Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3435

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
ak_26-1353
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij handhavingsgeschil emissiegrenswaarden

In deze bestuursrechtelijke zaak verzoekt eiser de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo. Eiser exploiteert een bedrijfsverzamelpand tegenover het bedrijf dat een last onder dwangsom heeft gekregen om de concentratie van schadelijke stoffen te reduceren.

Het college heeft aan het bedrijf een begunstigingstermijn gegeven tot 15 september 2026 om aan de emissiegrenswaarden te voldoen. Eiser verzocht het college handhavend op te treden en de productie stil te leggen, maar dit verzoek werd afgewezen. Eiser maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat geen spoedeisend belang bestaat omdat het college al handhavend optreedt en het bedrijf de centrale in week 28/29 stillegt voor installatie van een systeem dat aan de normen zal voldoen. Er is geen acute situatie die onmiddellijke maatregelen rechtvaardigt. Het advies van de GGD bevestigt dat er geen gezondheidsrisico’s zijn. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1353
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] ,
hierna: [eiser] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,
hierna: het college,
(gemachtigden: mr. M.S. van Dijk, mr. R. van Dijk, mr. A.M. Jacobs, mr. M.A.M. Sombekke).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[bedrijf] B.V.uit [vestigingsplaats] ,
hierna: [bedrijf] ,
(gemachtigde: mr. M.A.A. Soppe).

1.Samenvatting

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser] . De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat geen sprake is van een spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

2.Inleiding: feiten en procesverloop

2.1.
[eiser] exploiteert een bedrijfsverzamelpand op het bedrijventerrein aan de [adres] . Tegenover zijn pand is [bedrijf] gevestigd.
2.2.
Met het besluit van 11 februari 2026 heeft het college aan [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd, waarin [bedrijf] is gelast voor 1 mei 2026 de concentratie van PAK, benzeen en MVP2 stoffen (o.a. formaldehyde) te reduceren en gereduceerd te houden zodat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden. De begunstigingstermijn is met het besluit van 29 april 2026 verlengd tot 15 september 2026 omdat er volgens het college concreet zicht bestaat dat [bedrijf] voor het einde van die termijn aan de emissiegrenswaarden kan voldoen.
2.3.
Op 8 maart 2026 heeft [eiser] het college onder meer verzocht handhavend op te treden tegen [bedrijf] omdat de centrale niet voldoet aan de emissiegrenswaarden. Hij heeft daarin onder andere verzocht de productie van [bedrijf] stil te leggen totdat de centrale wel voldoet aan de emissiegrenswaarden.
2.4.
Met het besluit van 1 mei 2026 heeft het college het verzoek van [eiser] voor zover dit ziet op het stilleggen van [bedrijf] afgewezen. Voor het overige heeft het college het verzoek om handhaving toegewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat er al gehandhaafd wordt.
2.5.
[eiser] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigden van het college en namens [bedrijf] [naam] en de gemachtigde van [bedrijf] .

3.Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van een spoedeisend belang. Dit is het geval als zich een zodanige (acute) situatie zich voordoet dat, zoals in dit geval, de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
3.2.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een dergelijke spoedeisende situatie geen sprake is. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel allereerst dat het college al optreedt tegen de overtredingen door middel van de last onder dwangsom. Hiervoor heeft [bedrijf] tot 15 september 2026 de tijd gekregen en het bedrijf is verplicht het college maandelijks op de hoogte te stellen over de voortgang. Op de zitting heeft [eiser] aangegeven dat het bedrijf niet behoeft te worden stil gelegd. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat [bedrijf] net als andere bedrijven aan de regels voldoet.
Op de zitting is door [bedrijf] aangegeven dat de centrale vanwege de installatie van het Environox-systeem – waarmee kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden – in week 28/29 stil zal worden gelegd. Na de installatie en opstart in week 35/36 zal de centrale (moeten) voldoen aan de emissiegrenswaarden. Dit betekent dat de gevraagde voorlopige voorziening ziet op een relatief korte periode. [eiser] heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom zich nu een acute situatie voordoet die eerder optreden rechtvaardigt en hij heeft bovendien niet duidelijk gemaakt op welke wijze gehandhaafd zou moeten. Er zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht waaruit volgt dat [bedrijf] nu niet binnen de begunstigingstermijn aan de last zal voldoen. Daartegenover staat dat uit de motivering van het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt dat er vooralsnog reden is aan te nemen dat [bedrijf] per 15 september 2026 zal voldoen aan de emissiegrenswaarden. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat onbetwist is gebleven dat het college zich heeft laten adviseren door de GGD en dat in dat advies is neergelegd dat op leefniveau aan de immissiegrenswaarden wordt voldaan en er daarmee geen sprake is van acute gezondheidsrisico’s. Alles in overweging meenemend, ziet de voorzieningenrechter daarom geen spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
3.3.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3.4.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.