Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3355

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/08/348103 KG RK 26-255
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in omgangs- en uithuisplaatsingszaak

Op 22 mei 2026 diende mr. M.E. Terhorst namens een cliënt een wrakingsverzoek in tegen mr. K. van Leeuwen, rechter in de rechtbank Overijssel, belast met de behandeling van een zaak over omgangsbeperking en spoeduithuisplaatsing van minderjarigen. Het verzoek betrof twee gronden: het niet horen van twee informanten en vermeende partijdigheid bij een spoedbeslissing tot uithuisplaatsing.

De wrakingskamer behandelde het verzoek op 15 juni 2026. De tweede wrakingsgrond werd ingetrokken omdat de spoedbeslissing door een andere rechter was genomen. De kamer oordeelde dat procesbeslissingen, zoals het niet horen van informanten, in principe geen wrakingsgrond vormen, tenzij sprake is van duidelijke vooringenomenheid. Uit de motivering van mr. Van Leeuwen bleek geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek niet voldeed aan de vereisten voor wraking en verklaarde het verzoek ongegrond. De beslissing is onherroepelijk en werd op 16 juni 2026 openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit drie rechters.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Van Leeuwen wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/348103 KG RK 26-255
Beslissing van 16 juni 2026
in de zaak van
mr. M.E. Terhorst, advocaat te Alkmaar
verzoekster tot wraking.

1.De procedure

1.1.
Op 22 mei 2026 heeft een verzoek tot wraking gedaan van mr. K. van Leeuwen, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/08/347607 / JE RK 26-723 en C/08/347794 / JE RK 26-757. Het wrakingsverzoek is gedaan tijdens de mondelinge behandeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van 22 mei 2026.
1.2.
Mr. Van Leeuwen heeft bij mail van 22 mei 2026 gereageerd op het wrakingsverzoek en niet berust in de wraking.
1.3.
Het wrakingsverzoek van is op 15 juni 2026 achter gesloten deuren behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoekster,
- de heer [naam 1] (vader), met zijn raadsman mr. Zwiers,
- de heer [naam 2] van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel (via digitale verbinding aanwezig).
Mr. Van Leeuwen is met kennisgeving niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Op de mondelinge behandeling van 22 mei 2026 waren twee verzoeken geagendeerd. Het eerste verzoek betreft een verzoek van de moeder tot (onder andere) schorsing van omgang met de vader vanwege een vermoeden van seksueel misbruik. Het tweede verzoek betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel tot spoeduithuisplaatsing van de minderjarigen.
Mr. Terhorst, advocaat van de moeder, heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een verzoek gedaan om twee personen te horen als informant, te weten de heer [naam 3] (de partner van de moeder) en mevrouw [naam 4] (van Stichting Misbruikt!). De rechter heeft het verzoek tot het horen van mevrouw [naam 4] afgewezen en het verzoek ten aanzien van de heer [naam 3] vooralsnog afgewezen, waarna de raadsvrouw mondeling een wrakingsverzoek heeft ingediend.

3.Het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoekster heeft twee wrakingsgronden aangevoerd. Op de eerste plaats volgt uit de beslissing van mr. Van Leeuwen om de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] niet als informanten te horen bevooroordeeldheid en in elk geval de schijn van partijdigheid. Hierdoor wordt verzoekster immers geen gelijkwaardige gelegenheid geboden om aan de procedure deel te nemen. De informanten kunnen essentiële informatie verstrekken en door hen niet te horen, laat de rechter deze informatie buiten beschouwing waardoor zij vooruitloopt op een negatieve uitkomst van de zaak voor de cliënt van verzoekster.
Als tweede wrakingsgrond heeft verzoekster aangevoerd dat mr. Van Leeuwen eerder al een beslissing over de uithuisplaatsing van de minderjarige had genomen, zonder het horen van verzoekster voorafgaand aan het nemen van die beslissing. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster deze grond ingetrokken omdat deze beslissing door een andere rechter genomen is. Verzoekster heeft de wrakingsgrond gewijzigd in die zin dat de wrakingsgrond zich richt op de spoedbeslissing tot uithuisplaatsing voor de duur van zes weken die mr. Van Leeuwen na de wraking heeft genomen.

4.Het standpunt van mr. Van Leeuwen

4.1.
Mr. Van Leeuwen stelt zich op het standpunt dat een negatief ervaren procesbeslissing in het algemeen geen grond is voor toewijzing van een verzoek tot wraking. Dit geldt ook voor de motivering van die procesbeslissing als grond voor wraking. Bij het geven van deze procesbeslissing is geen sprake geweest van objectieve factoren waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. De tweede wrakingsgrond ziet op een spoedbeslissing die niet door haar maar door een collega is genomen en kan daarom volgens haar geen grond voor wraking zijn. Mr. Van Leeuwen concludeert dat geen sprake is van omstandigheden waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.

5.De beoordeling

5.1.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat zij die indruk bij verzoekster heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoekster, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoekster op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
5.2.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster de door haar aangevoerde gronden gewijzigd in die zin dat het wrakingsverzoek ook ziet op de spoedbeslissing die mr. Van Leeuwen na de wraking heeft genomen.
Volgens artikel 37 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moeten alle feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen tegelijk worden voorgedragen. De spoedbeslissing die door mr. Van Leeuwen is genomen nadat zij door verzoekster was gewraakt, kan niet meer aan die wraking ten grondslag worden gelegd. Met deze gewijzigde grond zal de wrakingskamer daarom geen rekening houden.
5.3.
De klachten van verzoekster zijn gericht tegen de beslissing van mr. Van Leeuwen om de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] niet als informanten te horen, hetgeen een procesbeslissing is. Een rechterlijke procesbeslissing is geen grond voor wraking. Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als grond voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als die motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. De juistheid van die procesbeslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel, zoals verzet of hoger beroep, tegen de beslissing aan te wenden.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2026 volgt dat mr. Van Leeuwen per verzochte informant heeft gemotiveerd waarom zij hen (voorlopig) niet als informant zal horen. De wrakingskamer is van oordeel dat uit de beslissing en de motivering van de beslissing geen concrete feiten en omstandigheden blijken waaruit volgt dat mr. Van Leeuwen bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen verzoekster of dat objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond. Daarom moet het verzoek ongegrond worden verklaard.
Naar het oordeel van de wrakingskamer gaat de vergelijking met de zaak waar verzoekster in haar pleitnota naar verwijst, waarbij een wrakingsverzoek werd toegewezen omdat een rechter de verzoekster als procespartij in vergelijking tot de andere procesdeelnemers geen gelijkwaardige gelegenheid gaf om aan behandeling van de zaak deel te nemen, mank. In die zaak was sprake van een rechter die een wrakingsverzoek ter zitting negeerde en vervolgens de gronden van de wraking niet onderzocht. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake.

6.De beslissing

De wrakingskamer
6.1.
verklaart het verzoek
ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. A. van Holten, A. Smedes en M.H. van der Lecq, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y.W. van den Bosch en in openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.