moeder is het eens met het verzoek. Zij vindt de hulp van de jeugdbeschermer fijn en is daar heel tevreden over. De moeder ziet dat [minderjarige] een vervelende jeugd heeft gehad en had dat graag anders gezien. Volgens de moeder is [minderjarige] wispelturig is in haar wens om de vader te zien. Het lukt de moeder niet om met de vader te communiceren, omdat de vader alles als een aanval ervaart. De moeder staat er voor open dat de kinderen de vader zien, maar dan moet zij wel kunnen zien dat het veilig is. Op dit moment ziet zij dat echter nog niet.
4.3.
De vader heeft de zittingszaal na korte tijd verlaten en heeft daardoor niet zijn mening gegeven over het verlengingsverzoek van de GI.

5.De beoordeling

Procedureel
5.1.
De GI heeft bij de zitting mondeling het verzoek geformuleerd om de regie te krijgen over de omgang. De GI en de moeder geven aan dat er geen sprake van een reeds vastgelegde of vastgestelde zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de vader. Het mondelinge verzoek van de GI is een verzoek op grond van artikel 1:265g, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat de GI dit verzoek niet op schrift heeft gesteld en voorafgaand aan de zitting heeft ingediend, wat wel had gemoeten. [1] De belanghebbenden zijn evenmin voorafgaand aan de zitting op de hoogte gebracht dat de GI dit verzoek ter zitting wilde gaan doen. Tevens is op het moment van het mondelinge verzoek ter zitting de vader niet meer aanwezig in de zittingszaal, omdat hij uit eigen beweging de zittingszaal verlaten heeft en niet meer is teruggekomen. De kinderrechter heeft daarom het mondelinge verzoek niet bij de zitting besproken. Omdat er geen officieel schriftelijk verzoek is zal de kinderrechter nu niets over de het contact tussen [minderjarige] en haar vader beslissen.
De verlenging van de ondertoezichtstelling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Bij [minderjarige] is er sprake van een belast verleden. Er zijn aanwijzingen voor traumagerelateerde- en hechtingsproblematiek. Vanuit Dimence wordt in de vorm van JeugdGGZ hieraan in de thuissituatie bij de moeder gewerkt. [minderjarige] vindt de therapie die zij krijgt fijn. Ook de moeder profiteert goed van de hulpverlening vanuit Dimence. [minderjarige] doet het goed op school. [minderjarige] gaat om de week een aantal nachten naar zorgboerderij [bedrijf] en daar kan zij tot rust komen. De moeder wordt hierdoor ontlast en het lukt de moeder om [minderjarige] emotionele toestemming te geven om naar de zorgboerderij te gaan. In de thuissituatie bij de moeder gaat het goed met [minderjarige] en daar is de kinderrechter heel blij mee.
5.5.
Ondanks de mooie ontwikkelingen is naar het oordeel van de kinderrechter wel sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Behalve de persoonlijke problematiek van [minderjarige] zijn er grote zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de vader, de onderlinge dynamiek en samenwerking tussen de vader en de moeder en de samenwerking tussen de vader en de GI. Daarnaast ervaart de moeder veel stress van de situatie tussen haar en mevrouw [naam 5] , bij wie [minderjarige] in het verleden gewoond heeft. [minderjarige] en de moeder wensen geen contact meer met mevrouw [naam 5] , maar mevrouw [naam 5] blijft zich opdringen in het leven van [minderjarige] en de moeder.
5.6.
De onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder is slecht. In het verleden is er sprake geweest van incidenten en escalaties tussen de vader en de moeder en volgens de moeder kan zij niet met de vader communiceren. Er is sprake van gezamenlijk gezag, wat betekent dat de ouders samen belangrijke beslissingen moeten nemen over [minderjarige] . Daar is communicatie en samenwerking voor nodig. Het is in het belang van [minderjarige] dat daar aan gewerkt wordt, want [minderjarige] wordt door deze strijd belast. [minderjarige] heeft zelf ook aangegeven dat zij de situatie moeilijk vindt en er last van heeft.. [minderjarige] heeft er veel moeite mee dat de volwassenen om haar heen voortdurend aan haar trekken. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren.
5.7.
Het is de kinderrechter ter zitting pijnlijk duidelijk geworden dat het bijzonder lastig is om te communiceren met de vader. Amper een paar minuten na aanvang van de zitting heeft de vader de zittingszaal verlaten, omdat hij, naar eigen zeggen, er klaar mee was. De vader is vertrokken en niet meer teruggekomen. Op een dergelijke wijze is het niet mogelijk om samen te werken, in het belang van [minderjarige] . Ook is het naar het oordeel van de kinderrechter duidelijk dat er met betrekking tot de zorg- en contactregeling duidelijkheid moet komen. Er staan geen afspraken op papier en dat geeft onduidelijkheid. Wat de kinderrechter betreft ligt er een duidelijke taak bij de GI om hier goed naar te kijken en stappen te nemen in het belang van [minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten tot 5 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. K. van Leeuwen, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265k, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:260 BW Pro.