ECLI:NL:RBOVE:2026:3723

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
08.105279.26
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OpiumwetArt. 3 onder B OpiumwetArt. 3 onder C OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vervoeren en aanwezig hebben van grote hoeveelheid softdrugs

De rechtbank Overijssel heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het vervoeren en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs, namelijk ongeveer 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep. De feiten vonden plaats op 8 april 2026 te Deventer. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk deze softdrugs heeft vervoerd en in bezit had, maar vrijspraak verleend voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekentenis van verdachte, verklaringen van verbalisanten en gedragingen van verdachte vlak voor de aanhouding, waaronder het proberen te ontkomen aan controle. Verdachte had volgens de rechtbank wetenschap van de illegale lading, mede gelet op de hoge vergoeding die hij zou ontvangen en het onwaarschijnlijke karakter dat iemand zo'n grote hoeveelheid drugs vervoert zonder kennis daarvan.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van eendaadse samenloop van de feiten en achtte de strafbaarheid van de feiten onbetwist. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder meldplicht bij de reclassering, behandeling, begeleid wonen, schuldhulpverlening en controles op middelengebruik.

Daarnaast werd de voorwaardelijke taakstraf van 60 uur uit een eerdere zaak ten uitvoer gelegd. De rechtbank wees verzoeken tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis af. De in beslag genomen telefoon werd teruggegeven aan verdachte omdat deze niet relevant was voor de strafzaak.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het vervoeren en aanwezig hebben van circa 180 kilo softdrugs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.105279.26 (P) en 13.057968.24 (TUL)
Datum vonnis: 30 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats],
nu verblijvende in de PI [locatie].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en of vervoerd;
feit 2:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
hij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of
hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van de hasj en hennep.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken als ten laste gelegd onder feit 1 omdat bewijs ontbreekt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van zowel feit 1 als 2 bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap dan wel opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de hennep en hasj.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de hierna te bespreken partiële vrijspraak, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoudens het hierna te bespreken verweer aangaande de wetenschap van verdachte, - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] .
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
  • het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 april 2026, pagina 5 en 7;
  • het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 april 2025, pagina 9.
Partiële vrijspraak verkopen, afleveren en verstrekken
Op basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de hasj en hennep heeft verkocht, afgeleverd en/of verstrekt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.
Wetenschap
Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de dozen die achterin de bus zaten gevuld waren met softdrugs. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Zij overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft, naast hetgeen hierboven is weergeven, verklaard dat toen hem werd gevraagd om te rijden, hij wel wist dat het om iets kon gaan wat niet mocht. Hij heeft hier vervolgens geen vragen over gesteld. Dat verdachte wel op de hoogte was van de illegale inhoud van de dozen leidt de rechtbank ook af uit zijn gedrag vlak voor de staandehouding. Verdachte volgde in eerste instantie het volgteken dat hij van de verbalisanten kreeg maar stuurde halverwege de uitvoegstrook zijn bestelbus weer terug de snelweg op. Door dit gedrag lijkt het er sterk op dat verdachte zich probeerde te onttrekken aan de controle van de verbalisanten. Van belang acht de rechtbank verder dat verdachte een relatief hoge vergoeding, te weten € 500, zou ontvangen voor deze rit. Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand ruim 175 kilogram hennep en 4 kilogram hasj, wat een zeer hoge straatwaarde vertegenwoordigt, in een bestelauto zou laden zonder dat de chauffeur van die lading op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar een te groot risico op het verliezen van de drugs opleveren. Een dergelijk risico zal men in het criminele circuit niet snel nemen.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van softdrugs in zijn bestelauto. De verdachte heeft aldus opzet gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid softdrugs.
Eendaadse samenloop
Feit 1 en feit 2 zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de rechtbank de feiten als één enkele daad zal beschouwen en daarom als eendaadse samenloop zal beoordelen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 2
hij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:
feit 1
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod; en
feit 2
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van ongeveer 180 kilogram softdrugs. Dit is een uitzonderlijk grote hoeveelheid die een hoge financiële waarde vertegenwoordigd. Het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Daar komt bij dat hasj en hennep stoffen betreffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van personen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze risico’s en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsfeiten. Wel is verdachte meermaals veroordeeld voor vermogens- en geweldsfeiten. Tijdens het plegen van onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 mei 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking komt met justitie. De reclassering signaleert problematiek op alle leefgebieden. Voorafgaand aan zijn detentie leidde verdachte een zwerversbestaan, ervoer hij depressieve klachten en was er sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens verdachte heeft hij ten tijde van onderhavige feiten de consequenties van zijn handelen niet ingezien en was er wegens gebrek aan werk en inkomen sprake van een financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte en dat hij daarnaast meewerkt aan de volgende bijzondere voorwaarden:
- meldplicht;
- ambulante behandeling;
- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- aflossing schulden; en
- beheersing middelengebruik.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs. Als uitgangspunt hiervoor geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. De rechtbank hoopt dat het voorwaardelijke strafdeel verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals die hieronder zijn geformuleerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is en zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen persoonlijke belangen van verdachte die op dit moment tot schorsing van de voorlopige hechtenis moeten leiden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af.
6.4
De in beslag genomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu er geen indicaties zijn gevonden dat deze telefoon is gebruikt bij de strafbare feiten.
De raadsman heeft verzocht dat de telefoon wordt teruggeven aan verdachte.
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.De vordering tenuitvoerlegging 13.057968.24

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, ten uitvoer wordt gelegd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair de rechtbank verzocht om terughoudendheid te betrachten en haar beslissing zo vorm te geven dat deze aansluit bij het reclasseringstraject.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht .

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van,
feit 1
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod; en
feit 2
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte werkt mee aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek/ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de
teruggavevan de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aan verdachte;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren;
de voorlopige hechtenis
- wijst het verzoek tot opheffing af;
- wijst het verzoek tot schorsing af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
Buiten staat
Mr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026170007. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.