ECLI:NL:RBOVE:2026:3613
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank onbevoegd bij beroep tegen niet tijdig nemen besluit op verzoek om handhaving
Eiser diende op 7 november 2025 een verzoek om handhaving in bij het college van burgemeester en wethouders van Zwolle vanwege pleziervaartuigen die aanmeerden aan een steiger in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening. Na uitblijven van een reactie stelde eiser het college op 5 januari 2026 in gebreke en verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Op 11 februari 2026 stelde eiser beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Het college reageerde op 23 februari 2026 op het verzoek en de ingebrekestelling en diende op 25 februari 2026 een verweerschrift in. Eiser diende een aanvullend beroepschrift in en het college een aanvullend verweerschrift. De rechtbank behandelde het beroep op 28 mei 2026.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek om handhaving geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat eiser geen belanghebbende is. Hoewel eiser recreatief gebruik maakt van de steiger, onderscheidt hij zich onvoldoende van andere gebruikers. Hierdoor hoeft het college geen besluit te nemen en is er geen sprake van niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep en beveelt terugbetaling van het griffierecht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep wegens het ontbreken van een aanvraag en belanghebbende bij het verzoek om handhaving.