ECLI:NL:RBOVE:2026:3479

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/08/335095 / HA ZA 25-204
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht schade motorblok Audi niet geslaagd, zaak doorverwezen voor schadebegroting

Achmea vordert schadevergoeding wegens beschadiging van het motorblok van een Audi. De rechtbank heeft Achmea bij tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat de motor op 7 juli 2023 zodanig beschadigd was dat vervanging noodzakelijk was. Achmea heeft verklaringen en een werkbon overgelegd, waaronder een endoscopisch onderzoek uitgevoerd door een monteur van de dealer.

De rechtbank stelt vast dat Achmea niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. De verklaringen zijn onvoldoende gemotiveerd en er ontbreekt een directe schriftelijke verklaring van de monteur die het onderzoek uitvoerde. Ook is onduidelijk wat precies met 'troep' in de cilinders wordt bedoeld en waarom reparatie niet mogelijk zou zijn.

De rechtbank concludeert dat onvoldoende is komen vast te staan dat vervanging noodzakelijk was. Daarom wordt de zaak doorverwezen naar de rol van 24 juni 2026, zodat Achmea de schade opnieuw kan begroten en [bedrijf] hierop kan reageren. Partijen worden ook aangemoedigd om in overleg te treden over de schade.

De verdere beslissing wordt aangehouden. Het vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en op 10 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Achmea is niet geslaagd in haar bewijsopdracht dat vervanging van het motorblok noodzakelijk was; zaak doorverwezen voor nadere schadebegroting.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/335095 / HA ZA 25-204
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: Achmea ,
advocaat: mr. I.I.P. Cuijpers,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf],
advocaat: mr. C.A.D. Oomes.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 maart 2026;
- de akte met productie van 31 maart 2026 van Achmea;
- de akte van 17 april 2026 van [bedrijf].
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Samenvatting

2.1
Bij tussenvonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank Achmea de opdracht gekregen om te bewijzen dat het motorblok van de Audi op 7 juli 2023 dusdanig beschadigd was dat het noodzakelijk was om deze te vervangen. De rechtbank concludeert dat Achmea er niet in is geslaagd dit bewijs te leveren en zal de zaak verwijzen naar de rol van 24 juni 2026 zodat partijen zich kunnen uitlaten over de gevolgen hiervan voor de door Achmea gevorderde schade.

3.De verdere beoordeling

3.1
Achmea heeft in het kader van haar bewijsopdracht de heer [naam 1] verzocht contact op te nemen met [naam 2] (de reparateur van de Audi) en Pouw (de dealer van de Audi) om nadere informatie in te winnen. De heer [naam 1] heeft contact gehad met schademanager [naam 3] van [naam 2] die op 24 maart 2026 een bezoek heeft gebracht aan Pouw. De heer [naam 3] heeft daarover verklaard:
‘ (…)Ik ben bij pouw apeldoorn geweest, daar de werk-order verkregen, die ik u ga mailen, Met de monteur [naam 4] gesproken, die de diagnose heeft gesteld d.m.v. een endoscoop. Die geeft aan dat er blusmiddelen in de motor zaten, voor een juiste conclusie, kunt u met hem contact opnemen, via de receptie, van pouw audi apeldoorn. (…)’
3.2
Ook heeft Achmea een werkbon ingediend, die zou corresponderen met de factuur van Pouw van 19 juli 2023 waarop het endoscopisch onderzoek naar de motor staat vernoemd. Op de werkbon staat
‘Naar schade centrum in cilinders kijken. In sommige zit veel troep in.
3.3
Achmea heeft tenslotte nog een verklaring van de heer [naam 5] van Pouw ingediend met de volgende tekst: ‘
(…) Op verzoek van [naam 5] hebben wij 14 juli 2023 endoscopisch onderzoek gedaan naar de brandschade aan de motor van de Audi met kenteken [kenteken]. Hierbij heeft onze medewerker aan meerdere cilinders schade geconstateerd. Door rommel/troep in de cilinders was de motor inwendig aangetast en hebben wij geadviseerd de motor te vervangen.’
3.4
[bedrijf] voert aan dat Achmea niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Er zijn geen bewijsstukken ingediend die de stelling van Achmea onderbouwen. Daarbij heeft de heer [naam 1] niet zelf met de monteur gesproken die het endoscopisch onderzoek zou hebben uitgevoerd maar vertrouwt hij op een uitspraak van een medewerker van [naam 2] die met deze monteur [naam 4] gesproken zou hebben. De bewijslevering betreft een herhaling van zetten maar herhaald gebruik van dezelfde bewijsmiddelen leidt niet opeens tot meer bewijskracht, aldus [bedrijf].
3.5
Ter beoordeling ligt de vraag voor of met een redelijke mate van zekerheid is komen vast te staan dat het motorblok van de Audi op 7 juli 2023 dusdanig beschadigd was dat het noodzakelijk was om deze te vervangen. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is komen vast te staan. Zij legt dit uit.
3.6
Uit de enkele verklaring van de heer [naam 3] over zijn gesprek met ‘monteur [naam 4]’ kan, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet worden afgeleid dat er op 7 juli 2023 een noodzaak bestond om de motor van de Audi te vervangen. Uit de verklaring van de heer [naam 3] blijkt namelijk enkel dat hij heeft gesproken met monteur [naam 4] die het endoscopisch onderzoek zou hebben uitgevoerd. Door Achmea is echter niet toegelicht op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd en uit de verklaring van de heer [naam 3] blijkt ook niet wat [naam 4] exact heeft aangetroffen anders dan ‘dat er blusmiddelen in de motor zaten.’
Het lag op de weg van Achmea om monteur [naam 4] te vragen een schriftelijke verklaring op te stellen over de wijze waarop het onderzoek is verricht en om een meer uitgebreide en expliciete toelichting op zijn bevindingen te geven. Achmea had er ook voor kunnen kiezen om [naam 4] als getuige op te roepen. Dan had [naam 4] over voorgaande omstandigheden kunnen verklaren en had hij kunnen toelichten waaruit hij afleidde dat er dusdanige schade aan de motor was ontstaan dat het noodzakelijk was deze te vervangen. Nu Achmea dit heeft nagelaten en heeft volstaan met de enkele verklaring van de heer [naam 3], komen de gevolgen ervan voor haar risico.
3.7
Uit de overgelegde werkbon en de verklaring van de heer [naam 5] blijkt evenmin dat het noodzakelijk was de motor te vervangen. Het enkele feit dat er ‘veel troep’ in de cilinders zat waardoor de motor inwendig was aangetast leidt – zonder nadere toelichting die ontbreekt – niet tot de conclusie dat er een noodzaak bestond om de motor te vervangen. Bovendien is niet uitgelegd wat met ‘troep’ wordt bedoeld en niet duidelijk is of hiermee wordt gedoeld op de aanwezigheid van het blusmiddel. Dat geadviseerd is om de motor te vervangen en dat vervanging van de motor ‘geëigend’ was, zoals door Achmea is gesteld, wil nog niet zeggen dat vervanging van de motor noodzakelijk was. Bovendien is door Achmea in het geheel niet toegelicht waarom reparatie van de motor niet mogelijk was.
3.8
De rechtbank concludeert dan ook dat Achmea niet in haar bewijsopdracht is geslaagd.
3.9
In het tussenvonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank al als beslissing genomen dat als Achmea niet zou slagen in haar bewijsopdracht, partijen in de gelegenheid zouden worden gesteld om zich uit te laten over het gevolg hiervan voor de schadeomvang, waarbij een wijze van schadebegroting als beschreven in rechtsoverweging 4.4. van dat vonnis voor de hand ligt. Nu vervanging van de motor niet noodzakelijk en herstel nog mogelijk is en op Achmea de stelplicht en bewijslast ter zake de schadebegroting rust, zal de rechtbank Achmea eerst in de gelegenheid stellen de schade opnieuw te begroten. Vervolgens zal [bedrijf] in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. De rechtbank merkt op dat het ook voorstelbaar is dat, gelet op het oordeel over de noodzakelijkheid van vervanging van de motor, partijen hierover met elkaar in overleg treden.
3.1
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 24 juni 2026voor het nemen van een akte door Achmea over de schadebegroting zoals is vermeld onder rechtsoverweging 3.9.,
4.2
bepaalt dat [bedrijf] op de rol van
woensdag 8 juli 2026bij antwoordakte mag reageren op de akte van Achmea, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,
4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.