ECLI:NL:RBOVE:2026:3744

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
AK_26_1763
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijzondere bijstand hulphond wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle om de verstrekking van bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond voort te zetten, waarbij jaarlijks handmatig gegevens over inkomen en vermogen moeten worden aangeleverd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker stelt dat de jaarlijkse handmatige controle vanwege zijn medische en psychische gesteldheid zeer belastend is en kan leiden tot ernstige psychische ontregeling. Hij verwijst naar medische brieven ter onderbouwing.

De rechter stelt vast dat de hulphond onmisbaar is en dat de bijzondere bijstand doorloopt. Het college vraagt slechts eenmaal per jaar om financiële gegevens, en dit zal pas begin 2027 plaatsvinden. Er is geen acute noodsituatie die onmiddellijke ingreep vereist. Het beroep zal naar verwachting nog dit jaar worden behandeld, zodat verzoeker de uitkomst kan afwachten.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1763

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (hierna te noemen: [verzoeker]),

gemachtigde: mr. E. Schriemer,
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] tegen het besluit van het college om de verstrekking van bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond voort te zetten. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft met het besluit van 5 maart 2026 de verstrekking van bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond gecontinueerd. [verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [verzoeker] heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat zijn bezwaar zich uitsluitend richt tegen de mededeling in het besluit dat hij jaarlijks en handmatig gegevens over zijn inkomen en vermogen moet inleveren. In het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [verzoeker] heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie van de voorzieningenrechter is dat er in dit geval geen spoedeisend belang aanwezig is.
2.1.
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.2.
[verzoeker] heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang aangevoerd – samengevat weergegeven – dat hij vanwege zijn medische en psychische gesteldheid niet in staat is om jaarlijks handmatig gegevens over zijn inkomen en vermogen naar het college te sturen. De manier waarop het college controleert, is voor [verzoeker] zeer belastend. Volgens [verzoeker] kan het college de gegevens die ze nodig hebben uit Suwinet halen. De structurele onzekerheid en de administratieve dwang die [verzoeker] wordt opgelegd, leiden tot ernstige psychische ontregeling met een reëel risico op decompensatie en suïcidaliteit. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst [verzoeker] naar een brief van zijn behandelaar van 12 maart 2026 en van 9 juni 2017. Daaruit volgt dat dat de jaarlijkse, handmatige controle van de draagkracht van [verzoeker] voor hem een ernstige bedreiging vormt. Het zal enige tijd duren voordat het beroep behandeld zal worden. Al die tijd moet [verzoeker] in onzekerheid blijven over de vraag of hij opnieuw een controle moet ondergaan. Ook dat zal leiden tot psychische ontregeling.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen spoedeisend belang besloten ligt. Vaststaat dat de hulphond voor [verzoeker] onmisbaar is. Dat volgt ook uit de brief van de psychiater die [verzoeker] aanhaalt. [verzoeker] ontvangt daarom doorlopend bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond. Het college heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat hem één keer per jaar gevraagd wordt of zijn financiële situatie nog hetzelfde is. Zodoende hoeft hij voor de (meer)kosten van een hulphond niet steeds opnieuw bijzondere bijstand aan te vragen. Uit de besluitvorming van het college volgt dat [verzoeker] eerst begin 2027 gevraagd zal worden om gegevens over zijn inkomen en vermogen over te leggen. Uit de informatie van de psychiater blijkt niet dat dit in het geheel niet van [verzoeker] gevraagd kan worden. Daarom is niet gebleken dat op dit moment sprake is van een acute noodsituatie die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. Ook anderszins is niet gebleken van een voor [verzoeker] zo zwaarwegend belang, dat hij de behandeling van het beroep niet zou kunnen afwachten. De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 26/1762, naar verwachting dit jaar nog zal worden behandeld.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.