Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3471

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
12049092 \ CV EXPL 26-88
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:44 BWArt. 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand met betalingsregeling

Huurster huurt sinds 2009 een woning van SOB en heeft een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd. SOB vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van de achterstand. Bij verstekvonnis werd aan SOB toegewezen, maar de bewindvoerder van huurster stelde verzet in.

Tijdens de mondelinge behandeling werd vastgesteld dat de huurachterstand ernstig was, maar dat na aanstelling van de bewindvoerder een betalingsregeling was getroffen en de huur weer werd voldaan. Partijen kwamen overeen dat een voorwaardelijke ontbinding met voorwaarden de belangen van alle partijen voldoende beschermt.

De kantonrechter vernietigde het verstekvonnis, veroordeelde de bewindvoerder tot betaling van de openstaande schuld van €6.398,55 en sprak de ontbinding van de huurovereenkomst uit onder de voorwaarde dat tijdige betaling en voortzetting van het bewind plaatsvindt. Bij niet-naleving volgt ontruiming binnen zes weken. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden met een betalingsregeling en opschorting van ontruiming onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12049092 \ CV EXPL 26-88
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
STICHTING OPENBAAR BELANG,
te Zwolle,
oorspronkelijke eiseres,
gedaagde in verzet,
gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden,
tegen
AKTIVA B.V.,
te Hoogeveen,
in hoedanigheid van bewindvoerder van [huurster] ,
wonende te [woonplaats] ,
oorspronkelijke gedaagde,
eiseres in verzet,
gemachtigde: mr. L.J.T. Hoksbergen.
Partijen zullen hierna ‘SOB’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd worden. [huurster] zal hierna ‘huurster’ genoemd worden.
De zaak in het kort
Huurster huurt van SOB een woning. Zij heeft een huurachterstand laten ontstaan. Bij een eerder gewezen verstekvonnis zijn de vorderingen van SOB – onder meer ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand – toegewezen. Hiertegen is door de bewindvoerder verzet ingesteld. De kantonrechter zal het verstekvonnis vernietigen omdat partijen het op de mondelinge behandeling eens zijn geworden dat met een voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst voldoende aan hun belangen en dat van huurster tegemoetgekomen wordt.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 augustus 2025 met producties 1 tot en met 7;
- het verstekvonnis van deze rechtbank van 26 augustus 2025 met zaaknummer 11842730 CV EXPL 25-2478;
- de verzetdagvaarding van 5 januari 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de aanvullende producties 5 en 6 van de zijde van SOB.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Op de mondelinge behandeling zijn SOB (vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] ), de bewindvoerder (vertegenwoordigd door [naam 3] en [naam 4] ) en de huurster verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
Huurster huurt sinds 23 juni 2009 een woning van SOB op het adres van [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). Zij woont daar met haar (deels) minderjarige kinderen. De huur bedroeg ten tijde van de dagvaarding € 613,23 per maand en was bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.2
Huurster heeft een huurachterstand laten ontstaan.
2.3
Bij verstekvonnis van 26 augustus 2025 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en huurster veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling aan SOB van € 4.253,19 aan achterstallige huur, rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook is huurster veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan de huurprijs vanaf 1 september 2025 tot de dag van ontruiming van het gehuurde en in de proceskosten.
2.4
Bij beschikking van 20 november 2025 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan huurster onder bewind gesteld.
2.5
SOB heeft aan huurster per brief de ontruiming aangezegd tegen dinsdag 6 januari 2026. SOB heeft de ontruiming van het gehuurde onder voorwaarden opgeschort.

3.Het geschil

3.1
SOB vordert bij inleidende dagvaarding – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van € 4.253,19 aan huurachterstand, rente en buitengerechtelijke incassokosten. Volgens SOB is ingevolge artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de zijde van huurster sprake van een ernstige tekortkoming in de nakoming van haar verbintenissen uit de huurovereenkomst die aan SOB de bevoegdheid geven om de huurovereenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.
3.2
De kantonrechter heeft bij verstekvonnis de huurovereenkomst ontbonden en huurster veroordeeld de woning binnen twee weken te ontruimen. Ook de overige vorderingen zijn toegewezen.
3.3
De bewindvoerder vordert in de verzetdagvaarding haarzelf en huurster te ontheffen van de veroordelingen uitgesproken bij verstekvonnis van 26 augustus 2025.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Vooropgesteld wordt dat onbetwist vaststaat dat de bewindvoerder op tijd in verzet is gekomen, zodat de zaak opnieuw moet worden beoordeeld.
De gevolgen van het bewind
4.2
Gedurende deze procedure zijn de goederen van huurster onder bewind gesteld. De bewindvoerder is vervolgens in de procedure verschenen, waardoor zij formele procespartij is geworden in plaats van huurster. De vorderingen van SOB moeten daarom vanaf dat moment worden geacht te zijn gericht tegen de bewindvoerder als vertegenwoordiger van het onder bewind gestelde vermogen van huurster. Er is dus geen vordering meer gericht tegen de ten gevolgde van de onderbewindstelling procesonbekwame huurster zelf, want haar positie is overgenomen door de bewindvoerder. Gevolg hiervan is dat alleen vonnis zal worden gewezen tegen de bewindvoerder.
Ambtshalve toetsing
4.3
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
De huurachterstand
4.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft SOB naar voren gebracht dat er door of namens huurster betalingen zijn verricht welke – zo de kantonrechter begrijpt in afwijking van artikel 6:44 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: ‘BW’) – in mindering dienen te strekken op de openstaande huur. Volgens SOB resteert aan huurachterstand tot aan april 2026 nog een bedrag van € 4.201,61. Dit bedrag zal als onweersproken worden toegewezen.
De ontbinding en ontruiming
4.5
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 BW Pro). De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [1]
4.6
In de woning verblijven ook de minderjarige kinderen van huurster. Op grond van artikel 3 Internationaal Pro Verdrag inzake de Rechten van het Kind moeten de belangen van kinderen en eerste overweging vormen. Dat betekent echter niet dat de huurovereenkomst met huurster niet mag worden ontbonden. De ouder(s) van minderjarige kinderen zijn in principe zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook op de eerste plaats op de weg van de ouder(s) zelf om de nadelige effecten van de ontruiming van hun kinderen zoveel mogelijk te beperken.
4.7
De omvang van de huurachterstand was ten tijde van de mondelinge behandeling van een zodanige omvang, meer dan 6 maanden, dat deze een ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen in beginsel kon rechtvaardigen. Partijen hebben op de mondelinge behandeling echter toegelicht dat nadat de bewindvoerder was benoemd in december 2025 een betalingsregeling tot stand is gekomen op grond waarvan SOB de ontruiming van het gehuurde onder voorwaarden heeft opgeschort. Sinds december komt huurster haar betalingsverplichtingen na.
4.8
Gelet hierop zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling het eens geworden dat
met een ontbinding van de huurovereenkomst onder voorwaarden voldoende aan hun belangen en dat van huurster tegemoetgekomen wordt. Partijen zijn de volgende voorwaarden overeengekomen:
De lopende huurpenningen worden tijdig, telkens voor de eerste van iedere maand, en volledig aan SOB voldaan;
De bewindvoerder zal vanaf 1 juni 2026 een bedrag van € 110,00 per maand aan SOB betalen tot de openstaande schuld is afgelost;
Huurster zal onder bewind blijven staan tot de openstaande schuld is afgelost.
4.9
Op de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over de omvang van de openstaande schuld, die volgens hen zou moeten bestaan uit de openstaande huur per april 2026, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van SOB in verstek en verzet. Partijen hebben verder aangegeven dat bij het bepalen van de totale schuld, waar mogelijk, zoveel mogelijk bij het verstekvonnis moet worden aangesloten. Met het oog daarop oordeelt de kantonrechter dat de openstaande schuld bestaat uit:
  • De huurachterstand per april 2026: € 4.201,61;
  • De buitengerechtelijke incassokosten van € 688,04;
  • De wettelijke rente over de huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten tot deze uitspraak: € 171,76;
  • de proceskosten van SOB in verstek en verzet: € 1.337,14, die als volgt is opgebouwd:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
Totaal
1.337,14
De totale openstaande schuld komt daarmee uit op een bedrag van € 6.398,55.
4.1
Verder zijn partijen het erover eens geworden dat indien er toch tot ontruiming zou worden overgegaan de ontruimingstermijn zes weken is en dat als huurster de hiervoor genoemde schuld aflost, SOB op grond van dit vonnis niet meer tot ontbinding of ontruiming zal overgaan.
De proceskosten
4.11
De proceskosten maken deel uit van de betalingsafspraken, zodat de kantonrechter voor het overige de proceskosten tussen partijen zal compenseren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
vernietigt het op 26 augustus 2025 gewezen verstekvonnis met zaaknummer 11842730 CV EXPL 25-2478,
5.2
veroordeelt de bewindvoerder om aan SOB te betalen een bedrag van € 6.398,55,
5.3
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] en veroordeeld de bewindvoerder om binnen zes weken na de ontbinding het gehuurde te ontruimen en te verlaten met alle personen en zaken die zich vanwege de huurster daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van SOB te stellen, indien tussen de datum van dit vonnis en het moment waarop de openstaande schuld, zoals genoemd in 4.9, volledig is afgelost aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De lopende huurpenningen worden niet tijdig (voor de eerste van iedere maand), dan wel niet volledig aan SOB voldaan;
De bewindvoerder laat vanaf 1 juni 2026 na een bedrag van € 110,00 per maand aan SOB betalen;
Het bewind van huurster eindigt.
5.4
veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs, zulks vermeerderd met een percentage gelijk aan de wettelijk toegestane jaarlijkse huurverhoging, als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat de huurster de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;
5.5
bepaalt dat partijen verder ieder de eigen kosten dragen,
5.6
verklaart het onder 5.2 en 5.4 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026. (jjm)

Voetnoten

1.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)