Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De verdere procedure
- de tussenbeschikking van 12 februari 2026;
- de brief met bijlagen van de vrouw van 18 maart 2026;
- de brief van de man van 30 maart 2026.
2.De verdere beoordeling
Conclusie
1 oktober 2025.
Rechtbank Overijssel
De man verzocht de rechtbank om de partneralimentatieverplichting aan de vrouw te beëindigen op grond van artikel 1:160 BW Pro, omdat de vrouw samenwoonde met een nieuwe partner als waren zij gehuwd. De rechtbank had bij tussenbeschikking voorshands bewezen verklaard dat de vrouw en haar nieuwe partner vanaf 1 oktober 2025 samenwonen. De vrouw kreeg de gelegenheid tegenbewijs te leveren.
De vrouw overhandigde schriftelijke verklaringen en diverse documenten, waaronder betalingsbewijzen en verzekeringsbewijzen, maar slaagde er niet in het vermoeden van samenwoning, wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding te ontzenuwen. De rechtbank vond de verklaringen onvoldoende onderbouwd en de documenten incompleet of niet-identificeerbaar.
De rechtbank stelde vast dat de vrouw en haar nieuwe partner vanaf 1 oktober 2025 samenleven als waren zij gehuwd, waardoor de alimentatieverplichting van de man per die datum eindigt. De vrouw moet de vanaf die datum betaalde partneralimentatie terugbetalen, maar de rechtbank wees het verzoek om wettelijke rente af wegens het ontbreken van verzuim.
Beide partijen moeten hun eigen proceskosten dragen vanwege hun eerdere relatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat in hoger beroep worden aangevochten.
Uitkomst: De partneralimentatieverplichting wordt per 1 oktober 2025 beëindigd en de vrouw moet de onverschuldigd betaalde alimentatie terugbetalen zonder rente.