Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3353

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
347939 FT RK 138/26
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19b BWArt. 6:162 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsverzoek turboliquidatie ontbonden vennootschap wegens ontbreken baten

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van [bedrijf 1] B.V. tot faillietverklaring van de ontbonden vennootschap [bedrijf 2] B.V., die via turboliquidatie was ontbonden. [bedrijf 1] had een onbetwiste vordering wegens uitgevoerde bodemsaneringswerkzaamheden, maar bleef onbetaald. Zij stelde dat er nog baten aanwezig waren en dat de turboliquidatie onrechtmatig en ondoorzichtig was verlopen.

[bedrijf 2] voerde verweer dat er geen baten waren en dat zij aan haar verplichtingen had voldaan, waaronder het informeren van schuldeisers conform de Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie. Ook stelde zij dat de vordering van [bedrijf 1] deels was voldaan en dat er geen sprake was van selectieve betalingen of onbehoorlijk bestuur.

De rechtbank oordeelde dat voor faillietverklaring van een ontbonden vennootschap niet alleen moet blijken dat zij is opgehouden te betalen, maar ook dat er voldoende aannemelijk is dat er nog baten zijn. Dit laatste was onvoldoende onderbouwd. De stellingen over ondoorzichtigheid, selectieve betaling en onbehoorlijk bestuur werden gemotiveerd weersproken en konden niet leiden tot het aannemen van baten.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af en veroordeelde [bedrijf 1] in de proceskosten van [bedrijf 2].

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van de ontbonden vennootschap is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van baten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
Datum beschikking 16 juni 2026
Zaaknummer: 347939 FT RK 138/26
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken:
Gezien het op 19 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift, ingediend door mr. A.S. van Wijk, advocaat te Groningen, namens:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,
hierna te noemen ‘ [bedrijf 1] ’,
strekkende tot faillietverklaring van

de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V.,laatstelijk gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],

voorheen ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
hierna te noemen “[bedrijf 2]”,
advocaat: mr. D.F. Fransen, kantoorhoudende te Zwolle

Procesverloop

Op 19 mei 2026 heeft mr. Van Wijk namens [bedrijf 1] een verzoekschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingediend.
Op 8 juni 2026 heeft mr. Fransen namens [bedrijf 2] een verweerschrift met bijlagen ingediend.
Het verzoek is behandeld in de raadkamer van deze rechtbank op 9 juni 2026.
Verschenen zijn:
  • [bedrijf 1] bij haar bestuurder de heer [naam 1], bijgestaan door
  • [bedrijf 2] bij haar (gewezen) bestuurder de heer [naam 2], bijgestaan
Van de behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Partijen zijn met elkaar in contact gekomen over het uitvoeren van bodemsaneringswerkzaamheden voor een nieuwbouwproject in [plaats]. [bedrijf 1] is gespecialiseerd in dergelijke werkzaamheden. [bedrijf 1] heeft een opdrachtbevestiging toegezonden aan [bedrijf 3] B.V. Die vennootschap is gelieerd aan de vader van de heer [naam 3], voormalig indirect bestuurder van [bedrijf 2]. Op verzoek van de heer [naam 3] is de opdrachtgever vervolgens gewijzigd naar [bedrijf 2] en op 1 mei 2024 is die opdrachtbevestiging door de heer [naam 3] namens [bedrijf 2] ondertekend.
[bedrijf 1] heeft de werkzaamheden in 2024 uitgevoerd en deugdelijk opgeleverd. [bedrijf 1] heeft aan [bedrijf 2] vier termijnfacturen gezonden en op 23 april 2025 een factuur voor het meerwerk. Alle facturen zijn zonder protest ontvangen en onbetwist. Ondanks herhaaldelijke sommaties is een bedrag van € 159.185,01 onbetaald gebleven.
In een brief van 16 juli 2025 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] erkent [bedrijf 2] de vordering van [bedrijf 1] . In die brief wordt voorts medegedeeld dat [bedrijf 2] in zwaar financieel weer verkeert en wordt een saneringsvoorstel gedaan. Dat voorstel heeft [bedrijf 1] niet aanvaard. Vlak na deze brief, te weten op 7 oktober 2025, is [bedrijf 2] via turboliquidatie ontbonden en uitgeschreven uit het Handelsregister.

De standpunten van partijen

Het standpunt van [bedrijf 1][bedrijf 1] verzoekt de rechtbank om [bedrijf 2] in staat van faillissement te verklaren. [bedrijf 2] verkeert in de toestand dat zij is opgehouden te betalen. [bedrijf 1] heeft een onbetwiste opeisbare vordering op [bedrijf 2] en [bedrijf 2] laat deze vordering en andere schuldeisers onbetaald. [bedrijf 2] is inmiddels ontbonden, maar [bedrijf 1] stelt zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat er nog baten aanwezig zijn. Ter onderbouwing heeft [bedrijf 1] het volgende naar voren gebracht.

Er is aan [bedrijf 1] geen transparantie geboden over de financiële afwikkeling van de vennootschap en de schuld aan [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft de voormalig indirect bestuurders van [bedrijf 2] hiervoor persoonlijk aansprakelijk gesteld. [bedrijf 1] is van mening dat een faillissement had moeten worden aangevraagd in plaats van een turboliquidatie. Bij [bedrijf 1] en andere schuldeisers bestaat er gerede twijfel over de rechtmatigheid en gang van zaken voorafgaand aan de turboliquidatie.
Daarnaast zijn er volgens [bedrijf 1] nog niet aangewende baten, omdat het bestuur van [bedrijf 2] niet heeft voldaan aan de op hem ex art. 2:19b lid 1 BW rustende verplichtingen door de schuldeisers geen volledig inzicht te geven in de vereffening. Als gevolg daarvan kan voorshands – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat er nog baten aanwezig zijn. Ook heeft te gelden dat er sterke aanwijzingen zijn voor onrechtmatige selectieve betaling dan wel paulianeus handelen. [bedrijf 1] was één van de eerste uitvoerende partijen in het project en zij is onbetaald gebleven. Andere schuldeisers, waarvan de vorderingen zijn ontstaan na die van [bedrijf 1] , zijn wel voldaan. Aan de heer [naam 3] gelieerde vennootschappen hebben hun vorderingen kort voor de ontbinding sterk zien afnemen. Dat duidt op selectieve betalingen en die kan een curator onderzoeken en terugvorderen, hetgeen duidelijk een potentiële bate oplevert. Tevens is de jaarrekening over 2022 niet tijdig gedeponeerd, waarmee vermoed wordt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daardoor kan het bestuur aansprakelijk zijn voor het boedeltekort en dat levert vervolgens weer een potentiële bate op.
Tenslotte heeft [bedrijf 1] kenbaar gemaakt dat zij eventueel bereid is om een boedelkrediet beschikbaar te stellen aan de te benoemen curator, zodat de kosten van diens werkzaamheden kunnen worden vergoed.
Het standpunt van [bedrijf 2]
voert verweer tegen de faillissementsaanvraag en stelt zich op het standpunt dat er geen baten zijn en deze evenmin te verwachten zijn. [bedrijf 2] is op 21 juni 2021 opgericht met als doel het winstgevend exploiteren van het vastgoedproject in [plaats]. Een positief resultaat van € 260.000 werd begroot, echter is als gevolg van verschillende externe factoren een negatief resultaat van € 347.389 behaald. [bedrijf 1] heeft, terwijl zij wist dat [bedrijf 2] een startende onderneming was, geen nader onderzoek naar haar contractpartij gedaan en geen zekerheden bedongen. Daarmee heeft [bedrijf 1] bewust het risico genomen dat zij niet volledig zou kunnen worden voldaan, wanneer het project verlieslatend zou zijn.
[bedrijf 1] heeft de werkzaamheden tot en met 23 oktober 2024 uitgevoerd. Vervolgens heeft het tot 22 april 2025 geduurd voordat de Omgevingsdienst Drenthe de saneringswerkzaamheden heeft goedgekeurd, waarna op 24 april 2025 het college van B&W van de gemeente Emmen de beschikking met goedkeuring heeft afgegeven. Pas toen was duidelijk dat [bedrijf 1] goed en deugdelijk werk had verricht. In het tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] overeengekomen betaalschema is bepaald dat de laatste termijn van 25% opeisbaar zou worden na afronding van de werkzaamheden. Naar de mening van [bedrijf 2] is dat pas na goedkeuring door het bevoegd gezag.
[bedrijf 1] heeft in haar verzoekschrift niet vermeld dat zij de eerste twee termijnfacturen waarmee een totaalbedrag van € 121.000 gemoeid is, betaald heeft gekregen. Daarmee schendt [bedrijf 1] de verplichtingen ex art. 21 Rv Pro.
[bedrijf 2] heeft bij brief van 16 juli 2025 een saneringsvoorstel aan [bedrijf 1] gedaan, waarvan de termijn verstreek op 1 augustus 2025. Uit de reactie van [bedrijf 1] heeft [bedrijf 2] afgeleid dat er geen perspectief voor een minnelijke schuldenregeling was, waarna zij de ontbinding van de vennootschap heeft doorgezet. In lijn met de Tijdelijke Wet Transparantie Turboliquidatie heeft [bedrijf 2] haar schuldeisers, waaronder [bedrijf 1] , hierover geïnformeerd. De ontbindingsstukken voldoen ruimschoots aan de daaraan te stellen eisen. De gegeven informatie is grondig, uitgebreid en schept daarmee een voldoende beeld van de afwikkeling van [bedrijf 2]. Er is geen overwaarde gerealiseerd. Gelieerde vennootschappen hebben niets verdiend en de holding is achtergebleven met een vordering uit hoofde van de rekening-courantverhouding met [bedrijf 2] van circa € 160.000. [bedrijf 2] heeft gekozen voor ontbinding via turboliquidatie, omdat zij vreesde met een eigen aangifte faillissement misbruik van recht te plegen door een lege boedel af te leveren.
Een ontbonden vennootschap kan failliet worden verklaard, maar daartoe is vereist dat de schuldeiser die daartoe een verzoek indient, aannemelijk maakt dat er sprake is van een bate. Aan die vereiste is niet voldaan. Er is geen sprake van onrechtmatige selectieve betaling. Daarnaast is voldaan aan de verplichtingen ex artikel 2:19b BW en maakt het enkele feit dat één jaarrekening te laat is gedeponeerd niet dat een bate aannemelijk is. [bedrijf 1] heeft geen voldoende gerechtvaardigd belang bij de faillissementsaanvraag, omdat zij ‘slechts’ concurrent schuldeiser is en als zodanig geen uitkering in het faillissement zou kunnen verwachten. Tenslotte heeft [bedrijf 2] aangevoerd dat [bedrijf 1] met haar verzoek misbruik maakt van recht, omdat het faillissement niet bedoeld is om ten bate van een individuele schuldeiser een curator een boekenonderzoek te laten doen. Daarnaast bemoeilijkt [bedrijf 1] het voormalig bestuur ernstig in de mogelijkheid zich te verweren door te kiezen voor de faillissementsprocedure, terwijl zij ook de route van externe bestuurdersaansprakelijkheid kan bewandelen op de voet van artikel 6:162 BW Pro.
De beoordeling
[bedrijf 2] erkent dat [bedrijf 1] een vordering op haar heeft, zodat het bestaan van het vorderingsrecht van [bedrijf 1] (summierlijk) blijkt. [bedrijf 2] heeft tevens erkent dat zij - voor de turboliquidatie - meerdere schuldeisers onbetaald heeft gelaten. Wanneer [bedrijf 2] niet geliquideerd was, zou dan ook zijn gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en zou zij in staat van faillissement kunnen zijn verklaard.
Voor het uitspreken van het faillissement van een ontbonden vennootschap moet echter ook summierlijk blijken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn. De rechtbank is van oordeel dat aan dat vereiste niet is voldaan en overweegt daartoe het volgende.
[bedrijf 2] is door middel van turboliquidatie ontbonden. Door [bedrijf 1] is aangevoerd dat [bedrijf 2] daarbij onvoldoende transparantie aan haar schuldeisers heeft geboden. Daarmee heeft [bedrijf 2] naar zeggen van [bedrijf 1] niet voldaan aan de verplichtingen die op grond van art. 2:19b lid 1 BW op haar rusten, waarmee -behoudens verweer- voorshands kan worden aangenomen dat sprake is van een bate. Door [bedrijf 2] is tegen deze stelling verweer gevoerd. Reeds daaruit volgt dat niet meer voorshands kan worden aangenomen dat sprake is van een bate, zodat de rechtbank dit verweer passeert. Daar komt nog bij dat in het verweerschrift een nadere toelichting is gegeven, zodat niet, althans niet eenvoudig kan worden aangenomen dat er daadwerkelijk niet aan het vereiste van transparantie bij de turboliquidatie is voldaan. Voor een uitgebreid feitenonderzoek is in de faillissementsprocedure geen ruimte. Er moet immers
summierlijkblijken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn en de gemotiveerd weersproken stelling van [bedrijf 1] is daarvoor onvoldoende.
Tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn termijnbetalingen afgesproken en [bedrijf 2] stelt dat zij de eerste twee termijnen ook heeft betaald, hetgeen niet door [bedrijf 1] is weersproken. [bedrijf 1] stelt voorts dat andere schuldeisers, waaronder aan [bedrijf 2] gelieerde entiteiten wel zijn betaald, maar die stelling wordt door haar niet nader onderbouwd, behoudens dat een schuld aan een gelieerde vennootschap met € 20.000 is afgenomen. Die afname is door [bedrijf 2] uitvoerig toegelicht en [bedrijf 1] heeft die toelichting niet weersproken. Evenmin heeft [bedrijf 1] andere feiten of omstandigheden voor het voetlicht gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het aannemelijk is dat sprake is van selectieve betaling. De stelling van [bedrijf 1] kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van selectieve betalingen door [bedrijf 2] als gevolg waarvan aannemelijk zou zijn dat er sprake is van een bate.
Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat daaruit zou kunnen volgen dat dit een bate oplevert. Daartoe is slechts aangevoerd dat een jaarrekening te laat is gedeponeerd. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat het enkele feit dat een jaarrekening te laat is gedeponeerd onvoldoende is om de conclusie dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid te kunnen dragen, zodat ook daaruit niet kan worden afgeleid dat dit tot een bate zou kunnen leiden.
Slotsom van het voorgaande is dan ook dat niet aannemelijk is dat er nog baten zijn. Dat [bedrijf 1] heeft gesteld dat zij eventueel een boedelkrediet beschikbaar kan stellen doet daar niets aan af. Een dergelijk krediet is immers geen bate voor de boedel, maar louter bedoeld als vergoeding voor de werkzaamheden van de curator.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van [bedrijf 1] strekkende tot faillietverklaring van [bedrijf 2] afwijzen en kan hetgeen overigens door partijen naar voren is gebracht onbesproken blijven.
[bedrijf 2] heeft voorts verzocht [bedrijf 1] in de proceskosten ter veroordelen. Nu [bedrijf 1] in het ongelijk is gesteld, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld. Aan de zijde van [bedrijf 2] worden de proceskosten begroot op € 1.306,00 wegens salaris advocaat (tarief II onbepaalde waarde, een punt voor het verweerschrift en een punt voor de zitting).

De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot faillietverklaring af;
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten, aan de zijde van [bedrijf 2] begroot op € 1.306,00 wegens salaris advocaat;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gegeven te Zwolle door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek en op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.B. Knook, griffier.