Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[partij A.1] ,
2.2. [partij A.2] ,
belanghebbende,
Rechtbank Overijssel
Op 22 juni 2026 heeft de rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een zaak over de benoeming van een vereffenaar voor de nalatenschap van een in 1927 geboren erflaatster die is overleden. De erfgenamen, kinderen van de erflaatster, verzochten de rechtbank mr. P.F. Schepel te benoemen tot vereffenaar, nadat hij eerder als executeur was ontslagen. Schepel had enkele fouten gemaakt, zoals het over het hoofd zien van schulden en het te laat aanvragen van uitstel voor erfbelasting, maar was goed ingevoerd in de zaak en had al diverse werkzaamheden verricht.
De tegenpartij, een andere erfgenaam, verzette zich tegen de benoeming van Schepel vanwege vermeende fouten, vooringenomenheid en zijn afwezigheid in de zomerperiode. Ook een belanghebbende sprak haar gebrek aan vertrouwen uit. De rechtbank oordeelde echter dat de fouten niet van dien aard waren dat aan de kwaliteit van Schepels werkzaamheden getwijfeld moest worden. Er was geen sprake van verstrengeling of wantrouwen die benoeming in de weg stond.
De rechtbank vond dat het benoemen van Schepel, een advocaat, de voorkeur had boven een notaris vanwege mogelijke toekomstige procedures en de reeds gemaakte voortgang. Het verzoek tot benoeming van Schepel tot vereffenaar werd toegewezen en het tegenverzoek van de andere erfgenaam werd afgewezen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten werden verdeeld, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Mr. P.F. Schepel wordt benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap, het tegenverzoek wordt afgewezen.