ECLI:NL:RBOVE:2026:3634

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
12145590 \ CV EXPL 26-677
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119a lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde veroordeeld tot betaling incassokosten na niet-tijdige factuurbetaling

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een openstaande factuur van €242,00 vermeerderd met wettelijke handelsrente en incassokosten van gedaagde. Eiser stelt dat hij in oktober 2024 schadeherstelwerkzaamheden heeft verricht en de factuur meerdere malen aan gedaagde heeft verzonden. Gedaagde betwist ontvangst van de factuur en aanmaningen, maar heeft uiteindelijk de hoofdsom betaald in januari 2026.

De kantonrechter oordeelt dat eiser de juiste partij heeft gedagvaard, aangezien de eenmanszaak is voortgezet in de B.V. en de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. Uit productie blijkt dat gedaagde de factuur en herinneringen heeft ontvangen en geopend, waardoor de stelling van gedaagde onvoldoende is om dit te ontkrachten.

De kantonrechter stelt vast dat de wettelijke betaaltermijn is verstreken en dat gedaagde daarom ook de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. De betaling van €242,00 wordt eerst in mindering gebracht op kosten en rente, waarna een restant van €74,30 openstaat. Dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 februari 2026. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van €329,15 en de wettelijke rente hierover.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €74,30 plus wettelijke rente en proceskosten wegens niet-tijdige betaling van de factuur.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12145590 \ CV EXPL 26-677
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
ook handelend onder de naam [bedrijf eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: EBL Incasso,
tegen
de besloten vennootschap me beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 maart 2026;
- de brief van [bedrijf gedaagde] , die is aangemerkt conclusie van antwoord op de rolzitting van 24 maart 2026;
- de conclusie van repliek van 21 april 2026;
- de brief van [bedrijf gedaagde] van 13 mei 2026, die is aangemerkt als conclusie van dupliek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

Wat wil [eiser] ?
2.1
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 74,30 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en betaling van de proceskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2
Volgens [eiser] heeft hij op of omstreeks oktober 2024 in opdracht en voor rekening van [bedrijf gedaagde] schadeherstelwerkzaamheden verricht, met (eventueel) bijlevering van materialen. [eiser] heeft hiervoor aan [bedrijf gedaagde] een factuur d.d.
5 oktober 2024 van € 242,00 gestuurd. Omdat betaling van de factuur, ondanks aanmaning uitbleef, heeft [eiser] zijn vordering ter incasso uit handen gegeven aan een derde. Daarom moet [bedrijf gedaagde] ook de bijkomende kosten betalen, aldus [eiser] . [eiser] heeft naar voren gebracht dat [bedrijf gedaagde] daarna alleen de hoofdsom heeft betaald, waardoor [eiser] nogmaals aanmaningen heeft gestuurd aan [eiser] . Volgens [eiser] heeft hij [bedrijf gedaagde] daarin gewezen op artikel 6:44 BW Pro, waarin is geregeld dat (deel)betalingen in eerste instantie in mindering strekken op de kosten en rente en daarna pas in mindering op de hoofdsom en heeft [eiser] [bedrijf gedaagde] daarin nogmaals gesommeerd tot betaling van de openstaande hoofdsom. Omdat betaling van de openstaande hoofdsom uitbleef is [eiser] deze procedure gestart en moet [bedrijf gedaagde] ook de proceskosten betalen, aldus [eiser] .
Wat vindt [bedrijf gedaagde] ?
2.3
[bedrijf gedaagde] heeft verweer gevoerd en daarvoor kort samengevat naar voren gebracht dat zij de factuur en de herinneringen nooit van [eiser] heeft ontvangen. Na de (sommatie-) e-mail van 29 december 2025 van de gemachtigde van [eiser] heeft [bedrijf gedaagde] gevraagd om de factuur. Vervolgens heeft [bedrijf gedaagde] na ontvangst van de factuur op 7 januari 2026 de factuur op 8 januari 2026 betaald, aldus [bedrijf gedaagde] . [bedrijf gedaagde] is het niet eens met de handelwijze van [eiser] en zijn gemachtigde en zij is het daarom niet eens met de extra kosten. Verder heeft [bedrijf gedaagde] naar voren gebracht dat niet de juiste partij is gedagvaard, want de werkzaamheden die door [eiser] zijn verricht, zijn in opdracht van [bedrijf gedaagde] als eenmanszaak en niet als B.V. gedaan. Daarnaast is er volgens [eiser] sprake van een procedurele fout omdat de dagvaarding op de balie is achtergelaten zonder een gesloten envelop en eveneens heeft [bedrijf gedaagde] daarvoor niet getekend.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter zal eerst ingaan op de vraag of [eiser] de juiste partij heeft gedagvaard. [eiser] heeft onweersproken gesteld en eveneens is uit het overgelegde uittreksel van Kamer van Koophandel gebleken dat de eenmanszaak [bedrijf gedaagde] is voortgezet in [bedrijf gedaagde] B.V. Dat betekent dat [eiser] de juiste partij heeft gedagvaard.
3.2
Daarnaast heeft [bedrijf gedaagde] gesteld dat de dagvaarding niet juist is betekend. Echter blijkt uit de dagvaarding dat deze in persoon is betekend aan een werknemer van [bedrijf gedaagde] . De deurwaarder heeft voor zijn aanstelling een eed of belofte afgelegd. Daarnaast moet de deurwaarder zijn werkzaamheden uitvoeren in lijn met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, waarvan de deurwaarder verplicht lid moet zijn. De kantonrechter twijfelt dan ook niet aan de betekening van de dagvaarding en zij gaat dan ook aan dat verweer van [bedrijf gedaagde] voorbij.
3.3
Vervolgens is de vraag die moet worden beantwoord of [bedrijf gedaagde] de bijkomende kosten moet betalen.
3.4
In reactie op het verweer van [bedrijf gedaagde] heeft [eiser] naar voren gebracht dat de factuur op 5 oktober 2024 (na het inboeken) en later op 18 juli 2025 nogmaals aan [bedrijf gedaagde] is verzonden. Volgens [eiser] is de factuur op 5 en 6 december 2024 bekeken door [bedrijf gedaagde] . Vervolgens zijn er diverse herinneringen verzonden en ook bekeken, aldus [eiser] . Ter onderbouwing daarvan verwijst [eiser] naar productie 4 bij dagvaarding. Tot slot heeft [eiser] nog naar voren gebracht dat de gemachtigde alvorens over te gaan tot dagvaarden de concept dagvaarding met producties aan [bedrijf gedaagde] heeft gestuurd en ook deze is meerdere malen door [bedrijf gedaagde] bekeken, aldus [eiser] . Hiervoor verwijst [eiser] naar productie 5 bij zijn conclusie van repliek.
3.5
Volgens [bedrijf gedaagde] heeft zij de factuur en de aanmaningen nooit ontvangen. Daarnaast heeft [bedrijf gedaagde] meerdere keren na 1 oktober 2024 met [eiser] gesproken en toen is er ook nooit iets gemeld over een nog openstaande factuur. Tot slot heeft [bedrijf gedaagde] naar voren gebracht dat bij de wisseling naar [bedrijf gedaagde]
B.V. alle e-mailaccounts opnieuw zijn aangemaakt en ingericht. Dat zou volgens [bedrijf gedaagde] een oorzaak kunnen zijn dat de e-mailberichten van [eiser] niet zijn overgekomen.
3.6
De kantonrechter oordeelt als volgt. [eiser] heeft onderbouwd gesteld dat zij de factuur en herinneringen naar [bedrijf gedaagde] heeft gestuurd en dat laatstgenoemde deze heeft ontvangen en geopend. Daarbij heeft [eiser] verwezen naar productie 4, waaruit blijkt dat de e-mailberichten van [eiser] hierover aan [bedrijf gedaagde] zijn gelezen. De enkele stelling van [bedrijf gedaagde] daartegen dat zij geen factuur of herinneringen hierover heeft ontvangen, is niet voldoende om de onderbouwde stellingen van [eiser] te ontkrachten. Dat betekent dat de kantonrechter er vanuit gaat dat [bedrijf gedaagde] zowel de factuur als de herinneringen heeft ontvangen. Gelet op bovenstaande moet [bedrijf gedaagde] ook de extra kosten betalen.
3.7
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat het eventueel niet ontvangen van de e-mailberichten door de wisseling naar [bedrijf gedaagde] B.V. ook voor risico en rekening van [bedrijf gedaagde] zou zijn gekomen omdat niet gesteld en/of gebleken is dat [bedrijf gedaagde] deze nieuwe gegevens aan [eiser] heeft doorgegeven. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat zij wist althans zich diende te realiseren dat [eiser] in augustus 2024 werkzaamheden voor haar had verricht en dat zij daarvan nog een factuur moest ontvangen.
Factuur en wettelijke handelsrente
3.8
Tussen partijen is de (hoogte van) factuur niet in geschil. [bedrijf gedaagde] is te laat geweest met betaling van de factuur, dat betekent dat zij ook de wettelijke handelsrente moet betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.9
Tussen partijen is sprake van een handelsovereenkomst als bedoeld in de wet. Artikel 6:96 lid 4 BW Pro bepaalt vervolgens dat de buitengerechtelijke kosten zonder aanmaning verschuldigd zijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de wettelijke dag van betaling is verstreken. Het gaat hierbij om de wettelijke dag van betaling in de zin van
artikel 6:119a lid 2 BW omdat van een overeengekomen uiterste dag van betaling niet is gebleken. Een vermelding van een vervaltermijn op de factuur volstaat daartoe niet omdat dit niet heeft te gelden als een
overeengekomenuiterste dag van betaling. Omdat duidelijk is dat op het moment van betaling in januari 2026 de wettelijke betaaltermijn is verstreken, zijn de buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor Incassokosten bepaalde tarief en is daarom in beginsel toewijsbaar.
Wat betekent bovenstaande voor [bedrijf gedaagde] ?
3.1
De betaling van € 242,00 zal conform artikel 6:44 BW Pro eerst in mindering worden gebracht op de kosten en de verschenen rente en vervolgens op de hoofdsom. Dat betekent dat aan hoofdsom nog openstaat een bedrag van € 74,30 (bestaande uit € 242,00 aan hoofdsom, wettelijke rente berekend tot en met 17 februari 2026 van € 34,40 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 minus een betaling van € 242,00). Dit bedrag zal door de kantonrechter worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 18 februari 2026 tot de dag van volledige betaling.
De proceskosten.
3.11
[bedrijf gedaagde] krijgt ongelijk en daarom komen de proceskosten van [eiser] voor rekening van [bedrijf gedaagde] .
De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 128,65
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten x tarief € 43,00)
- nakosten
€ 21,50Totaal € 329,15
3.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

4.1
veroordeelt [bedrijf gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 74,30 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel
6:119a BW hierover vanaf 18 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
4.2
veroordeelt [bedrijf gedaagde] in de proceskosten van € 329,15, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen de kosten van betekening, indien [bedrijf gedaagde] niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag € 329,15 vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en over het bedrag van de kosten van betekening vanaf de vijftiende dag na de betekening;
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026. (ak)