Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3460

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
84.227243.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 ArbeidsomstandighedenwetArt. 7.5 ArbeidsomstandighedenbesluitArt. 7.17b ArbeidsomstandighedenbesluitArt. 5 ArbeidsomstandighedenwetArt. 8 Arbeidsomstandighedenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling rechtspersoon voor dodelijk arbeidsongeval door overtreding Arbowet

Op 18 april 2023 vond bij de onderneming van verdachte een dodelijk arbeidsongeval plaats waarbij een werknemer bekneld raakte tussen een betonstortmachine en een stapelaar. De rechtbank stelde vast dat verdachte als werkgever niet voldeed aan diverse zorgplichten uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, waaronder het niet veilig uitschakelen van machines, onvoldoende zichtvoorzieningen op de stapelaar, het ontbreken van een schriftelijke risico-inventarisatie en onvoldoende instructie en toezicht.

De rechtbank oordeelde dat verdachte het ten laste gelegde feit opzettelijk had begaan, waarbij het opzet werd uitgelegd als kleurloos opzet gericht op de gedragingen. De overtredingen leidden tot levensgevaar voor werknemers, wat zich bij het slachtoffer heeft verwezenlijkt. Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van € 72.500,- waarvan € 27.500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij van € 23.141,56, bestaande uit materiële schade en affectieschade, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en het blanco strafblad van verdachte, maar vond de ernst van het feit en eerdere ongevallen binnen het conglomeraat zwaarwegend.

De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van werkgevers om een veilige werkomgeving te waarborgen, risico’s adequaat te inventariseren en werknemers goed te informeren en te beschermen tegen gevaarlijke situaties op de werkvloer.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 72.500,- waarvan € 27.500,- voorwaardelijk en tot betaling van een schadevergoeding van € 23.141,56 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.227243.24 (P)
Datum vonnis: 18 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] B.V.
gevestigd aan de [vestigingsplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 mei 2026, 4 juni 2026 en 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, [naam 1] (hierna: [naam 1]), en haar raadslieden, mr. E.M. Bakx en mr. R.A. Valk, beide advocaat in Groningen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer].

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 18 april 2023 in [plaats] bij het laten uitvoeren van werkzaamheden door haar werknemers niet heeft voldaan aan verschillende voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet en daarop berustende wet- en regelgeving, waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid voor deze werknemers is ontstaan of was te verwachten.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op of omstreeks 18 april 2023 te [plaats], in de gemeente Midden-Groningen,
in elk geval te Nederland, als werkgever in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij, verdachte toen daarop een perceel aan de [adres] te [plaats],
zijnde (een) arbeidsplaats(en) als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder Pro g van de
Arbeidsomstandighedenwet,door één of meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet,te weten [naam 2] en/of [naam 3],
arbeid doen/laten verrichten, bestaande die arbeid uit – zakelijk weergegeven –
(in de productiehal waar kanaalplaatvloeren worden geproduceerd) het door werknemer [slachtoffer] bedienen en/of besturen en/of het werken met een
elektrisch aangedreven betonstortmachine (X-liner) welke reed over een vaste baan
(productie-bed), en/of het door werknemer [naam 3] bedienen en/of besturen en/of het werken met de (mobiele) stapelaar welke eveneens reed over een direct naast gelegen vaste baan
(productie-bed) en/of andere werkzaamheden ten behoeve van haar, verdachte, terwijl niet was/werd voldaan aan
(a)
Artikel 7.5 lid 2 en/en lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit immers werden onderhouds- en/of reparatie- en/of reinigingswerkzaamheden en/of productie- en/of afstelwerkzaamheden met en/of aan het arbeidsmiddel (Betonstortmachine (X-liner)) uitgevoerd, terwijl dit arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en/of drukloos en/of spanningsloos gemaakt en/of waren geen doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren
en/of
(b)
Artikel 7.17b lid 2 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit immers was het mobiele arbeidsmiddel (Stapelaar), terwijl het directe gezichtsveld van de bestuurder van het arbeidsmiddel (Stapelaar) ontoereikend was om de veiligheid van personen te waarborgen, niet uitgerust met (een) doeltreffende hulpmiddel(en) die een toereikend zicht voor de bestuurder mogelijk maakte en/of
(c)
Artikel 5 lid 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft zij, verdachte, bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet voldaan aan de verplichting schriftelijk in een risico inventarisatie en evaluatie vast te leggen (specifieke) welke risico's – zakelijk weergegeven – het werken met een Betonstortmachine (X-liner) en Stapelaar naast elkaar met zich meebrengen, immers had verdachte nagelaten schriftelijk in de inventarisatie en evaluatie vast te leggen de risico’s van aanrijdgevaar en/of beknellingsgevaar bij het werken met machines naast elkaar,
en/of
(d)
Artikel 8 lid 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft zij, verdachte, nagelaten ervoor te zorgen dat die werknemer(s) [naam 2] en/of [naam 3], althans een of meer van die werknemers doeltreffend werd(en) ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, te weten - zakelijk weergegeven het werken met een Betonstortmachine (X-liner) en Stapelaar naast elkaar, en/of de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn (waren) deze risico's te voorkomen of te beperken,
en/of
(e)
Artikel 8 lid 4 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft zij, verdachte nagelaten toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in artikel 8 lid 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet genoemde risico’s,
verdachte had nagelaten erop toe te zien dat de gebruikte arbeidsmiddelen (zoals de Betonstortmachine (X-liner) en de Stapelaar) die naast elkaar aan het werk waren elkaar veilig konden passeren, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer(s), te weten [naam 2] ontstond of te verwachten was.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding [1]
Op 18 april 2023 heeft aan de [adres] 11 te [plaats] een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Op dit adres is de onderneming [verdachte] B.V. (hierna: verdachte) gevestigd. Verdachte houdt zich volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel bezig met de productie van geprefabriceerde bouwmaterialen, in het bijzonder het produceren van betonnen vloerdelen (zogenoemde kanaalplaatvloeren). Hierbij wordt - zakelijk weergegeven - beton via een betonstortmachine (hierna: stortmachine) gestort op een lange baan (productiebed). Hierbij rijdt de stortmachine op een vaste baan met een snelheid van 1 à 2 meter per minuut over de baan en wordt tegelijkertijd betonmortel in de betreffende baan gestort. Na het uitharden van het beton worden de platen een dag later op maat gezaagd en via een zogeheten stapelaar - een machine om de betonnen platen op te tillen en naar buiten te transporteren - vanuit de productiehal via de vaste baan naar buiten gebracht. In de productiehal bevinden zich meerdere, naast elkaar gelegen banen voor de productie van de kanaalplaatvloeren. [2]
Op de dag van het ongeval was één van de medewerkers van verdachte, [naam 3] (hierna: [naam 3]), op baan 4 de gereed zijnde kanaalplaten via de stapelaar naar buiten aan het brengen. Op de naastgelegen baan (baan 3) was [naam 2] (hierna: [slachtoffer], of het slachtoffer) operator van de stortmachine, op dat moment beton aan het storten voor de productie van de kanaalplaatvloeren. Bij het vervoeren van twee kanaalplaatvloeren met de stapelaar is op enig moment [slachtoffer] - hij bevond zich op dat moment aan de zijkant van de stortmachine - aangereden door de stapelaar en bekneld geraakt tussen de twee bewegende machines (de stapelaar en de stortmachine). Als gevolg van het ongeval is [slachtoffer] overleden. [3]
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnota bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is het volgende - verkort weergegeven - aangevoerd.
Primair heeft de verdediging bepleit dat de ten laste gelegde deelverwijten niet bewezen kunnen worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat het te verwachten levensgevaar niet voorzienbaar was voor verdachte. Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat opzet van verdachte niet bewezen kan worden verklaard.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Werkgever, werknemer en arbeidsplaats
Gelet op de in de inleiding naar voren gebrachte feiten en omstandigheden en het verhandelde ter terechtzitting, staat niet ter discussie dat de in de tenlastelegging genoemde personen [naam 3] en [slachtoffer] werknemers van verdachte zijn, dat verdachte werkgever van beide personen is en dat op de dag van het ongeval arbeid werd verricht op een arbeidsplaats in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet. De rechtbank stelt dit ook als zodanig vast.
De ten laste gelegde verwijten
Het onderzoek van de verbalisanten heeft zich gericht op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft kunnen plaatsvinden en of verdachte zich onder deze omstandigheden heeft gehouden aan de voor haar geldende bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen. Op grond van dit onderzoek wordt verdachte een aantal verwijten gemaakt. De rechtbank zal deze verwijten en de daarvoor relevante feiten en omstandigheden één voor één bespreken en daarover vervolgens een oordeel geven.
Artikel 7.5, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit
Verdachte wordt verweten dat zij niet heeft voorkomen dat door het slachtoffer werkzaamheden werden verricht aan of in de stortmachine, terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld, drukloos en/of spanningsloos was gemaakt of, indien dit niet mogelijk was, doeltreffende maatregelen heeft genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.
Feiten en omstandigheden
De kort na het ongeval aanwezig zijnde verbalisant van de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft geconstateerd dat zich aan de zijkant van de betonstortmachine een opening bevond. Gezien de vorm en de rand van de opening kreeg de verbalisant het vermoeden dat deze opening afgedekt behoorde te zijn met een scherm of deur. [4] In een door verbalisant ontvangen Rapportage Machine Risico Inventarisatie en Evaluatie (hierna: MRI&E) van verdachte van 20 april 2023 naar aanleiding van de rondgang op het bedrijf van verdachte op 6 april 2023 staat vermeld dat op een tweetal stortmachines de toegangsluiken niet aanwezig zijn en dat onduidelijk is waarom deze zijn verwijderd. Als te ondernemen ‘actie’ wordt aan verdachte meegegeven dat afschermingen moeten worden aangebracht en medewerkers moeten worden geïnstrueerd. [5]
Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) heeft verklaard dat op het moment van het ongeval het hoofd van het slachtoffer zich binnen in de stortmachine bevond. Dat kan volgens [getuige 1] via een te openen luikje. Volgens [getuige 1] was het slachtoffer de in werking zijnde machine aan het schoonmaken en had hij zijn hoofd aan de binnenkant. Er kan namelijk een betonoverschot in de machine ontstaan dat eruit moet worden geschraapt zodat het niet op de betonplaten terecht komt. Daar had het slachtoffer gereedschap voor, aldus [getuige 1]. [6]
Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) heeft verklaard dat nabij de motor van de betonstortmachine zich een kleine opening bevindt waar beton tussen kan komen. Dit moet volgens [getuige 2] worden schoongemaakt, ook tijdens (het uitvoeren van) de werkzaamheden. De machine stopt dan niet en de medewerker loopt met de machine mee tijdens het schoonmaken. Dit schoonmaken gebeurt met een handschepje. Volgens [getuige 2] werd de machine soms één keer in de tien minuten, soms één keer in de twintig minuten en soms duurt het langer dan twintig minuten voordat de machine schoongemaakt moet worden. Het schoonmaken zelf duurt soms tien seconden en soms dertig seconden, afhankelijk van de persoon die schoonmaakt. [getuige 2] heeft aangegeven dat hij zelf wel eens de stortmachine heeft schoongemaakt, terwijl de stapelaar op de naastgelegen baan reed. [7]
Getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) heeft verklaard dat bij elke baan waarin werd gestort wel eens werkzaamheden werden verricht bij de trilplaat achter het paneel van de stortmachine. Met een troffel haalden ‘ze’ (de rechtbank begrijpt: collega’s) dan beton weg bij de trilplaat. [8]
Getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) heeft verklaard dat het slachtoffer voor het ongeval de stortmachine aan het controleren was. Dit controleren bestond volgens [getuige 4] uit het kijken of er geen dikke brokken beton in vallen en of de machine nog goed draait. Hiervoor keek het slachtoffer vaak via de zijkant binnen in de machine. Ook moet er soms beton af worden gehaald, omdat het anders aan het product blijft zitten. [9]
In de Operator/Onderhoudshandleiding van de stortmachine staat vermeld dat de machine in bedrijf blijft bij het openen van de toegangsdeuren links en rechts van de hopper unit (de voorraadbak van de betonstortmachine met daarin het te storten betonmortel) om tijdens de productie aanpassingen te kunnen doen. Verder staat vermeld dat de deuren achteraf altijd gesloten (moeten) zijn om letsel te voorkomen. Volgens verbalisant is dit onderdeel van de handleiding in strijd met artikel 7.5, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Ook vermeldt de handleiding over de stortmachine dat onderhoud, aanpassingen, enz. alleen kunnen worden uitgevoerd wanneer de voeding is uitgeschakeld en vergrendeld. [10]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de feiten en omstandigheden allereerst vast dat de stortmachine kwalificeert als een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, nu dit een machine betreft dat is gebruikt op de arbeidsplaats (de productiehal) om arbeid mee te verrichten (het produceren van kanaalplaatvloeren).
De verdediging heeft naar voren gebracht dat het ontbreken van de het toegangsluik direct zicht geeft op het beton dat wordt gestort. Verder bevindt zich achter die klep niks wat aangepast behoeft te worden. Om deze reden kunnen er geen aanpassingen (de rechtbank begrijpt: werkzaamheden in de zin van artikel 7.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit) worden gedaan aan de betonstortmachine. Als er al dergelijke werkzaamheden door het slachtoffer aan de stortmachine werden gedaan, dan is daartoe nooit opdracht gegeven. Hierdoor is volgens de verdediging geen sprake van verrichte arbeid, maar van ‘uit eigen beweging’ handelen door het slachtoffer.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de naar voren gebrachte getuigenverklaringen stelt de rechtbank vast dat het gebruikelijk was om tijdens het storten te controleren of de in bedrijf zijnde stortmachine het beton op de juiste wijze stort. Daarbij was het kennelijk ook gebruikelijk om, indien nodig, (overtollig) beton te verwijderen zodat deze niet op de betonplaten terecht komt. Anders dan de verdediging kwalificeert de rechtbank zulke handelingen als productiewerkzaamheden in de zin van artikel 7.5, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van [slachtoffer] onderdeel was van de door hem verrichtte arbeid. Gelet op de verklaring van [getuige 2] en [getuige 3] was het gebruikelijk om bij iedere te storten baan eens in de zoveel tijd werkzaamheden te verrichten achter de toegangsklep van de stortmachine. Uit diezelfde verklaringen valt af te leiden dat ook anderen dan het slachtoffer dit wel eens deden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het controleren tijdens het stortproces of de machine het beton op de juiste wijze stort en het tijdens dat proces verwijderen van beton, een en ander via het toegangsluik van de stortmachine, onderdeel zijn van de vaste werkzaamheden behorend bij het productieproces met betrekking tot het vervaardigen van kanaalplaatvloeren en behoren daarmee eveneens tot de werkzaamheden die een werknemer die was belast met het bedienen van de stortmachine diende te verrichten. Daar komt bij dat de Operator/Onderhoudshandleiding van de stortmachine op dit onderdeel niet eenduidig is. Zo vermeldt de handleiding dat onderhoud, aanpassingen, enz. alleen kunnen worden uitgevoerd wanneer de voeding is uitgeschakeld en vergrendeld, terwijl zij ook vermeldt dat tijdens de productie aanpassingen kunnen worden gedaan (wat overigens in strijd is met artikel 7.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit). Dit laatste werd gelet op de getuigenverklaringen kennelijk ook door verschillende werknemers gedaan. Dit weerspreekt de stelling dat het slachtoffer uit eigen beweging handelende. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer productiewerkzaamheden heeft verricht aan de stortmachine, terwijl dit arbeidsmiddel in bedrijf was.
De verdediging heeft aangevoerd dat - mocht de rechtbank oordelen dat wel sprake was van het verrichten van werkzaamheden in de zin van artikel 7.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit - doeltreffende maatregelen waren genomen om werkzaamheden aan de in bedrijf zijnde stortmachine veilig uit te voeren. Aan de medewerkers van verdachte was namelijk de mondelinge instructie gegeven om te werken aan de andere zijde van de stortmachine (de veilige kant) dan aan de zijde waar op dat moment in de direct naastgelegen baan de stapelaar in bedrijf was.
De rechtbank overweegt dat het enkel geven van een mondelinge instructie het risico op aanrijding en beknelling op zichzelf niet wegneemt. Dit risico blijft onverminderd bestaan. De naleving ervan wordt volledig afhankelijk gemaakt van de oplettendheid van de medewerkers (bijvoorbeeld of er al dan niet op de direct naastgelegen baan wordt gewerkt) en op geen enkele andere wijze beheerst of gecontroleerd, bijvoorbeeld door een technische maatregel. De rechtbank is van oordeel dat de mondeling gegeven instructie in deze situatie niet kwalificeert als een doeltreffende maatregel in de zin van artikel 7.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
De rechtbank acht het eerste en onder A ten laste gelegde (deel)verwijt wettig en overtuigend bewezen voor zover dat verwijt inhoudt dat het slachtoffer productiewerkzaamheden heeft verricht aan de stortmachine, terwijl dit arbeidsmiddel in bedrijf was en geen doeltreffende maatregelen waren genomen om deze werkzaamheden veilig uit te voeren. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee heeft nagelaten te voldoen aan datgene waar zij op grond van artikel 7.5, tweede lid en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit toe verplicht was.
Artikel 7.17b, tweede lid, onder e, van het Arbeidsomstandighedenbesluit
Verdachte wordt verweten dat zij de stapelaar niet heeft uitgerust met een doeltreffend hulpmiddel dat toereikend zicht voor de bestuurder mogelijk maakte, terwijl het directe gezichtsveld van de bestuurder ontoereikend was om de veiligheid van personen te waarborgen.
Feiten en omstandigheden
Op het moment van het ongeval was de bediener van de stapelaar twee kanaalplaatvloeren aan het vervoeren. Na het ongeval hebben verbalisanten onderzoek gedaan naar het zicht van de bediener van de stapelaar ten tijde van het ongeval. Verbalisanten hebben - gezien vanuit de bedieningsplek - geconstateerd dat door de massieve constructie en lengte van de stapelaar er zo goed als geen zicht was op de plaats tussen de banen in. Volgens verbalisanten was er sprake van een grote ‘dode hoek’ die was te verkleinen tot dertig meter voor de stapelaar door met het lichaam buiten de bedieningsplaats te hangen. Dit laatste is volgens de gebruikershandleiding van de stapelaar echter verboden. [11]
De bestuurder van de stapelaar op de dag van het ongeval, [naam 3], heeft verklaard dat hij niks kan zien wanneer hij op (de bedieningsplaats van) de stapelaar staat en dat hij het slachtoffer niet heeft gezien op het moment van het ongeval. [12]
Getuige [getuige 5] (hierna: [getuige 5]) heeft verklaard dat wanneer zich twee gezaagde (beton)platen in de stapelaar bevinden, de bestuurder van de stapelaar geen zicht heeft op de plek waar het slachtoffer bezig was op de naastgelegen baan. [13] Getuige [getuige 6] (hierna: [getuige 6]) heeft verklaard dat [naam 3] geen zicht heeft kunnen hebben op de werkzaamheden die werden verricht op baan drie (de baan waar het slachtoffer werkzaam was) doordat de betonplaten die zich in de stapelaar vinden in de weg zaten. [14] [getuige 3] heeft verklaard dat hij na het ongeval heeft gemerkt dat het zicht aan één zijde van de stapelaar slecht is. Ook heeft [getuige 3] verklaard dat na het ongeval een camera op de stapelaar is geplaatst, maar dat het zicht beperkt blijft wanneer er producten in de stapelaar hangen. [15]
Zowel de Rapportage MRI&E als de gebruikershandleiding van de stapelaar vermelden niets over het (slechte) zicht van de bediener van de stapelaar. [16]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt (ook hier) allereerst op basis van de feiten en omstandigheden vast dat de stapelaar kwalificeert als een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet.,
De rechtbank is op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte niet heeft voldaan aan datgene waar zij op grond van artikel 7.17b, tweede lid, onder e, van het Arbeidsomstandighedenbesluit toe verplicht was. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het directe gezichtsveld van de bestuurder van de stapelaar op 18 april 2023 niet toereikend was om de veiligheid van personen te waarborgen. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tweede en onder B ten laste gelegde (deel)verwijt heeft begaan.
Artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
Verdachte wordt verweten dat zij niet schriftelijk in een risico-inventarisatie en -evaluatie heeft vastgelegd welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt, specifiek de risico’s van het aanrijdgevaar en/of beknellingsgevaar bij het werken met de betonstortmachine en stapelaar in direct naast elkaar gelegen (productie)banen.
Feiten en omstandigheden
Verbalisanten hebben geconstateerd dat de afstand tussen de banen (productiebedden) die zich in de productiehal bevinden 54 centimeter bedroeg. Bij het elkaar passeren van de stortmachine en de stapelaar bedroeg de ruimte tussen beide machines 12 centimeter. [17]
Verdachte beschikt over een schriftelijke risicobeoordeling van 15 april 2017 specifiek met betrekking tot de stapelaar. Daarin staat enkel vermeld dat “de operator de machine pas in beweging mag zetten als er goed zicht is op de rij­ richting en er zeker van is dat er zich geen mensen/objecten aanwezig zijn in de rijrichting. Het rijden dient immer op matige snelheid plaats te vinden”. Over beknellingsgevaar staat verder niets vermeld in de risicobeoordeling. [18]
Verdachte beschikt ook over een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie rapportage (hierna: RI&E) van 3 december 2022. Volgens verbalisant staat hier niets vermeld over aanrijd- en/of beknellingsgevaar. Het hiervoor aangehaalde Rapportage MRI&E van 20 april 2023 vermeldt ook niets over aanrijd- en/of beknellingsgevaar. [19] Ook de bedieningshandleiding van de stortmachine en de gebruikershandleiding van de stapelaar vermelden niets over de risico’s van aanrijd- en/of beknellingsgevaar. [20]
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de risico’s van het aanrijd- en/of beknellingsgevaar bij het werken met de stortmachine en stapelaar in direct naast elkaar gelegen (productie)banen niet heeft geïnventariseerd en geëvalueerd. Daarmee heeft verdachte niet voldaan aan datgene waar zij op grond van artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet toe verplicht was. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het derde en onder C ten laste gelegde (deel)verwijt heeft begaan.
De verdediging heeft bepleit dat wel is voldaan aan artikel 5 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, nu verdachte sinds de start van haar werkzaamheden twee deskundigen een schriftelijke inventarisatie heeft laten maken van de risico’s die zich
voordoen bij het uitvoeren van de werkzaamheden binnen het bedrijf. Daarmee heeft verdachte meer gedaan dan noodzakelijk en voldaan aan haar wettelijke verplichting.
Met betrekking tot dit standpunt overweegt de rechtbank als volgt. Ter terechtzitting heeft. [naam 1] verklaard dat tijdens de inventarisatie door de deskundigen, ook tijdens het bezoek van de deskundige [naam 4] op 6 april 2023, niet is gesproken over de te verrichten arbeid en de daaraan verbonden risico’s met betrekking tot het uitvoeren van werkzaamheden waarbij de stortmachine en de stapelaar elkaar passeren in direct naast elkaar gelegen banen, terwijl [naam 1] en de getuigen [getuige 5] en [getuige 2] hebben verklaard dat het regelmatig voorkwam dat bij het uitvoeren van werkzaamheden de stortmachine en de stapelaar tegelijkertijd in bedrijf waren in direct naast elkaar gelegen banen en hierbij elkaar regelmatig passeerden. Zo heeft [getuige 5] verklaard dat het dagelijks voorkwam dat beide machines elkaar passeren op naast gelegen banen. Getuige [getuige 2] heeft op de vraag hoe vaak het passeren van de machines op direct naast elkaar gelegen banen voorkomt, geantwoord: “Ongeveer eenmaal per dag, het gebeurd niet altijd dagelijks maar welk regelmatig”. Door [naam 1] is ter terechtzitting verklaard dat het bij een gewijzigde planning wel eens voorkwam dat beide machines tegelijkertijd in bedrijf waren op naast elkaar gelegen banen. [21]
Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het hiervoor beschreven arbeidsproces en de daaraan verbonden risico’s niet zijn besproken met de deskundigen, waardoor zij niet beschikten over voldoende informatie om dit arbeidsproces te betrekken in hun risico-inventarisatie en -evaluatie. Verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank de naleving van artikel 5 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet in het algemeen niet afwentelen op een externe deskundige, en zeker niet als de externe deskundige onvoldoende is ingelicht over de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden, meer in het bijzonder wanneer daarbij bij een in werking zijnde stortmachine vanaf de direct naastgelegen productiebaan waarop tegelijkertijd werkzaamheden met de stapelaar uitgevoerd (kunnen) worden en deze machines elkaar kunnen passeren, de wijze van storten wordt gecontroleerd en, indien nodig, overtollig beton wordt verwijderd. Om deze reden slaagt het verweer van de verdediging niet.
Artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
Verdachte wordt verweten dat zij het slachtoffer en [naam 3] onvoldoende heeft ingelicht over de te verrichten werkzaamheden met de stortmachine en stapelaar in naastgelegen banen, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen die erop gericht waren om deze risico’s te beperken.
Feiten en omstandigheden
In de hiervoor al aangehaalde RI&E van 3 december 2022 staan in het bijbehorende “plan van aanpak” de volgende bevindingen vermeld:
- “ De taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (op gebied van arbo) zijn binnen het bedrijf niet duidelijk afgesproken en vastgelegd.”;
- “ Er is geen beleid ten aanzien van het geven van periodieke voorlichting en instructie over veilig en gezond werken.”, en;
- “ Medewerkers worden niet structureel voorgelicht over veilig gebruik van machines.” [22]
Gevraagd naar de risico’s die aanwezig zijn binnen de onderneming heeft [naam 3] verklaard dat hij werkt met grote machines en dat je op elkaar moet letten. Gevraagd naar specifiek gegeven instructies op het gebied van die risico’s en of [naam 3] bekend is met de Risico Inventarisatie- en Evaluatie heeft [naam 3] ontkennend geantwoord. [23] [getuige 4] heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van een Risico Inventarisatie- en Evaluatie. [24]
Getuige [getuige 5] heeft op de vraag naar wat de afspraken zijn over passerende machines geantwoord dat men meestal gewoon goed moet uitkijken en dat daar voor de rest niet echt afspraken over zijn. [25] [getuige 6] heeft op de vraag of ergens staat beschreven dat het slachtoffer aan de juiste kant moet uitstappen op het moment dat op de baan naast hem wordt gewerkt, geantwoord: “Niet wat ik weet. Dit weten ze gewoon van elkaar. Dat is communiceren met elkaar.” [26] [getuige 2] heeft ten aanzien van het werken met de betonstortmachine en over hoe om te gaan met de stapelaar verklaard dat hem vijf maanden geleden mondeling is uitgelegd wat de veiligheidsvoorschriften waren en dat hij zich niet meer kan herinneren wat deze instructies waren. Gevraagd naar hoe hij weet of de stapelaar eraan komt wanneer hij met de betonstortmachine aan het werk is, heeft [getuige 2] geantwoord dat hij dit zelf observeert door te kijken. [27]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet de bevindingen in het plan van aanpak behorende bij de RI&E van 3 december 2022 bevestigd worden in de getuigenverklaringen ten aanzien van het verrichten werkzaamheden met de stortmachine en stapelaar in naastgelegen banen. Naar het oordeel van de rechtbank waren de werknemers van verdachte onvoldoende ingelicht over deze werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen die erop gericht waren om deze risico’s te beperken.
Door de verdediging is naar voren gebracht dat het slachtoffer en [naam 3] wel doeltreffend waren ingelicht. Zo werden er algemene en specifiek op machine gerichte instructies meegegeven en vonden er regelmatig toolbox-meetingen plaats. De rechtbank overweegt dat de in het dossier bevindende handleidingen en instructies echter niet zien op de situatie waarin arbeid wordt verricht waarbij de stortmachine en de stapelaar tegelijkertijd in bedrijf zijn op naast elkaar gelegen banen en elkaar hierbij passeren. Ook biedt het dossier geen enkele ondersteuning voor de stelling dat er regelmatig toolbox-meetingen zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.
De verdediging heeft ten aanzien van de inlichtingenplicht tevens verwezen naar de (hiervoor al aangehaalde) mondeling gegeven instructie dat werknemers bij het storten van het beton aan de andere zijde van de stortmachine moesten gaan staan (de veilige kant) dan aan de zijde waar op dat moment in de direct naastgelegen baan de stapelaar in bedrijf was. Daarmee waren de gegeven instructies voldoende geconcretiseerd met betrekking tot de situatie zoals ten laste is gelegd.
De rechtbank overweegt dat in het standpunt van de verdediging ligt besloten dat de stortmachine naast een veilige kant ook een onveilige kant heeft. Van deze onveilige kant is hiervoor vastgesteld dat de risico’s van het uitvoeren van werkzaamheden waarbij de stortmachine en stapelaar elkaar passeren op naast elkaar gelegen banen niet waren geïnventariseerd en niet waren besproken met medewerkers, terwijl ook is vastgesteld dat het regelmatig voorkwam dat de betonstortmachine en stapelaar elkaar passeerden bij het uitvoeren van werkzaamheden. Onder deze omstandigheden had het voor de hand gelegen dat verdachte deze risico’s wel had geïnventariseerd en had besproken met haar medewerkers. Het geven van een mondelinge instructie aan medewerkers om aan de veilige kant te werken, ontslaat verdachte niet van de verplichting om in een dergelijk geval deze risico’s alsnog te inventariseren, maatregelen te nemen deze risico’s te beperken en haar werknemers daarover in te lichten.
Met inachtneming van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet heeft voldaan aan datgene waar zij op grond van artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet toe verplicht was. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vierde en onder D ten laste gelegde (deel)verwijt heeft begaan.
Artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
Verdachte wordt verweten dat zij heeft nagelaten (voldoende) erop toe te zien dat de gebruikte arbeidsmiddelen (de stortmachine en de stapelaar) die in naast gelegen banen aan het werk waren elkaar veilig konden passeren.
Feiten en omstandigheden
[naam 1] heeft verklaard dat diverse personen in algemene zin toezien op de veiligheid met betrekking tot het verrichten van arbeid. Zo noemt [naam 1] het slachtoffer als degene die verantwoordelijk was voor de veiligheid binnen de (beton)stortploeg. Ook productieleider [naam 5], bedrijfsleider [naam 6], hijzelf en zijn broer worden door [naam 1] genoemd in het kader van het toezicht op veilig werken. [28]
Ter terechtzitting heeft [naam 1] bevestigd dat verschillende personen toezien op de veiligheid, maar dat het toezien niet zozeer was gericht op de situatie waarin de betonstortmachine en de stapelaar elkaar in naast gelegen banen (veilig) konden passeren. Volgens [naam 1] werd niet toegezien op deze situatie vanwege de (hiervoor al aangehaalde) mondeling gegeven instructie dat werknemers aan de andere zijde van de betonstortmachine moesten gaan werken dan aan de zijde van de baan waar op dat moment de stapelaar in bedrijf was. [29]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat hiervoor is vastgesteld dat het regelmatig voorkwam dat arbeid werd verricht waarbij de betonstortmachine en de stapelaar elkaar regelmatig passeerden in direct naast elkaar gelegen banen. Zoals de rechtbank ook al bij de bespreking van het vierde en onder D ten laste gelegde verwijt heeft overwogen, betekent dit dat verdachte (als werkgever) de daaraan inherente risico’s had moeten inventariseren. In het verlengde daarvan had zij erop moeten toezien dat beide machines elkaar in direct naast elkaar gelegen banen veilig konden passeren en wel in die zin dat met name ook de werknemer die de stortmachine bediende en daarbij de wijze van storten visueel controleerde vanaf een direct naastgelegen productiebaan niet aan ernstig gevaar voor lijf en leden wordt blootgesteld. Gezien de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte’s vertegenwoordiger ter terechtzitting heeft verdachte dit nagelaten.
Gelet hierop, alsook de conclusie neergelegd in het plan van aanpak van de RI&E van 3 december 2022 (“De taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (op gebied van arbo), zijn binnen het bedrijf niet duidelijk afgesproken en vastgelegd”), is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet heeft voldaan aan datgene waar zij op grond van artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet toe verplicht was. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vijfde en onder E ten laste gelegde (deel)verwijt heeft begaan.
Levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid
De rechtbank overweegt dat het werken met een stortmachine en stapelaar die elkaar op zeer korte afstand passeren in direct naast gelegen banen, met een tussenruimte tussen de machines van 12 cm, evident aanrijd- en beknellingsgevaar met zich brengt voor een persoon die zich tussen die banen aan de zijkant van een van die machines bevindt op het moment dat die machines elkaar passeren. Daardoor is levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die persoon te verwachten bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, welk risico zich bij het slachtoffer op 18 april 2023 helaas heeft verwezenlijkt.
Verdachte wist of had redelijkerwijs moeten weten
De verdediging heeft bepleit dat verdachte zich bewust was van de gezondheids- en veiligheidsrisico’s die zich voordoen bij het werken met machines, maar dat in dit specifieke geval de risico’s voor verdachte niet voorzienbaar waren. De door het slachtoffer verrichte handeling ten tijde van het ongeval - het kijken door het openstaande luik van de betonstortmachine - behoorde namelijk niet tot de reguliere werkzaamheden die voor verdachte moesten worden verricht.
De rechtbank heeft bij de bespreking van het eerste en onder A ten laste gelegde deelverwijt overwogen (p. 6 en 7 hiervoor) dat zij onder de daar aangehaalde omstandigheden van oordeel is dat het controleren tijdens het stortproces of de machine het beton op de juiste wijze stort en het tijdens dat proces verwijderen van beton, een en ander via het luik van de stortmachine, onderdeel zijn van de vaste werkzaamheden behorend bij het productieproces met betrekking tot het vervaardigen van kanaalplaatvloeren en dat zij daarmee eveneens behoren tot de werkzaamheden die een werknemer belast met het bedienen van de stortmachine dient uit te voeren. Reeds om deze reden slaagt het verweer van de verdediging niet.
Gelet op het feit dat verdachte heeft aangegeven bewust te zijn van de gezondheids- en veiligheidsrisico’s die zich voordoen bij het werken met machines, het onmiskenbare gevaar dat uitgaat van twee bewegende machines die elkaar op zeer korte afstand passeren en het gegeven dat [naam 3] heeft verklaard dat een jaar eerder een werknemer van verdachte ook tussen twee bewegende en passerende machines is gekomen waar bij het goed afliep [30] , kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was dan wel redelijkerwijs had moeten weten van het gevaar en de risico’s die uitgingen van het werken met een betonstortmachine en stapelaar die elkaar in direct naast elkaar gelegen banen passeren.
Opzet
De rechtbank benadrukt dat aan verdachte een economisch delict ten laste is gelegd. Het begrip ‘opzet’ moet in het economisch strafrecht in beginsel worden uitgelegd als ‘kleurloos opzet’. Dit betekent dat voor een bewezenverklaring van het opzettelijk begaan van een dergelijk delict niet vereist is dat het opzet van de verdachte rechtspersoon was gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke verplichtingen. [31] Voldoende is dat het opzet is gericht op de feitelijke gedragingen.
Uit het bovenstaande volgt dat verdachte niet heeft voldaan aan de zorgplichten, zoals die voortvloeien uit de Arbowet en het Arbobesluit, en aldus op het gebied van het treffen van maatregelen met het oog op de gezondheid en veiligheid van de werknemers tekort is geschoten. In het nalaten van het treffen van benodigde maatregelen ligt het opzet op dat nalaten besloten. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan.
Toerekening aan de rechtspersoon
De rechtbank overweegt dat het produceren van kanaalplaatvloeren en het in dat kader bedienen van een betonstortmachine en een stapelaar door werknemers van verdachte passen binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte en haar dienstig zijn. Verdachte had tevens de zeggenschap over de wijze waarop en onder welke (on)veilige omstandigheden deze werkzaamheden door haar werknemers werden uitgevoerd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen worden toegerekend aan verdachte.
Conclusie artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet
De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als zijnde werkgever niet heeft voldaan aan de in artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet neergelegde zorgplicht en daarmee dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna in de bewezenverklaring vermeld.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op 18 april 2023 te [plaats], in de gemeente Midden-Groningen,
als werkgever in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet,
opzettelijk, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met voormelde wet en de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij, verdachte toen daar op een perceel aan de [adres] te [plaats], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder Pro g van de Arbeidsomstandighedenwet, door haar werknemers in de zin van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, te weten [naam 2] en [naam 3],
arbeid laten verrichten, bestaande die arbeid uit
– zakelijk weergegeven –
in de productiehal waar kanaalplaatvloeren worden geproduceerd het door werknemer [slachtoffer] werken met een elektrisch aangedreven betonstortmachine (X-liner) welke reed over een vaste baan (productie-bed), en het door werknemer [naam 3] bedienen van de (mobiele) stapelaar welke eveneens reed over een direct naast gelegen vaste baan
(productie-bed) terwijl niet werd voldaan aan
(a)
Artikel 7.5 lid 2 en lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit immers werden productiewerkzaamheden aan het arbeidsmiddel (Betonstortmachine (X-liner)) uitgevoerd, terwijl dit arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en/of drukloos en/of spanningsloos was gemaakt en waren geen doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren
en
(b)
Artikel 7.17b lid 2 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit immers was het mobiele arbeidsmiddel (Stapelaar), terwijl het directe gezichtsveld van de bestuurder van het arbeidsmiddel (Stapelaar) ontoereikend was om de veiligheid van personen te waarborgen, niet uitgerust met (een) doeltreffende hulpmiddel(en) die een toereikend zicht voor de bestuurder mogelijk maakte
en
(c)
Artikel 5 lid 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft zij, verdachte, bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet voldaan aan de verplichting schriftelijk in een risico inventarisatie en evaluatie vast te leggen welke risico's – zakelijk weergegeven –
het werken met een Betonstortmachine (X-liner) en Stapelaar naast elkaar met zich meebrengen, immers had verdachte nagelaten schriftelijk in de inventarisatie en evaluatie vast te leggen de risico’s van aanrijdgevaar en beknellingsgevaar bij het werken met machines naast elkaar,
en
(d)
Artikel 8 lid 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet,
immers heeft zij, verdachte, nagelaten ervoor te zorgen dat die werknemers [naam 2] en [naam 3], doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, te weten - zakelijk weergegeven - het werken met een Betonstortmachine (X-liner) en Stapelaar naast elkaar, en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te voorkomen of te beperken,
en
(e)
Artikel 8 lid 4 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet,
immers heeft zij, verdachte nagelaten toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in artikel 8 lid 1 van Pro de
Arbeidsomstandighedenwet genoemde risico’s, verdachte had nagelaten erop toe te zien dat de gebruikte arbeidsmiddelen (zoals de Betonstortmachine (X-liner) en de Stapelaar) die naast elkaar aan het werk waren elkaar veilig konden passeren,
terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer, te weten [naam 2], ontstond of te verwachten was.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht, artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 75.000,-.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad van verdachte en het gegeven dat verdachte na het ongeval maatregelen heeft genomen om soortgelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Allereerst wil de rechtbank benoemen dat zich op 18 april 2023 een arbeidsongeval met dodelijke afloop heeft voorgedaan. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht kan doen aan het gemis dat de nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren. Daarbij benoemt de rechtbank eveneens dat de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting heeft getoond dat het fatale ongeval en de onomkeerbare gevolgen daarvan voor de nabestaanden van het slachtoffer hem emotioneel raakt.
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en daaruit voortvloeiende voorschriften rust op verdachte in verband met de (productie)werkzaamheden binnen haar onderneming (de productie van kanaalplaatvloeren) een zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van haar werknemers bij het uitvoeren van de aan hen opgedragen werkzaamheden.
Uit het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verdachte in die zorgplicht tekort is geschoten en de betreffende bepalingen niet heeft nageleefd: verdachte heeft onvoldoende zorg gedragen voor een veilige werkomgeving en adequate veiligheidsmaatregelen, waardoor haar werknemers, onder wie het slachtoffer, werden blootgesteld aan veiligheidsrisico’s, gevaar voor ernstige gezondheidsschade en levensgevaar. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 7 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Het ongeval vond plaats op 18 april 2023 en diezelfde dag hebben verbalisanten van de Nederlandse Arbeidsinspectie aan (een wettelijk vertegenwoordiger van) verdachte medegedeeld dat een opsporingsonderzoek werd ingesteld in verband met het arbeidsongeval. Op 22 april 2024 is de vertegenwoordiger van verdachte gehoord. De rechtbank stelt aldus vast dat op 22 april 2024 de redelijke termijn, waarbinnen verdachte dient te worden berecht, is aangevangen. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 18 juni 2026. Van bijzondere, vertragende omstandigheden veroorzaakt door de verdediging is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat brengt mee dat de redelijke termijn met ongeveer drie maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding moet leiden tot strafvermindering.
Bij het bepalen van een (juiste) strafmodaliteit houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het feit dat uit dossier volgt dat zich binnen het conglomeraat waarvan verdachte deel uitmaakt eerder een bedrijfsongeval met dodelijke afloop heeft voorgedaan, waardoor verdachte in zijn algemeenheid bekend is met de gevaren op het gebied van arbeidsomstandigheden. Niettemin was dit eerdere ongeval voor verdachte kennelijk geen aanleiding om de uitvoering van haar arbeidsomstandighedenbeleid te verifiëren en, zo nodig, door aanvullende veiligheidsmaatregelen op orde te brengen. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte daarop ook recent, in het “plan van aanpak” neergelegd in de RI&E van 3 december 2022, nog was gewezen.
Anderzijds slaat de rechtbank er acht op dat verdachte heeft laten zien zich na het incident het een en ander te hebben aangetrokken, bijvoorbeeld door het plaatsen van een camera voor een verbeterd zicht bij het rijden met de stapelaar.
De rechtbank overweegt dat de ernst van het feit de oplegging van een straf of maatregel rechtvaardigt. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden en op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht de rechtbank, met toepassing van een korting van € 2.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting, een geldboete van € 72.500,-, waarvan € 27.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 25.641,56 [vijfentwintigduizend zeshonderdeenenveertig euro en zesenvijftig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Eefting uitvaartbedrijf; € 5.326,56,-
- spreker uitvaart [naam 7]; € 315,00,-.
Ter vergoeding van affectieschade wordt een bedrag van € 20.000,- gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu ter terechtzitting is gebleken dat aan de benadeelde partij een geldbedrag van € 17.500,- is uitgekeerd met als (vermoedelijke) titel de te vorderen affectieschade.
Met betrekking tot de gevorderde materiële kosten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze kosten op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ongeval.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat onduidelijkheid bestaat over de vraag onder welke titel de benadeelde partij reeds een geldbedrag uitgekeerd heeft gekregen. Indien het gaat om de uitkering van een geldbedrag op grond van geleden affectieschade, verzoekt de verdediging de vordering toe te wijzen. Indien onvoldoende duidelijk is of het reeds uitgekeerde bedrag zag op de vergoeding van affectieschade, verzoekt de verdediging de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Als algemeen uitgangspunt geldt dat verdachte de geleden schade van de benadeelde wil vergoeden, aldus de verdediging.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Affectieschade
[slachtoffer] heeft de betaling van een bedrag van € 20.00,00 aan affectieschade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als vader van het slachtoffer tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, BW aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade. De rechtbank kan niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen of reeds een geldbedrag ten titel van affectieschade is vergoed, nu de daarvoor relevante stukken (bijvoorbeeld betalingsbewijzen) ontbreken. Dat brengt mee dat de vordering voor zover strekkende tot vergoeding van affectieschade niet dan wel onvoldoende is bestreden. Dit laat onverlet dat in het kader van de tenuitvoerlegging van dit vonnis aan de orde kan komen of de affectieschade reeds anderszins is voldaan. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen, zij het tot het bedrag dat in overeenstemming is met het Besluit vergoeding affectieschade, derhalve tot een bedrag van € 17.500,00. Voor wat betreft het resterende deel van € 2.500,- zal de rechtbank de vordering van de benadeelde afwijzen.
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De twee opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en door de verdediging niet gemotiveerd betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen voor het volledig gevorderde bedrag (€ 5.641,56), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De verdediging heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen, nu onvoldoende duidelijk is welke van de gevorderde kosten reeds al zijn vergoed aan de nabestaanden van het slachtoffer.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot betaling van
een geldboete van € 72.500,- (zegge: tweeënzeventigduizend en vijfhonderd euro);
- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van
€ 27.500,- (zevenentwintigduizend en vijfhonderd euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 23.141,56 [drieëntwintigduizend honderdeenenveertig euro en zesenvijftig cent], (bestaande uit € 5.641,56 aan materiële schade en € 17.500,- aan affectieschade);
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] af tot een bedrag van € 2.500,- voor wat betreft de meer gevorderde affectieschade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 23.141,56 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2023);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 23.141,56 [drieëntwintigduizend honderdeenenveertig euro en zesenvijftig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2023 ten behoeve van de benadeelde;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. H. Manuel en
mr. D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nederlandse arbeidsinspectie ‘Hannover’ met nummer 2310948. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van onderzoek locatie ongeval 18-04-2023, AMB-001-01, p. 91 en p. 92, het proces-verbaal van verhoor wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, V-001-01, p. 20 en p. 21 en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-006-01, inhoudende een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende verdachte, p. 282 en p. 283.
3.Het proces-verbaal van onderzoek locatie ongeval 18-04-2023, AMB-001-01, p. 91, het proces-verbaal van verhoor wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, V-001-01, p. 21, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], G-001-01, p. 28 en p. 29, het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3], G-004-01, p. 65, en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-07, inhoudende een arbeidsovereenkomst van [naam 2], p. 176 t/m p. 180.
4.Het proces-verbaal van onderzoek locatie ongeval 18-04-2023, AMB-001-01, p. 94, in samenhang met en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-001-01, inhoudende een fotomap behorende bij AMB-001-01, p. 118.
5.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-09, inhoudende een Rapportage Machine Risico Inventarisatie en Evaluatie van 20 april 2023, p. 216.
6.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], G-005-01, p. 67 en p. 68.
7.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], G-006-01, p. 73 en p. 74.
8.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], G-007-01, p. 80.
9.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], G-001-01, p. 30 en p. 38.
10.Het proces-verbaal van onderzoek locatie ongeval 18-04-2023, AMB-001-01, p. 93, een proces-verbaal van bevindingen artikel 7.5, tweede en derde lid Arbobesluit AMB-003-04, p. 107, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-10, inhoudende de Operator/Onderhoudshandleiding X-liner, p. 229 en p. 230.
11.Het proces-verbaal van onderzoek zicht stapelaar, AMB-002-01, p. 96 t/m 97, en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-002-01, inhoudende een fotomap behorende bij AMB-002-01, p. 129 t/m p. 135, en een schriftelijk document met bescheidcode DOC-005-03, inhoudende een EG-verklaring van overeenstemming, p. 154 en p. 157.
12.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3], G-004-01, p. 64.
13.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], G-002-01, p. 49.
14.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], G-003-01, p. 64.
15.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], G-007-01, p. 79.
16.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-09, inhoudende een Rapportage Machine Risico Inventarisatie en Evaluatie van 20 april 2023, p. 208 t/m p. 222, en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-11, inhoudende gebruikershandleiding stapelaar, p. 263 t/m p. 273.
17.Het proces-verbaal van onderzoek zicht stapelaar, AMB-002-01, p. 97, en het proces-verbaal van onderzoek locatie ongeval 18-04-2023, AMB-001-01, p. 94, in samenhang met en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-001-01, inhoudende een fotomap behorende bij AMB-001-01, p. 128.
18.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-02, inhoudende een risicobeoordeling stapelaar van 15 april 2017, p. 145 t/m p. 151.
19.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-08, inhoudende een Rapportage Risico-Inventarisatie/-Evaluatie van 3 december 2022, p. 181 t/m p. 207, en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-09, inhoudende een Rapportage Machine Risico Inventarisatie en Evaluatie van 20 april 2023, p. 208 t/m p. 222.
20.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-10, inhoudende de Operator/Onderhoudshandleiding X-liner, p. 223 t/m p. 262 en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-11, inhoudende gebruikershandleiding van de stapelaar, p. 263 t/m p. 272.
21.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 mei 2026, het proces-verbaal van verhoor wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, V-001-01, p. 22, Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], G-002-01, p. 45, en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], G-006-01, p. 74.
22.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005-08, inhoudende een Rapportage Risico-Inventarisatie/-Evaluatie van 3 december 2022, p. 188 en p. 189.
23.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3], G-004-01, p. 60.
24.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], G-001-01, p. 34.
25.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], G-002-01, p. 45.
26.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], G-003-01, p. 57.
27.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], G-006-01, p. 74.
28.Het proces-verbaal van verhoor wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, V-001-01, p. 24.
29.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 mei 2026.
30.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3], G-004-01, p. 65.
31.HR, 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684.