ECLI:NL:RBOVE:2026:3703

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12160067 \ EJ VERZ 26-109
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 7 sub c BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding na rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens diefstal

De werknemer was sinds 2019 in dienst bij TKH Logistics B.V. als magazijnmedewerker. Op 30 januari 2026 ontdekte de werkgever dat producten uit het magazijn vermoedelijk door de werknemer via Marktplaats werden aangeboden. Na een gesprek werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens diefstal.

De werknemer betwistte het ontslag en verzocht om een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding, alsmede doorbetaling van loon tijdens de procedure. De werkgever voerde verweer en stelde dat er een dringende reden bestond voor het ontslag en verzocht tevens een verklaring voor recht dat de werknemer ernstig verwijtbaar had gehandeld.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was omdat de werknemer producten zonder betaling had meegenomen en verkocht, hetgeen een dringende reden vormt. De werknemer kon zijn stellingen niet aannemelijk maken en de dringende reden was onverwijld en duidelijk meegedeeld. Daarom werd het verzoek tot billijke vergoeding, transitievergoeding en doorbetaling van loon afgewezen.

De kantonrechter verklaarde voorts dat de werknemer ernstig verwijtbaar had gehandeld en veroordeelde hem in de proceskosten. Het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van de werkgever hoefde niet te worden behandeld omdat de arbeidsovereenkomst definitief was geëindigd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens diefstal is rechtsgeldig verklaard en het verzoek tot billijke vergoeding en transitievergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12160067 \ EJ VERZ 26-109
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. S. Groen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TKH LOGISTICS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Haaksbergen,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: TKH,
gemachtigde: mr. I. Lintsen.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift dat is ingediend op 26 maart 2026,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek,
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[partij A] was sinds 1 maart 2019 in dienst bij TKH. De functie van [partij A] was magazijnmedewerker met een loon van € 2.700,00 bruto per maand.
2.2.
In de ochtend van 30 januari 2026 ontving TKH een e-mail van een klant waarin melding werd gemaakt dat producten van het merk Epiphan en Intronics die in het magazijn van TKH horen te liggen via Marktplaats te koop werden aangeboden. Daarop heeft TKH onderzoek gedaan en geconstateerd dat de producten vermoedelijk door [partij A] te koop werden aangeboden.
2.3.
Vervolgens heeft TKH [partij A] diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:
[afbeelding]
2.4.
Op 30 januari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:
[afbeelding]
2.5.
[partij A] is het niet eens met het ontslag op staande voet en is daarom deze verzoekschriftprocedure gestart.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[partij A] verzoekt, na wijziging van zijn verzoeken, de kantonrechter om een billijke vergoeding, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en een transitievergoeding toe te wijzen. Volgens [partij A] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [partij A] verzoekt voorts voor de duur van de procedure doorbetaling van loon bij wijze van voorlopige voorziening.
3.2.
TKH voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. TKH voert ‑ samengevat ‑ aan dat de feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. TKH heeft een tegenverzoek gedaan. TKH verzoekt een verklaring voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en hij daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. TKH heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding.

4.De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Het moet gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [partij A] producten uit het magazijn van TKH heeft meegenomen en dat hij deze te koop heeft aangeboden via Marktplaats. In eerste instantie heeft [partij A] ontkend dat de twee producten van het merk Epiphan met een waarde van respectievelijk ongeveer € 2.500,00 en € 450,00, afkomstig zijn uit het magazijn van TKH en dat zijn vrouw één van deze mogelijk heeft gekocht via de webshop Coolblue om video’s op te nemen met hun dochter. Dit kon [partij A] niet aantonen met aankoopbewijzen. Later heeft [partij A] erkend dat de producten afkomstig zijn uit het magazijn van TKH, maar dat het ging om producten die gratis konden worden meegenomen door het personeel van TKH, omdat deze beschadigd waren. Deze stelling van [partij A] acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op de uitvoerig gemotiveerde onderbouwing van TKH dat dergelijke producten met een hoge verkoopwaarde nooit gratis beschikbaar worden gesteld aan het personeel. Ook blijkt uit de door TKH overgelegde stukken dat de klant, waarvoor TKH de producten van het merk Epiphan in het magazijn opslaat, als beleid heeft dat beschadigde producten altijd teruggestuurd moeten worden en dus nooit gratis worden aangeboden aan werknemers van TKH. Ook de substantiële wijziging van de verklaring van [partij A] voor het in bezit hebben van de betreffende producten draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn in tweede instantie gegeven verklaring, mede omdat hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd zich destijds verwonderd te hebben over de hoge waarde van met name het Epiphan-product dat volgens hem gratis zou zijn aangeboden aan het personeel waardoor het op zijn minst bijzonder is dat je je dat niet zou herinneren als je gevraagd wordt hoe het product in jouw bezit is gekomen.
4.4.
Het wegnemen van producten uit het magazijn van TKH zonder daarvoor te betalen vormt op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat [partij A] door de verkoop van die producten slechts een gering voordeel heeft genoten zoals door hem is gesteld, doet daar niets aan af. Gezien de aard en de ernst van de dringende reden, namelijk het wegnemen van producten zonder daarvoor te betalen, is de kantonrechter van oordeel dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [partij A] en de gevolgen van het ontslag voor [partij A] niet afdoen aan de rechtsgeldigheid en het belang van TKH bij het ontslag op staande voet. Diefstal is namelijk een ernstig feit.
De dringende reden is onverwijld en voldoende duidelijk aan [partij A] medegedeeld
4.5.
Volgens [partij A] zijn de redenen voor het ontslag niet onverwijld aan hem medegedeeld. Uit de ontslagbrief blijkt volgens [partij A] onvoldoende duidelijk welke redenen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter volgt die stelling niet. Het gaat erom dat [partij A] wist waarom hij is ontslagen. Uit de ontslagbrief van 30 januari 2026 met in de bijlage een gespreksverslag van het gesprek waarbij [partij A] aanwezig is geweest, volgt voldoende duidelijk welke redenen ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag. Dat in de brief en het verslag geen opsomming is gemaakt van de ontvreemde producten doet daar niets aan af. [partij A] wist bovendien om welke producten het ging. Hij heeft immers op 2 februari 2026 de twee duurste producten ingeleverd bij TKH.
4.6.
Voor zover er al andere feiten aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, heeft te gelden dat deze niet meer hoeven te worden beoordeeld, omdat het in bezit hebben van twee producten die in het magazijn van TKH behoren te liggen al een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Van een samengestelde dringende reden is geen sprake.
Geen billijke vergoeding
4.7.
Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.
Geen transitievergoeding
4.8.
Het verzoek om TKH te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Diefstal wordt namelijk expliciet door de wetgever genoemd als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen. [1] Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd. [2]
Geen vergoeding vanwege onregelmatige opzegging
4.9.
TKH heeft [partij A] terecht ontslagen. Daarom hoefde TKH geen opzegtermijn in acht te nemen en is TKH niet gehouden om aan [partij A] een vergoeding te betalen.
Geen voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon
4.10.
Nu [partij A] tijdens de procedure alsnog heeft berust in het ontslag is de arbeidsovereenkomst definitief geëindigd op 30 januari 2026 en kan hij geen aanspraak meer maken op loon na die datum. Daarom heeft hij geen belang (meer) bij dit verzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Het voorwaardelijke ontbindingsverzoek hoeft niet behandeld te worden
4.11.
Nu [partij A] zijn verzoeken heeft gewijzigd en dus berust in het ontslag, is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 30 januari 2026. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van TKH hoeft daarom niet behandeld te worden.
De door TKH verzochte verklaring voor recht is toewijsbaar
4.12.
Hiervoor is al geoordeeld dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat betekent dat de door TKH verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.
[partij A] moet de proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek betalen
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van TKH worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.14.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
wijst de verzoeken af,
op het tegenverzoek
5.2.
verklaart voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [partij A] daarom geen recht heeft op een transitievergoeding,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het verzoek en het tegenverzoek
5.4.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking zijn betaald,
5.6.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. [3]
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026

Voetnoten

2.Artikel 7:673 lid Pro 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.