ECLI:NL:RBOVE:2026:3482

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/08/342854 / HA ZA 25-452
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Wilmink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over aansprakelijkheid onderaannemer voor schade door onjuiste installatie waterontharder

In 2020 werd in de woning van eiser een waterontharder geïnstalleerd, waarbij in 2022 schade aan de gietvloer werd geconstateerd door een onjuiste aansluiting. Eiser stelde Technipro aansprakelijk, die in een verstekvonnis werd veroordeeld tot schadevergoeding, maar niet betaalde. Eiser vordert nu van onderaannemer gedaagde aansprakelijkheid en schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

Gedaagde betwist de installatie en legt verklaringen en correspondentie over wie de waterontharder heeft geplaatst. De rechtbank oordeelt dat eiser de bewijslast draagt om aan te tonen dat gedaagde de installatie heeft verricht. Indien dit bewezen wordt, is gedaagde tekortgeschoten en onrechtmatig jegens eiser gehandeld.

De rechtbank wijst het beroep van gedaagde op algemene voorwaarden af wegens onvoldoende onderbouwing. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering door eiser, met een nieuwe rolzitting gepland. De rechtbank benadrukt de omvang van de schade en de bijzondere omstandigheden, waaronder het ontbreken van een contractuele relatie tussen eiser en gedaagde.

Uitkomst: De rechtbank draagt eiser op bewijs te leveren dat gedaagde de waterontharder heeft geïnstalleerd en houdt de zaak aan voor bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/342854 / HA ZA 25-452
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.J.W. Raas,
tegen
[gedaagde], voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Nijhoff.

1.Samenvatting van de zaak

In 2020 is er op onjuiste wijze een waterontharder in de woning van [eiser] geïnstalleerd, waardoor schade aan de vloer is ontstaan. [eiser] vordert van onderaannemer [gedaagde] betaling van een schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen, omdat [gedaagde] de waterontharder onjuist heeft geïnstalleerd. [gedaagde] betwist dit. De rechtbank draagt [eiser] op om te bewijzen dat [gedaagde] de waterontharder heeft geïnstalleerd.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte aanvullende producties namens [eiser]
- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
[eiser] heeft in 2020 een overeenkomst gesloten met Technipro, op grond waarvan Technipro elektrotechnische en werktuigbouwkundige installatiewerkzaamheden in de woning van [eiser] heeft verricht. Onderdeel van die werkzaamheden was het installeren van een waterontharder.
3.2
Technipro heeft bij de uitvoering van de werkzaamheden diverse zelfstandigen ingeschakeld.
3.3
In 2022 constateerde [eiser] blaas- en scheurvorming in de gietvloer op de begane grond. Uit onderzoek is gebleken dat dit het gevolg is van een onjuiste aansluiting van de waterontharder. De afvoerslang van de waterontharder bleek niet te zijn aangesloten op het afvoerpunt, waardoor het water vrij onder de vloer van de begane grond doorstroomde. Daardoor is de egalisatielaag van de gietvloer gaan onthechten en opbollen.
3.4
[eiser] heeft Technipro aansprakelijk gesteld voor deze schade. In een verstekvonnis van de rechtbank Overijssel van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Technipro aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt door het onjuist installeren van de waterontharder. Ook is Technipro veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 32.000,00. Technipro heeft geen uitvoering gegeven aan dit vonnis.

4.Het geschil

4.1
[eiser] vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog lijdt door het onjuist installeren van de waterontharder. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.652,00 wegens vergoeding van schade, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld, omdat [gedaagde] de waterontharder heeft geinstalleerd.
4.2
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1
Vast staat dat Technipro meerdere onderaannemers heeft ingeschakeld voor het verrichten van de werkzaamheden in de woning van [eiser] . Om te kunnen beoordelen of een onderaannemer, in dit geval [gedaagde] , kan worden aangesproken, moet allereerst de vraag worden beantwoord of [gedaagde] de waterontharder heeft geïnstalleerd. Bij betwisting van de stelling dat [gedaagde] de waterontharder heeft geïnstalleerd, moet bovendien worden beoordeeld wie de bewijslast draagt.
De stellingen van [eiser]
5.2
stelt dat [gedaagde] de waterontharder destijds heeft geplaatst. [eiser] baseert dit op de verklaring van Technipro. Bovendien heeft een uitzendkracht van [gedaagde] , genaamd [naam 1] , destijds aan [eiser] laten zien hoe de waterontharder werkt. Het is volgens [eiser] niet logisch dat je laat zien hoe een waterontharder werkt als je de waterontharder niet zelf hebt geïnstalleerd. [eiser] onderbouwt haar stelling met twee e-mails van Technipro van 30 oktober 2023 en 8 april 2026, waarin [naam 2] namens Technipro verklaart dat [gedaagde] de waterontharder destijds heeft geplaatst. Daarnaast legt [eiser] Whatsapp-correspondentie tussen [gedaagde] en de overleden echtgenoot van [eiser] over. Op 16 augustus 2020 stuurt de echtgenoot van [eiser] naar [gedaagde] :
“Goedemorgen, Wij zijn over naar ons woning aan [plaats] maar ik kan geen wasjes draaien. Ik zie geen afvoer voor de wasmachine. Kan iemand ook uitleggen hoe de installatie allemaal werkt. Ik kan ook niet stofzuigen omdat ik de slang mis. Zou je nog een keer langs willen komen deze week. Om een en ander af te ronden aub?”.Volgens [eiser] bevestigt dit dat [naam 1] namens [gedaagde] de werking van de waterontharder heeft uitgelegd en gedemonstreerd.
De betwisting door [gedaagde]
5.3
betwist dat hij of zijn uitzendkracht [naam 1] destijds de waterontharder heeft geplaatst. Zij kunnen zich beiden ook niet herinneren dat [naam 1] uitleg heeft gegeven over de waterontharder. Het geven van uitleg over diverse zaken is echter wel onderdeel van de functie van [naam 1] , dus het is volgens [gedaagde] mogelijk dat [naam 1] wel uitleg heeft gegeven maar dit niet meer weet. Dit betekent niet dat [naam 1] de installatie ook heeft gedaan, aldus [gedaagde] .
5.4
[gedaagde] weet niet wie de waterontharder wel heeft geplaatst. Omdat er veel werk in korte tijd moest worden verricht, liepen er veel door Technipro ingeschakelde zelfstandigen rond in de woning van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft een andere zelfstandige, genaamd [naam 3] , in elk geval de opdracht van Technipro gekregen om de waterontharder te installeren. [gedaagde] legt ter onderbouwing de Whatsapp-correspondentie tussen hem en Technipro over, waarin [naam 2] van Technipro op 23 juli 2020 stuurt:
“Sanitair zou geleverd worden. [naam 3] start morgen met ventilatie en waterontharder en dan kijken we verder”.[gedaagde] legt verder ter onderbouwing een ondertekende verklaring van [naam 1] , de uitzendkracht van [gedaagde] , over. Daarin verklaart [naam 1] dat hij geen waterontharder heeft gemonteerd of aangesloten.
Bewijsopdracht
5.5
De rechtbank concludeert dat [gedaagde] de stellingen van [eiser] gemotiveerd en onderbouwd heeft betwist door, naast zijn eigen verklaring, een verklaring van [naam 1] en screenshots van het Whatsapp-gesprek met Technipro over te leggen. Weliswaar heeft [eiser] vervolgens een verklaring van [naam 3] overgelegd waarin [naam 3] betwist dat hij de waterontharder heeft geplaatst, maar [naam 3] verklaart ook dat hij niet weet wie het wel heeft gedaan. De stellingen van [eiser] blijven kortom gebaseerd op de verklaring van Technipro en de uitleg van [naam 1] over de werking van de waterontharder. Daar heeft [gedaagde] voldoende tegenover gezet. Omdat [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, namelijk dat [gedaagde] de waterontharder heeft geplaatst, draagt [eiser] op grond van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bewijslast van deze feiten. De rechtbank zal [eiser] dan ook toelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de waterontharder destijds door of namens [bedrijf] is geïnstalleerd.
Voor het geval [eiser] in het bewijs slaagt
5.6
Voor het geval [eiser] in haar bewijs slaagt en vast komt te staan dat [gedaagde] de waterontharder heeft geïnstalleerd, overweegt de rechtbank als volgt. In dat geval staat vast dat [gedaagde] is tekort geschoten in de uitvoering van zijn overeenkomst met Technipro en dat dit tot schade aan de gietvloer heeft geleid. De hoogte van de schade bedraagt volgens [eiser] € 25.652,00, zijnde de kosten van herstel van de gietvloer. [eiser] onderbouwt dit met een offerte en [gedaagde] betwist dit niet, zodat de hoogte van de schade vast staat. De vraag is echter of het handelen van [gedaagde] een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiser] oplevert aangezien tussen [eiser] en [gedaagde] geen contractuele relatie bestaat.
-
Is er sprake van een onrechtmatige daad?
5.7
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in diverse arresten [1] heeft bepaald dat een wanprestatie van een onderaannemer tegenover de hoofdaannemer op zichzelf nog geen onrechtmatige daad tegenover de opdrachtgever oplevert. Maar het handelen van een onderaannemer kan onder omstandigheden een schending van de normen van wat in het maatschappelijk verkeer betaamt opleveren. Daarbij moeten diverse omstandigheden in ogenschouw worden genomen, zoals:
  • De hoedanigheid van alle betrokken partijen
  • De aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst
  • De wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken
  • De vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was
  • De vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien.
  • De vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden.
  • De aard en omvang van het nadeel
  • De vraag of van de derde kan worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt.
5.8
De rechtbank overweegt dat in dit geval sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk tussen een particulier en een professionele aannemer, namelijk Technipro en anderzijds tussen twee professionele partijen, namelijk Technipro en [gedaagde] . Op grond van die overeenkomsten werden ten behoeve van de nieuwe woning van [eiser] diverse elektrotechnische en werktuigbouwkundige installatie werkzaamheden verricht. De strekking was dat het werk deugdelijk zou worden verricht en dat er onder meer een goed werkende waterontharder zou worden gerealiseerd. Dat is niet gebeurd. Er is een cruciale en ernstige fout gemaakt. De waterontharder is niet (correct) aangesloten, waardoor het water gedurende een lange periode dagelijks onder de vloer wegstroomde.
5.9
[gedaagde] is als zelfstandige door Technipro ingeschakeld, samen met diverse andere zelfstandigen. Dit gebeurde pas in een later stadium van het project. Er werd geen schriftelijke overeenkomst tussen [gedaagde] en Technipro gesloten. [gedaagde] voerde de ter plaatse gegeven opdrachten uit en kreeg per uur betaald. [gedaagde] was bekend met de betrokkenheid van [eiser] als opdrachtgever van Technipro, maar de rechtbank concludeert dat het andersom voor [eiser] niet duidelijk was wie welke werkzaamheden uitvoerde en in welke hoedanigheid. De rechtbank acht van belang dat uit de overgelegde Whatsapp-correspondentie volgt dat [eiser] en [gedaagde] regelmatig rechtstreeks contact hadden, onder andere over de warmtepomp, een lekkage, graafwerkzaamheden voor het riool, de wateraansluiting voor de keuken en het sanitair. Voor [eiser] was [gedaagde] blijkbaar een rechtstreeks aanspreekpunt.
5.1
De rechtbank weegt tevens mee dat de aard en de omvang van het door [eiser] geleden nadeel fors is. Doordat de afvoerslang van de waterontharder niet op het afvoerpunt is aangesloten, is er forse schade aan de gietvloer ontstaan. Er ontstonden gaten en bulten in de vloer. Dit leidde niet alleen tot schade en herstelkosten, maar leverde voor de destijds ongeneeslijk zieke en immobiele echtgenoot van [eiser] ook valgevaar op. Daar komt bij dat [eiser] de schade niet op Technipro als contractuele wederpartij kan verhalen, nu onweersproken is gesteld dat dit een lege en inactieve vennootschap is. Voor [eiser] was het niet mogelijk om zich te verzekeren of anderszins in te dekken tegen het door haar geleden nadeel. Zij heeft bovendien alle redelijkerwijs mogelijke wegen bewandeld om de schade vergoed te krijgen. Daartegenover staat dat indien vast komt te staan dat [gedaagde] de waterontharder heeft geplaatst, [gedaagde] de belangen van [eiser] heeft verwaarloosd door lange tijd niet eerlijk te zijn over diens rol.
5.11
De rechtbank is van oordeel dat, als vast komt te staan dat [gedaagde] de waterontharder heeft geïnstalleerd, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden [gedaagde] jegens [eiser] onzorgvuldig te werk is gegaan en in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer jegens een opdrachtgever betaamt. Dit kan als een onrechtmatige gedraging tegenover [eiser] worden aangemerkt.
-
Het beroep op de algemene voorwaarden
5.12
[gedaagde] doet bij wijze van verweer een beroep op artikel 12 van Pro zijn algemene voorwaarden. In dat artikel staat dat de aansprakelijkheid is beperkt tot de netto prijs van de verrichte werkzaamheden. [gedaagde] stelt dat deze algemene voorwaarden deel uitmaken van de met Technipro gesloten overeenkomst en dat [gedaagde] hierop via de zogenoemde “paardensprong” ook tegenover [eiser] een beroep kan doen.
5.13
[eiser] betwist het standpunt van [gedaagde] en voert aan dat nergens uit blijkt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en Technipro. Subsidiair voert [eiser] aan dat artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is.
5.14
De rechtbank overweegt als volgt. Om een beroep te kunnen doen op een beding uit algemene voorwaarden moeten de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Daarmee wordt bedoeld dat partijen (al dan niet) stilzwijgend hebben afgesproken dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst. In dit geval stelt [gedaagde] weliswaar dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, maar hij onderbouwt dat niet. De rechtbank wijst het beroep op artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden daarom af.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
draagt [eiser] op te bewijzen dat [gedaagde] , voorheen handelende onder de naam [bedrijf] , in de zomerperiode van 2020 de waterontharder in de woning van [eiser] aan de [adres] heeft geïnstalleerd,
6.2
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 22 juli 2026voor uitlating door [eiser] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3
bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.4
bepaalt dat, als [eiser]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
augustus 2026tot en met
oktober 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.5
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5,
6.6
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
6.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Wilmink en in het openbaar uitgesproken op
10 juni 2026.

Voetnoten

1.o.a. Hoge Raad, 20 januari, 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496 (Leiendak)