Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3639

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
11424615 \ CV EXPL 24-2352
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 lid 2 RvArt. 164 lid 2 RvArt. 237 RvArt. 238 RvArt. 239 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering geldlening wegens onvoldoende bewijs authenticiteit handtekening

Eiser vordert betaling van een geldlening van €7.000,00 die volgens hem is overeengekomen met gedaagde. Gedaagde betwist de lening en de echtheid van zijn handtekening onder de overeenkomst. Een handschriftdeskundige concludeert dat de betwiste handtekening waarschijnlijk niet authentiek is. Eiser levert aanvullend getuigenbewijs van zichzelf en zijn zoon, die beiden verklaren aanwezig te zijn geweest bij het ondertekenen en het overhandigen van het geld.

De kantonrechter weegt het deskundigenrapport en de getuigenverklaringen af en oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om de lening en de authenticiteit van de handtekening vast te stellen. De nauwe familieband tussen eiser en zijn zoon en het voorafgaande overleg over hun verklaringen verminderen de geloofwaardigheid van het getuigenbewijs. Gedaagde ziet af van contra-enquête, maar dit leidt niet tot een andere conclusie.

De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Er is geen aanleiding om af te wijken van het reguliere proceskostenregime. De uitspraak is gedaan door kantonrechter E. Horsthuis op 16 juni 2026.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de geldlening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van authenticiteit handtekening.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11424615 \ CV EXPL 24-2352
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde], werkzaam bij Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.S. Muller.

1.De zaak in het kort

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geld van hem geleend en blijkt dit uit de door beide partijen ondertekende overeenkomst. [gedaagde] heeft daarop aangevoerd dat hij geen geld van [eiser] heeft geleend en heeft de echtheid van zijn handtekening betwist. De bij vonnis van 1 juli 2025 benoemde handschriftdeskundige heeft de volgende conclusie getrokken:
De bevindingen van het onderzoek zijnveel waarschijnlijkerwanneer de betwiste handtekening die is gezet voor de persoon [gedaagde] geen authentieke handtekening van hem betreft (hypothese H2) dan wanneer het wel om een authentieke handtekening zou gaan en niet om een nabootsing of vervalsing (H1).
Naar aanleiding van het vervolgens door [eiser] gedane verzoek getuigenbewijs te mogen leveren is hij daartoe bij vonnis van 23 december 2025 in de gelegenheid gesteld. Op 9 april 2026 zijn [eiser] en zijn zoon als getuige gehoord. Beide partijen hebben vervolgens een akte genomen
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [gedaagde] geld van hem heeft geleend en legt hierna uit waarom.

2.De beoordeling

2.1
In deze zaak is de waardering van het geleverde bewijs (het deskundigenbericht en de getuigenverklaringen) aan de orde.
2.2
Vooropgesteld wordt dat deze waardering is overgelaten aan het oordeel van de rechter, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 152 lid 2 Rv Pro). Algemeen wordt aanvaard dat de rechter niet verplicht is absolute zekerheid te verkrijgen over de feiten. Het te bewijzen feit hoeft niet onomstotelijk vast komen te staan. Voldoende is dat de rechter een redelijke mate van zekerheid verkrijgt.
2.3
[eiser] heeft als getuige verklaard:
De overeenkomst van geldlening is ondertekend op 16 april 2024. U vraagt mij hoe laat. Dat weet ik niet meer. Ik weet niet of het ’s ochtends of ’s middags was. Ik heb die overeenkomst een dag ervoor opgesteld. De overeenkomst is ondertekend op mijn kantoor boven, aan de spreektafel. Ik denk dat wij er een kwartiertje hebben gezeten. Ik weet niet meer of ik [gedaagde] een pen gaf of dat hij er zelf één had. Ik had de € 7.000,00 in mijn binnenzak van mijn jasje. Het ging hoofdzakelijk om briefjes van € 50,00. Het kan zijn dat er een paar van € 100,00 bij waren. Volgens mij heb ik het geld uitgeteld op tafel. Als ik geld bewaar, bundel ik het, bijvoorbeeld als ik 20 briefjes van € 50,00 heb maak ik daar een bundeltje van met één briefje van € 50,00 eromheen en een paperclip. Het bedrag is wel biljet voor biljet uitgeteld. Na dit uittellen zijn er weer bundeltjes van gemaakt. Het is dus per bundeltje uitgeteld en dan weer gebundeld. U vraagt mij hoe [gedaagde] het geld heeft meegenomen. Hij heeft het bij zich gestoken, maar ik kan me het niet meer precies herinneren. Ik heb mijn zoon gevraagd om bij het tellen van het geld en de ondertekening aanwezig te zijn. Ik heb hem dat diezelfde dag gevraagd. Hij was beneden op zijn kantoor. Ik heb hem via de telefoon gevraagd of hij even naar boven kon komen. Mijn zoon is er de hele tijd bij geweest. Nadat [gedaagde] het geld had gekregen is hij meteen het kantoor uitgegaan. Mijn zoon is vrijwel direct daarna aan zijn werk gegaan.
(...)
Mijn zoon was ook bij het tekenen van de overeenkomst.
(...)
We moeten natuurlijk samen naar het getuigenverhoor en we hebben wel erover gesproken wat we ons nog konden herinneren. Verder niet. Hij moet zelf zijn eigen verklaring afleggen.
2.4
Deze verklaring heeft beperkte bewijskracht op grond van artikel 164 lid 2 Rv Pro zoals dat luidde tot 1 januari 2025. [1] Daarin staat dat indien een partij als getuige is gehoord, haar verklaring omtrent de door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling op onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. [2]
2.5
[zoon van eiser] heeft verklaard:
Ik blijf bij mijn schriftelijke verklaring die is overgelegd als productie. De ondertekening van de overeenkomst was in april 2024. De datum weet ik zo niet uit mijn hoofd. Volgens mij was het ergens in de ochtend maar dat heb ik niet meer helemaal helder voor de geest. De overeenkomst is volgens mij opgesteld door mijn vader. Dat doet hij namelijk normaal gesproken als eigenaar van het bedrijf. Dat doet hij af en toe samen met iemand van de administratie, maar in dit geval niet want die had er niets mee te maken. De overeenkomst is ondertekend bij mijn vader op kantoor. Daar hebben we met zijn drieën gezeten, een half uur, drie kwartier of zo iets. Ik heb heel eerlijk gezegd niet zo op de tijd gelet. Mijn vader heeft mij gevraagd of ik er even bij kon komen zitten. Dat doet hij wel vaker bij dit soort gesprekken. In dit geval heeft hij mij volgens mij twee dagen van te voren gevraagd. Hij heeft mij dat persoonlijk gevraagd. Het geld is door mijn vader betaald. Het geld lag op tafel op kantoor. Volgens mij ging het hoofdzakelijk om briefjes van € 50,00 maar het kan zijn dat er een paar briefjes van € 100,00 bij waren. De briefjes zijn uitgeteld. Het ging om losse briefjes, ze waren wel per € 1.000,00 verpakt. Dan bedoel ik dat er één briefje dubbel omheen zat. Verder waren ze niet verpakt. Het geld is per bundeltje uitgeteld en volgens mij daarna weer verpakt. Volgens mij heeft [gedaagde] het geld in zijn jaszak gestoken, maar dat staat me ook niet meer helemaal helder voor de geest. Nadat het geld is uitgeteld en de overeenkomst is ondertekend hebben [gedaagde] en ik het kantoor tegelijkertijd verlaten. Mijn vader bleef daar, het is zijn kantoor.
(...)
Op de dag zelf werd er naar beneden gebeld naar mijn kantoor met de vraag of ik wilde komen. Wij zaten aan de grote tafel waar we normaal gesproken zitten om dingen te bespreken. Het is een ovale tafel. U vraagt mij of ik wel zeker weet dat [gedaagde] het geld heeft meegenomen. Ja dat weet ik zeker.
(...)
Het enige wat mijn vader en ik besproken hebben is hoe zo’n getuigenverhoor gaat. Verder eigenlijk niet. We hebben wel gesproken over hoe de dag toen is gegaan, hoe ik de dag toen heb beleefd.
2.6
Hoewel deze verklaring in grote lijnen overeenkomt met de verklaring van de partijgetuige, legt dit naar het oordeel van de kantonrechter tegenover de (hiervoor onder 1 weergegeven) conclusie van de deskundige onvoldoende gewicht in de schaal om de gestelde (handtekening onder de) geldlening bewezen te achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat voormelde getuige nauwe banden heeft met de partijgetuige (die niet alleen zijn vader, maar ook zijn directeur is) en dat uit hun beider verklaringen kan worden opgemaakt dat zij voorafgaand aan hun verhoren met elkaar hebben gesproken over wat zij zich konden herinneren, waarmee zij minst genomen het risico op beïnvloeding van elkaars herinneringen in het leven hebben geroepen.
2.7
In de keuze van [gedaagde] af te zien van contra-enquête ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Anders dan [eiser] betoogt, kan uit deze keuze bepaald niet zonder meer de conclusie worden getrokken “dat hij het risico van meineed niet heeft willen lopen”.
2.8
De conclusie is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen, met veroordeling van hem in de proceskosten. Daarbij wordt geen aanleiding gezien af te wijken van het in de artikelen 237-240 Rv weergegeven regime. Een uitzondering daarop is immers alleen mogelijk onder buitengewone omstandigheden, zoals wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de
evidente ongegrondheidervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd waarom daarvan in casu sprake was.
2.9
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.260,00
(3,5 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.404,00

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.404,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op
16 juni 2026.

Voetnoten

1.Deze bepaling is gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025 (Staatsblad 2024/62 en 2024/72). Nu deze zaak op dat moment al aanhangig was, blijft deze bepaling hier echter van toepassing, gelet op art. XIIA van voormelde wet.
2.HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688