ECLI:NL:RBOVE:2026:3542
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen CBR-besluit rijgeschiktheid wegens alcoholmisbruik
Eiser heeft het CBR verzocht om een verklaring van rijgeschiktheid na een gezondheidsverklaring. Vanwege een voorgeschiedenis van alcoholmisbruik werd eiser gekeurd door een psychiater. Uit het psychiatrisch onderzoek bleek geen aanwijzing voor alcoholmisbruik, maar het laboratoriumonderzoek toonde een licht verhoogde CDT-waarde. Het CBR besloot daarop dat eiser niet rijgeschikt is en verklaarde zijn rijbewijs ongeldig voor een jaar.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat hij zonder rijbewijs inkomsten misloopt. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting en wees het af omdat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Eiser kon nog elders werken en verkeerde niet in een acute financiële noodsituatie.
Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De verhoogde CDT-waarde is een zwaarwegend objectief gegeven en het CBR heeft de voorgeschiedenis van alcoholmisbruik terecht meegewogen. De door eiser aangevoerde medicatie als oorzaak van de verhoogde waarde was onvoldoende onderbouwd.
De voorzieningenrechter zag daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het CBR-besluit wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende kans van slagen van het bezwaar.