Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3484

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/08/333502 / HA ZA 25-167
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 lid 1 BWArt. 3:107 BWArt. 3:111 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing eigendomsvordering op gemeentegrond wegens ontbreken bezit en verjaring

In deze civiele zaak vorderen eiser partijen een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van een deel van een perceel dat volgens de kadastrale gegevens eigendom is van de gemeente. Zij baseren hun vordering op verkrijgende of bevrijdende verjaring, stellende dat hun rechtsvoorgangers het perceelgedeelte sinds 1973 onafgebroken in bezit hadden.

De rechtbank beoordeelt of sprake is van bezit in de zin van artikel 3:107 BW Pro, waarbij feitelijke macht en de pretentie rechthebbende te zijn centraal staan. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van het perceelgedeelte als tuin en later als terras onvoldoende concreet is onderbouwd om bezit aan te nemen. Daarnaast is gebleken dat het gebruik plaatsvond op basis van (vermeende) afspraken met de gemeente, waardoor sprake is van houderschap voor de gemeente en niet van bezit.

De rechtbank overweegt dat de door eiser genoemde gedragingen, zoals onderhoud en afsluiting met een hekwerk, niet als bezitsdaden kunnen worden aangemerkt. Ook het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen ondubbelzinnige erkenning of afstand van rechten door de gemeente is gebleken. Gelet hierop ontbreekt het vereiste bezit voor verjaring en worden de vorderingen afgewezen. De proceskosten worden aan eiser opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot eigendom op grond van verjaring af wegens ontbreken van bezit en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/333502 / HA ZA 25-167
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van

1.[partij A1],

te [woonplaats 1],
2.
[partij A2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A],
advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg,
tegen
GEMEENTE ZWOLLE,
te Zwolle,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. F.J. van Beek.
Samenvatting
Deze zaak gaat over de vraag of (de rechtsvoorgangers van) [partij A] op grond van verjaring eigenaar zijn geworden van een deel van een perceel (hierna: het Perceelgedeelte) dat volgens de kadastrale gegevens eigendom is van de Gemeente. [partij A] vorderen in conventie een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van het Perceelgedeelte en veroordeling van de Gemeente tot medewerking aan een wijziging van de kadastrale gegevens. Indien de rechtbank [partij A] in conventie gelijk geeft, vordert de Gemeente in voorwaardelijke reconventie een verklaring voor recht dat [partij A] onrechtmatig hebben gehandeld door het Perceelgedeelte in bezit te nemen en te houden en schadevergoeding, primair in natura (in de vorm van teruggave van het Perceelgedeelte) en subsidiair in geld.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is geweest van inbezitneming van het Perceelgedeelte door (de rechtsvoorgangers van) [partij A] Het beroep van [partij A] op verjaring slaagt daarom niet. Gesteld noch gebleken is dat [partij A] of hun rechtsvoorgangers op een andere wijze eigenaar zijn geworden van het Perceelgedeelte. De vorderingen van [partij A] in conventie worden daarom afgewezen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de Gemeente in voorwaardelijke reconventie wordt niet toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder deze vorderingen zijn ingesteld, niet is vervuld.
1 De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 mei 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie van 9 juli 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van 17 september 2025;
  • productie 10 van de zijde van [partij A] van 2 december 2025;
  • de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.
1.2
Na de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol, zodat partijen de mogelijkheden voor een schikking konden onderzoeken. Op 20 april 2026 hebben partijen de rechtbank gevraagd om vonnis te wijzen.
1.3
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
In 1989 zijn de ouders van [partij A] eigenaar geworden van het perceel met bedrijfspand aan de [adres], kadastraal bekend als: gemeente [gemeente], sectie [sectie], nummer [nummer 1] (hierna: [adres]). In datzelfde jaar zijn zij daar een brasserie begonnen, genaamd [bedrijf].
2.2
Op 30 december 2022 zijn [partij A] eigenaar geworden van [adres]. Op dezelfde datum hebben zij de brasserie – en de exploitatie daarvan – overgenomen van hun ouders.
2.3
[adres] grenst aan de noordzijde aan een perceel dat volgens de kadastrale gegevens eigendom is van de Gemeente. Dit perceel is kadastraal bekend als: gemeente [gemeente], sectie [sectie], nummer [sectie] [nummer 2] (hierna: perceel [nummer 2]). Sinds de opening van de brasserie in 1989 is een deel van dit perceel (hierna: het Perceelgedeelte) in gebruik als terras bij de brasserie.
2.4
Hieronder volgt een afbeelding van de situatie. Het Perceelgedeelte is op de afbeelding blauw gemarkeerd. De rest van perceel [nummer 2] wordt weergegeven met blauwe stippen. [adres] ligt ten zuiden van het Perceelgedeelte en wordt op de afbeelding aangeduid met ’[nummer 3].’.
[afbeelding]
2.5
In de periode van 2020 tot en met 2022 heeft de Gemeente de omgeving rondom het Perceelgedeelte heringericht. In de loop van 2020 heeft de Gemeente aan [bedrijf] laten weten na de herinrichting in gesprek te willen over de heffing van precariobelasting. Deze belasting werd tot dan toe niet geheven. Na een uitwisseling van de nodige mails hierover – waarbij zowel de ouders van [partij A] als [partij A] zelf betrokken waren – hebben [partij A] eind 2022, voor zover nu van belang, het volgende laten weten aan de Gemeente:
“(…) Ons restaurant [bedrijf] is sinds 1989 gevestigd in het pand aan de [adres] met het kadastrale nummer [sectie] [nummer 1]. Sindsdien maken wij gebruik van de tuin achter het pand van circa 240 m2 en wel als terras. Die tuin is onderdeel van het perceel [sectie] [nummer 2]. Wij hebben het terras altijd onderhouden en voorzien van verlichting. Aanvankelijk was de tuin besloten: aan de zijkanten stonden buurpanden en aan de kant van de Weeshuisstraat een hek dat afgesloten kan worden en waarvan alleen wij de sleutel hebben. Sinds de sloop van de buurpanden is het terras niet meer beschut.
Omdat wij sinds 1989 de tuin onafgebroken in bezit hebben gehad, stellen wij ons op basis van voortschrijdend inzicht inmiddels op het standpunt dat wij eigenaar zijn geworden van het terras en dus van een gedeelte van perceel [sectie] [nummer 2]. (…)
Wij treden graag met u in overleg over de afwikkeling hiervan. De nieuwe grens zal immers in het kadaster moeten worden aangepast.”
2.6
De Gemeente heeft [partij A] laten weten dit standpunt niet te delen en niet te willen meewerken aan wijziging van de kadastrale gegevens.
2.7
Partijen hebben vervolgens verschillende mails uitgewisseld waarin zij hun standpunten nader hebben toegelicht. Deze mails hebben niet tot overeenstemming geleid.
3 Het geschil
in conventie
3.1
[partij A] vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [partij A] ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van het Perceelgedeelte;
de Gemeente veroordeelt om mee te werken aan een wijziging van de kadastrale gegevens om de vordering onder a. te formaliseren, met bepaling dat het vonnis ex artikel 3:300 BW Pro dezelfde kracht heeft als de hiervoor bedoelde medewerking;
de Gemeente veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.014,72;
e Gemeente veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2
De Gemeente voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in voorwaardelijke reconventie
3.3
Indien de rechtbank in conventie oordeelt dat [partij A] door verjaring eigenaar zijn geworden van het Perceelgedeelte vordert de Gemeente, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:voor recht verklaart dat [partij A] jegens de Gemeente onrechtmatig hebben gehandeld door het Perceelgedeelte in bezit te nemen en/of te houden, wetende dat de Gemeente eigenaar was, en [partij A] veroordeelt het wederrechtelijk in bezit genomen Perceelgedeelte in eigendom over te dragen aan de Gemeente, zulks op kosten van [partij A], en te bepalen dat het in de onderhavige procedure te wijzen vonnis in de plaats treedt van de voor de overdracht benodigde notariële akte indien [partij A] niet binnen vier weken nadat vonnis is gewezen medewerking heeft verleend aan het passeren van de notariële akte;
subsidiair:voor recht verklaart dat [partij A] jegens de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door het Perceelgedeelte in bezit te nemen en/of te houden, wetende dat de Gemeente eigenaar was, en [partij A] veroordeelt tot vergoeding van de door de Gemeente schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
[partij A] veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4
[partij A] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de Gemeente, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.
3.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
in conventie
4.1
[partij A] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat hun rechtsvoorgangers door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van het Perceelgedeelte. Zij stellen daartoe dat het Perceelgedeelte sinds 1973 onafgebroken in bezit is geweest van de eigenaren van [adres].
Het toetsingskader voor verjaring
4.2
Voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring is vereist dat de rechtsvoorgangers van [partij A] het Perceelgedeelte gedurende tien jaren onafgebroken te goeder trouw in bezit hebben gehad. [1]
4.3
Voor een geslaagd beroep op verkrijging door bevrijdende verjaring is goede trouw niet vereist, maar wel bezit van het Perceelgedeelte bij de rechtsvoorgangers van [partij A] op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit werd voltooid. De termijn van deze verjaring bedraagt twintig jaar en begint op de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt. [2]
Bezit en inbezitneming
4.4
Zowel voor het slagen van het beroep op verkrijgende verjaring als voor het slagen van het beroep op verkrijging door bevrijdende verjaring is dus in de eerste plaats vereist dat de rechtsvoorgangers van [partij A] het bezit van het Perceelgedeelte hebben verkregen. [partij A] stellen dat dat het geval is. Zij voeren aan dat sprake is geweest van inbezitneming.
4.5
De vraag of de rechtsvoorgangers van [partij A] het Perceelgedeelte in bezit hebben genomen, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW Pro en verder. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Het gaat daarbij om het uitoefenen van feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Of iemand een goed voor zichzelf houdt of voor een ander (zonder de pretentie rechthebbende te zijn), wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Daarbij geldt dat, als de zaak in het bezit is van een ander, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen niet voldoende zijn voor inbezitneming. De machtsuitoefening moet dan zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. [3] Daarnaast moet het bezit ‘openbaar’ en ‘ondubbelzinnig’ zijn. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat hiervan sprake is wanneer het bezit naar buiten toe kenbaar is en de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. [4]
4.6
Het is aan [partij A] om de feiten te stellen die het standpunt dat hun rechtsvoorgangers het Perceelgedeelte in bezit hebben genomen kunnen dragen. [partij A] voeren in dat verband het volgende aan:
  • van 1973 tot 1989 is het Perceelgedeelte door hun rechtsvoorgangers onafgebroken gebruikt als tuin;
  • sinds 1989 is het Perceelgedeelte onafgebroken gebruikt als terras bij de brasserie.
Geen inbezitneming tussen 1973 en 1989
4.7
De rechtbank is van oordeel dat niet komt vast te staan dat het Perceelgedeelte tussen 1973 en 1989 in bezit is genomen door de rechtsvoorgangers van [partij A] hebben enkel aangevoerd dat het Perceelgedeelte gedurende deze jaren bij de toenmalige eigenaren van [adres] in gebruik was als tuin. Voor zover dat het geval was – wat door de Gemeente wordt betwist – hebben [partij A] echter niet geconcretiseerd hoe dat gebruik eruit zag en uit welke feiten en omstandigheden zou moeten volgen dat het Perceelgedeelte daarmee in bezit is genomen door de toenmalige eigenaren van [adres]. De enkele stelling dat het Perceelgedeelte werd gebruikt als tuin is onvoldoende om de door [partij A] gestelde inbezitneming aan te nemen.
Geen inbezitneming/bezit sinds 1989
4.8
[partij A] stellen dat het bezit van hun ouders van het Perceelgedeelte volgt uit de volgende feiten en omstandigheden:
  • sinds 1989 hebben zij het Perceelgedeelte onafgebroken geëxploiteerd als terras bij de brasserie, met 25 tafels en 80 stoelen;
  • sinds 1989 hebben zij het Perceelgedeelte onderhouden door regelmatig te vegen, de aanwezige beplanting te snoeien en te verzorgen en onkruid te verwijderen;
  • in 1989 hebben zij verlichting aangebracht op het Perceelgedeelte;
  • in 1993 hebben zij de fontein op het Perceelgedeelte gerestaureerd en voorzien van een eigen watersysteem;
  • sinds 1989 vormt het Perceelgedeelte een optische eenheid met de brasserie.
4.9
De Gemeente betwist dit feitelijke gebruik van het Perceelgedeelte door de ouders van [partij A] niet. Zij betwist wel dat dit gebruik bezit oplevert. Primair voert zij daartoe aan dat er mondelinge afspraken tussen de ouders van [partij A] en de Gemeente aan dit gebruik ten grondslag lagen, waardoor de ouders van [partij A] het Perceelgedeelte in 1989 zijn gaan houden voor een ander (namelijk voor de Gemeente) en niet voor zichzelf (als bezitters). Subsidiair voert zij aan dat de handelingen van de ouders van [partij A] op het Perceelgedeelte niet kunnen worden aangemerkt als bezitsdaden.
(Vermeende) afspraken over het gebruik leiden tot houderschap
4.1
[partij A] hebben tijdens de mondelinge behandeling betwist dat er afspraken met de Gemeente ten grondslag lagen aan het gebruik van het Perceelgedeelte door hun ouders. Het antwoord op de vraag of er
daadwerkelijkafspraken met de Gemeente zijn gemaakt over het gebruik van het Perceelgedeelte, kan in dit geval in het midden blijven. Ook als de ouders van [partij A], toen zij het Perceelgedeelte in 1989 in gebruik namen,
in de veronderstelling verkeerdendat er over dit gebruik afspraken waren gemaakt met de Gemeente, zijn zij immers houders voor de Gemeente geworden en is van inbezitneming in 1989 hoe dan ook geen sprake geweest. Die situatie doet zich hier voor. Daartoe is het volgende redengevend.
4.11
In 2020 hebben de ouders van [partij A] de Gemeente naar aanleiding van de aangekondigde precariobelasting, voor zover van belang, het volgende gemaild:
“(…) Op 1 september 2020 hadden wij een prettig gesprek met [naam] . (…) In het gesprek gaf [naam] het volgende aan: “Nadat het plein is herontwikkeld, moet gekeken worden naar een eventuele precario afspraak.” In dit gesprek hebben wij aangegeven dat deze afspraken er al sinds 1989 liggen en dat deze uiteraard gehandhaafd moeten blijven. Wij gebruiken het plein al ruim 31 jaar op grond van die bestaande afspraken, op dezelfde wijze en zonder precario. (…)
Wij zijn bereid daartoe tot het volgende eenvoudige compromis te komen:
1.
alle bestaande afspraken tussen de gemeente Zwolle en [bedrijf] rondom het plein blijven gehandhaafd. Dit houdt in dat wij/en of onze eventuele opvolgers van het plein gebruik mogen blijven maken als verlengstuk van onze bedrijfsvoering, vrij van precariobelasting of andersoortige belastingen aan de gemeente. Wij en/of degene na ons onderhouden het plein zoals wij dat al 31 jaar doen;
2.
ons bordes zal op 5 meter van onze gevel recht worden afgelijnd over de gehele breedte van het plein. De paar meter die wij hier mee zouden, winnen worden ons eigendom overgedragen. Daarmee krijgen wij een rechte kavel.”
4.12
De rechtbank kan uit deze mail niet anders afleiden dan dat de ouders van [partij A] het Perceelgedeelte in 1989 in gebruik hebben genomen op grond van (in elk geval) vermeende afspraken daarover met de Gemeente. Dit volgt ook uit de toelichting van [partij A] tijdens de mondelinge behandeling: “Er waren geen afspraken, het gaat om veronderstelde afspraken.” Ook louter veronderstelde afspraken met de Gemeente over het gebruik van het Perceelgedeelte hebben echter al tot gevolg dat de ouders van [partij A] dat Perceelgedeelte in 1989 in gebruik hebben genomen als houders voor de Gemeente en niet als bezitters.
4.13
Eenmaal begonnen als houder voor een ander, blijft men dat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij door een handeling van degene voor wie men houdt (in dit geval: de Gemeente), hetzij door een tegenspraak van diens recht. [5] [partij A] hebben in dit verband betoogd dat de Gemeente heeft erkend dat hun ouders de bezitters en eigenaren van het Perceelgedeelte waren. Voor zover dat niet het geval is, heeft de Gemeente volgens [partij A] in elk geval het vertrouwen gewekt dat zij afstand wilde doen van haar rechten op het Perceelgedeelte en dat zij zich niet zou verzetten tegen een eigendomsclaim vanuit (de ouders van) [partij A] voeren daartoe het volgende aan:
  • de gemeente heeft in 1991 een hekwerk rondom het Perceelgedeelte geplaatst, de sleutel van dit hekwerk aan de ouders van [partij A] gegeven en hen daarmee in staat gesteld het Perceelgedeelte af te sluiten voor iedereen, dus ook voor de Gemeente zelf;
  • de gemeente heeft het Perceelgedeelte in 2009 op de situatietekening bij de drank- en horecavergunning aangeduid als: “Terras circa 100 m2 (eigen terrein)”;
  • in het bestemmingsplan van 2013 heeft het Perceelgedeelte de bestemming “enkelbestemming tuin -1”, een tuin hoort volgens de planvoorschriften altijd bij een op aangrenzende grond gelegen hoofdgebouw en dat kan alleen het gebouw van de brasserie zijn;
  • de gemeente heeft in reactie op het bezwaarschrift tegen de precariobelasting in 2016 geantwoord: “(…) gelet op het feit dat er tot op heden geen precariobelasting voor het terras is opgelegd en dat ook op de situatietekening bij de Drank- en Horecavergunning uit 2009 blijkt dat de gemeente de grond heeft beschouwd als eigen terrein behorende bij [adres], mocht u erop vertrouwen dat aan u geen aanslag precariobelasting opgelegd zou worden”.
4.14
De rechtbank overweegt dat de Gemeente over het hekwerk onweersproken heeft aangevoerd dat zij dit destijds heeft geplaatst om vandalisme en (nachtelijke) overlast op het Perceelgedeelte en in het daarachter gelegen winkelcentrum tegen te gaan. Gelet hierop kan het door de Gemeente geplaatste hekwerk redelijkerwijs niet worden gezien als erkenning van het bezit of de eigendom van de ouders van [partij A] In het kader van de door [partij A] genoemde uitlatingen van (ambtenaren van) de Gemeente geldt verder dat het in alle gevallen gaat om een bestuursrechtelijke duiding van de functie van het Perceelgedeelte, niet om een civielrechtelijke duiding van het bezit dan wel de eigendom daarvan. In deze uitlatingen kan daarom redelijkerwijs geen erkenning – laat staan een expliciete en ondubbelzinnige erkenning – van bezit dan wel eigendom naar civiel recht worden gelezen. De door [partij A] gestelde handelingen/uitlatingen van de Gemeente houden evenmin toezeggingen in op basis waarvan zij dan wel hun ouders er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de Gemeente afstand wilde doen van haar rechten op het Perceelgedeelte. Anders dan [partij A] betogen, mochten zij dit vertrouwen evenmin ontlenen aan de omstandigheid dat de Gemeente niet heeft opgetreden tegen het gebruik van het Perceelgedeelte door (de ouders van) [partij A] Het beroep van [partij A] op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
4.15
De conclusie is dan ook dat de handelingen en/of uitlatingen van de Gemeente waarop [partij A] zich beroepen, geen verandering teweeg hebben gebracht in het houderschap van de ouders van [partij A] Gesteld noch gebleken is verder dat de ouders van [partij A] op enig moment de rechten van de Gemeente met betrekking tot het Perceelgedeelte hebben tegengesproken. Dit betekent dat de ouders van [partij A] houder van het Perceelgedeelte zijn gebleven en dat, anders dan [partij A] betogen, geen sprake kan zijn van verkrijging door verjaring.
Ook geen bezitsdaden
4.16
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Ook als de vermeende afspraken buiten beschouwing zouden worden gelaten, is er met het onder 4.8. beschreven gebruik van het Perceelgedeelte geen sprake geweest van inbezitneming. Voorop staat dat sprake is van grond met een publieke bestemming. Bij de beantwoording van de vraag of naar verkeersopvatting sprake is van ondubbelzinnig bezit moet met deze bestemming rekening worden gehouden. Publieke grond wordt niet zelden door horecagelegenheden gebruikt als (verlengstuk van hun) terras. Het enkele gebruik van publieke grond als terras levert daarom naar verkeersopvatting niet snel ondubbelzinnig bezit op, in die zin dat een gemeente daaruit niet anders kan afleiden dan dat de horeca-exploitant eigenaar van de betreffende grond pretendeert te zijn. Daar zijn bijkomende gedragingen en omstandigheden voor nodig. De overige door [partij A] genoemde gedragingen met betrekking tot het Perceelgedeelte (zoals weergegeven onder 4.8.) liggen echter allemaal in het verlengde van het gebruik van het Perceelgedeelte als het terras. Deze gedragingen – samengevat: het onderhouden en schoonhouden van het Perceelgedeelte – kunnen noch op zichzelf, noch in onderling verband en in samenhang met de exploitatie van het terras als bezitsdaden worden aangemerkt. Ook volgt het bezit niet uit de omstandigheid dat de ouders van [partij A] het Perceelgedeelte een tijd lang iedere avond hebben afgesloten met een door de Gemeente geplaatst (en na de herinrichting overigens ook weer verwijderd) hekwerk. Dit is immers het logische gevolg van de keuze van de Geméénte om dit hekwerk ter voorkoming van de overlast te plaatsen en kan daarom, anders dan [partij A] betogen, geen daad of teken van bezit van de ouders van [partij A] opleveren. De verrichte handelingen met betrekking tot het Perceelgedeelte zouden dus ook als daaraan geen vermeende afspraken ten grondslag hadden gelegen, niet hebben geleid tot de conclusie dat de ouders van [partij A] het Perceelgedeelte op enig moment in bezit hebben genomen.
Conclusie
4.17
Het voor een geslaagd beroep op verjaring vereiste bezit ontbreekt bij de rechtsvoorgangers van [partij A] Gesteld noch gebleken is dat [partij A] of hun rechtsvoorgangers op een andere wijze eigenaar zijn geworden van het Perceelgedeelte. De vorderingen van [partij A] zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.18
[partij A] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Zwolle worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.579,00
4.19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.2
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in voorwaardelijke reconventie
4.21
De vordering in reconventie is voorwaardelijk ingesteld, namelijk onder de voorwaarde dat in conventie zou worden geoordeeld dat [partij A] door verjaring eigenaar zijn geworden van het Perceelgedeelte. De gestelde voorwaarde is niet vervuld. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering in reconventie. De rechtbank moet echter wel een beslissing nemen over de proceskosten. [6]
4.22
Gelet op de samenhang van de gedingen in conventie en reconventie, is de rechtbank van oordeel dat de eis in voorwaardelijke reconventie een redelijke vorm van verdediging vormt en dat de kosten daarvan op die grond ten laste van de in conventie in het ongelijk gestelde partij, dus van [partij A], dienen te komen. [partij A] wordt daarom in de proceskosten van Gemeente Zwolle in voorwaardelijke reconventie veroordeeld. Wel zal vanwege deze samenhang op het salaris gemachtigde een factor 0,5 worden toegepast. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op: 2 punten x factor 0,5 x € 653,00 =
€ 653,00.
4.23
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.24
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1
wijst de vorderingen van [partij A] af,
5.2
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.579,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt [partij A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in (voorwaardelijke) reconventie
5.4
verstaat dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, niet is vervuld zodat niet aan een beoordeling van de vordering in reconventie wordt toegekomen,
5.5
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6
veroordeelt [partij A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
5.7
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2., 5.3., 5.5. en 5.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:99 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 3:105 lid 1 BW Pro, gelezen in samenhang met 3:314 lid 2 BW en 3:306 BW (en artikel 93 Overgangswet Pro).
3.Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743.
4.Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.
5.Artikel 3:111 BW Pro.
6.Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673.