ECLI:NL:RBOVE:2026:3780

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
12278792 \ CV EXPL 26-1964
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:232 BWArt. 7:271 BWArt. 7:272 BWArt. 7:273 BWArt. 7:274 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurder moet worden toegelaten tot woning ondanks geschil over huurovereenkomst

De zaak betreft een geschil over een huurovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] waarbij [partij A] sinds 31 mei 2026 geen toegang meer heeft tot de woning die zij huurt sinds 1 december 2025. [partij A] vordert dat zij weer toegang krijgt en dat [partij B] haar partner [naam 1] uit de woning verwijdert. [partij B] verzet zich hiertegen en vordert in reconventie dat [partij A] een aansprakelijkheidsbrief aan haar verzekeraar doorstuurt.

De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd omdat de wettelijke opzegtermijnen en vormvereisten niet zijn nageleefd. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de overeenkomst onder dwaling tot stand is gekomen. De stelling dat de huurovereenkomst van korte duur zou zijn, wordt verworpen omdat dit alleen geldt bij objectief korte gebruiksperioden.

De kantonrechter oordeelt dat [partij A] een spoedeisend belang heeft bij de vordering tot toegang en dat de kans van slagen in de bodemprocedure voldoende is. Daarom wordt [partij A] toegelaten tot de woning en wordt [partij B] veroordeeld om haar toegang te verschaffen, met een dwangsom bij niet-naleving. De vordering tot verwijdering van [naam 1] wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat zij zonder recht of titel verblijft. De tegenvordering van [partij B] wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

De proceskosten worden grotendeels aan [partij B] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt toegelaten tot de woning en de verhuurder wordt veroordeeld tot het verschaffen van toegang, terwijl de overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12278792 \ CV EXPL 26-1964
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. G.K. Fraterman,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
[partij A] huurt sinds 1 december 2025 een woning van [partij B]. Zij heeft sinds 31 mei 2026 geen toegang meer tot de woning.
1.2.
[partij A] wil toegang tot de woning en dat [partij B] wordt veroordeeld zijn partner [naam 1] (hierna: [naam 1]) uit de woning te (doen) verwijderen/ontruimen. De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] toegelaten moet worden tot de woning. [naam 1] mag in de woning blijven, aangezien in dit kort geding niet is komen vast te staan dat zij daar zonder recht of titel verblijft.
1.3.
In reconventie wil [partij B] dat wordt geoordeeld dat [partij A] een brief met daarin een aansprakelijkheidsstelling aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar moet doorsturen. Deze vordering wordt afgewezen, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 juni 2026 met producties 1 tot en met 8
- het herstelexploot van 19 juni 2026
- de conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 9.
2.2.
Op 24 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren partijen aanwezig. [partij A] werd bijgestaan door mrs. G.K. Fraterman en A. Hoekman. Zowel mr. Fraterman als de heer [partij B] heeft spreekaantekeningen overgelegd.
2.3.
Vervolgens is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[partij B] is, samen met mevrouw [naam 2], eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde).
3.2.
Van 1 april tot en met 13 november 2025 was [partij B] gedetineerd.
3.3.
[partij A] heeft (als productie 2) een “huurovereenkomst woonruimte bepaalde tijd” overgelegd. Hierin staat onder meer:
“De Verhuurder en Huurder willen een tijdelijke huurovereenkomst volgens artikel 7:274 lid 2 BW Pro aangaan, met een Diplomatenclausule.
(…)
Artikel 3- Duur overeenkomst
1. De huurovereenkomst gaat in op 01 december 2025 en eindigt op 31 mei 2026.
2. De Verhuurder en Huurder verklaren en stellen vast dat de Verhuurder zelf de vorige bewoner van het gehuurde is en na afloop van de termijn in lid 1 zelf het gehuurde wil gaan bewonen.
(...)
Artikel 18- Opzegging van de huurovereenkomst
1. De Verhuurder en Huurder kunnen de overeenkomst opzeggen, waarbij de wettelijke opzegtermijnen van toepassing zijn.
(…)
3. De opzegtermijn voor de Verhuurder is minimaal 3 maanden, (…). Bij opzegging op basis van lid 1 moet de Verhuurder beschikken over een van de opzeggingsgronden in artikel 7:274 lid 1 BW Pro.
(…)
5. Opzegging dient te geschieden bij aangetekende brief of per deurwaardersexploot.”
3.4.
[partij A] woonde met haar twee kinderen in het gehuurde. In het gehuurde woonde (en woont) ook [naam 3], een neef van [naam 1].
3.5.
[naam 1] was van 1 april 2025 tot en met 7 april 2026 gedetineerd. Sindsdien verblijft zij in het gehuurde.
3.6.
Sinds 31 mei 2026 heeft [partij A] geen toegang meer tot het gehuurde.
3.7.
Per brief van 31 mei 2026 heeft [partij B] een lijst aan [partij A] gestuurd met beschadigde en ontbrekende spullen in het gehuurde, waarbij [partij B] [partij A] aansprakelijk heeft gesteld en haar heeft verzocht de brief door te sturen naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar.

4.Het geschil

4.1.
[partij A] vordert, samengevat, dat [partij B] wordt veroordeeld tot (c.q. verboden wordt om, voor zover het gaat om de vordering onder c):
het (blijven) verschaffen van toegang tot het gehuurde,
het verschaffen van het exclusieve gebruik(srecht) van het gehuurde en het doen verwijderen/ontruimen van in het gehuurde aanwezige personen,
haar opnieuw de toegang/bewoning van het gehuurde onmogelijk te maken of op andere wijze feitelijk tot ontruiming over te gaan,
het gestaakt houden van iedere nadere buitengerechtelijke poging de huurovereenkomst met haar te beëindigen en/of haar uit huis te zetten en/of te houden,
dit alles telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van
[partij B] in de proceskosten.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] haar eis gewijzigd, in die zin dat zij wil dat [partij B] wordt veroordeeld alleen [naam 1] – en niet meer (ook) de neef van [naam 1] – uit de woning te doen verwijderen/ontruimen.
[partij A] stelt dat zij op grond van de huurovereenkomst recht heeft op toegang tot en gebruik van het gehuurde, waarbij zij niet hoeft te dulden dat [naam 1] nog langer in het gehuurde verblijft.
4.3.
[partij B] voert verweer. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd, zal, voor zover nodig, in het navolgende worden ingegaan.
4.4.
In reconventie vordert [partij B] dat [partij A] wordt geboden de brief van 31 mei 2026 aan haar aansprakelijkheidsverzekering te sturen, op straffe van een dwangsom, en [partij A] te veroordelen in de proceskosten.
4.5.
[partij B] voert daartoe aan dat een wandpaneel van de douchecabine kapot is gegaan tijdens door de vriend van [partij A] uitgevoerde (herstel)werkzaamheden. [partij A] zou de kwestie melden bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar, maar heeft dit niet gedaan.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom beoordelen of [partij A] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
5.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [partij A], inhoudende dat zij sinds 31 mei 2026 geen toegang meer heeft tot het gehuurde.
Dwaling
5.3.
Volgens [partij B] had hij de huurovereenkomst met [partij A] niet gesloten als hij had geweten a) wat de oorzaak was van de ruzie tussen haar en de volwassen dochter van [naam 4] (de zus van [naam 1], kantonrechter), namelijk het bagatelliseren van door [partij A] dochter gepleegde seksuele handelingen bij de andere dochter van [naam 4] en b) dat [partij A] zich al op het adres van het gehuurde heeft ingeschreven op 10 november 2025, toen zij nog bij [naam 4] woonde.
5.4.
[partij B] heeft (als productie 2) zijn verklaring omtrent de gang van zaken overgelegd. In deze verklaring staat onder meer:
(...)
Ergens in september of oktober 2025 heeft mevrouw [naam 4] mij telefonisch gevraagd of een vriendin van haar([partij A], kantonrechter)
, (...), de woning misschien zou mogen huren om daar met haar twee kinderen te wonen. Omdat ik al die maanden zonder enige inkomsten zat terwijl mijn kosten door liepen, (...), vond ik dat het overwegen waard. (...)
Op basis van die afspraak heb ik toen een handgeschreven huurcontract opgesteld en een verklaring gemaakt waarin ik mevrouw [partij A] toestemming gaf om zich op ons adres in te schrijven bij de gemeente, uitgaande van ondertekening van de huurovereenkomst. Ik heb dit vervolgens aan mevrouw [naam 4] gezonden. Later vertelde ze mij telefonisch dat mevrouw [partij A] vooralsnog toch afzag van het huren van de woning.
(...)
Op een gegeven moment ben ik gebeld door [naam 4] . Mevrouw [partij A] had ruzie gehad met de volwassen dochter van [naam 4] en had met spoed een verblijfplaats ergens anders nodig en wilde alsnog onze woning huren. Omdat ik enerzijds bereid was om te helpen en [naam 4] eerder had gezegd dat mevrouw [partij A] te vertrouwen zou zijn, en ik anderzijds financieel in de klem zat mijn doorlopende kosten en nog maar heel weinig inkomsten had, was ik daartoe bereid.
(...)
5.5.
Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten is vernietigbaar (onder andere) indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten (artikel 6:228 lid 1 sub a BW Pro) of de wederpartij in verband met wat zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten (artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro).
5.6.
De kantonrechter acht het voorshands onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de huurovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Het door [partij B] gestelde seksueel misbruik is immers, als door [partij A] betwist, niet komen vast te staan. Daarbij komt nog dat [partij B] niet heeft gesteld waarom het door [naam 4] niet meedelen van de (beweerde) toedracht van de ruzie moet worden toegerekend aan [partij A].
Hoewel niet in geschil is dat [partij A] zich vóór de ingangsdatum van de huurovereenkomst heeft ingeschreven op het adres van het gehuurde is niet gesteld dat [partij A] bij het aangaan van de huurovereenkomst had moeten begrijpen dat [partij B], had hij daarvan geweten, had afgezien van het sluiten van de huurovereenkomst.
Huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur?
5.7.
De kantonrechter stelt voorop dat een huurovereenkomst voor woonruimte voor bepaalde tijd ingevolge artikel 7:271 lid 1 BW Pro niet eindigt door het enkel verloop van de bepaalde tijd, maar dient te worden opgezegd. Op grond van artikel 7:271 lid 4 BW Pro moet de opzegging op straffe van nietigheid de gronden vermelden die tot de opzegging hebben geleid. De opzegging dient op grond van artikel 7:271 lid 3 BW Pro te geschieden bij exploot of bij aangetekende brief. Dit laatste vormvereiste is ook in artikel 18 van Pro de huurovereenkomst opgenomen.
5.8.
Volgens [partij B] was sprake van een huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur als bedoeld in artikel 7:232 lid 2 BW Pro, zodat de opzeggingsbepalingen niet van toepassing zijn. [partij A] heeft dit betwist.
5.9.
De stelling van [partij B] dat beide partijen de intentie hadden de woning voor een korte periode (zonder huurbescherming) te verhuren gaat niet op. Artikel 7:232 lid 2 BW Pro moet restrictief worden uitgelegd en is alleen bedoeld voor situaties waarin voor iedereen direct duidelijk is dat een beroep op huurbescherming niet mogelijk zou moeten zijn (zoals bij het gebruik van een vakantiehuis of een wisselwoning). Het artikel is door de wetgever (dus) niet bedoeld voor gevallen waarbij het gebruik alleen op grond van de subjectieve bedoelingen van partijen voor korte duur zal zijn. De tijdelijke aard van het gebruik moet tevens te bepalen zijn op basis van een meer objectieve maatstaf (vgl. Kamerstukken II 1997/98, 26089, nr. 3 p. 38 en Kamerstukken II 2000/01, 26089, nr. 19, p. 14), dan alleen de intentie van partijen.
Beëindiging met wederzijds goedvinden?
5.10.
[partij B] heeft verder aangevoerd dat [partij A] de woning vrijwillig heeft verlaten, de huur over de maand juni niet heeft betaald en het contract voor de levering van energie heeft beëindigd. Deze omstandigheden maken volgens [partij B], zo begrijpt de kantonrechter, dat de huurovereenkomst geldt als beëindigd met wederzijds goedvinden.
5.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan van een “vrijwillig” vertrek niet worden gesproken, nu [partij A] (uiteindelijk) uit de woning is vertrokken nadat haar door de (door [naam 1] ingeschakelde) politieagenten de toegang was ontzegd. Bovendien heeft zij nadien bij herhaling gevraagd haar toegang te verlenen, aldus [partij B] zelf in zijn als productie 2 overgelegde verklaring. Dat zij de huur voor juni niet heeft betaald en het contract voor de levering van energie heeft beëindigd, rechtvaardigt [partij A] met een beroep op opschorting en kan dus evenmin leiden tot de conclusie dat de huurovereenkomst als geëindigd moet worden beschouwd.
Toelating tot het gehuurde
5.12.
Behoudens in het geval de huurder schriftelijk met de beëindiging van de huurovereenkomst heeft ingestemd, blijft op grond van artikel 7:272 lid 1 BW Pro een opgezegde huurovereenkomst na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van rechtswege van kracht tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op de vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst. Dit betekent dat de verhuurder in een bodemprocedure bij de rechter de beëindiging van de huurovereenkomst heeft te vorderen en dat de rechter het tijdstip van de beëindiging van de huurovereenkomst vaststelt. Indien de rechter de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst toewijst, stelt de rechter op grond van artikel 7:273 lid 3 BW Pro tevens het tijdstip van ontruiming vast.
5.13.
Zelfs als sprake zou zijn van een rechtsgeldige opzegging – hetgeen in casu, naar niet in geschil is, niet het geval is – kan de huurovereenkomst niet zijn geëindigd ten gevolge van deze opzegging, nu [partij A] daarmee niet (schriftelijk) heeft ingestemd. Voor zover [partij B] heeft willen betogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om hem tegen te werpen dat hij a) niet rechtsgeldig heeft opgezegd en b) [partij A] niet heeft ingestemd met de opzegging, faalt dit betoog. Dat het voortdurende verblijf van [partij A] in het gehuurde om diverse redenen leidt tot spanningen, moge zo zijn, mag is onvoldoende voor toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW Pro, welk artikel terughoudend en bij uitzondering moet worden toegepast.
5.14.
Dit betekent dat de vordering onder a) wordt toegewezen, waarbij de dwangsom zal worden gematigd als na te volgen. De vorderingen onder c) en d) liggen al in de vordering onder a) besloten en worden daarom niet toegewezen.
Verblijf [naam 1]
5.15.
Volgens [partij A] heeft [partij B] haar begin april 2026 gevraagd of zij ermee kon instemmen dat [naam 1] gedurende een korte periode (één à twee weken) bij haar in het gehuurde bleef, waarmee zij heeft ingestemd. Nu deze periode is verstreken, verblijft [naam 1] zonder recht of titel in de woning. Zij kan dan ook van [partij B] verlangen dat hij het nodige in het werk stelt om [naam 1] uit het gehuurde te krijgen, aldus [partij A].
5.16.
In [partij B] verklaring (productie 2) staat onder meer:
(...)
Mevrouw [partij A] wist echter reeds eind februari 2026 dat er een goede kans was dat mevrouw [naam 1] weer op korte termijn in de woning zou komen te wonen en zij heeft daar uitdrukkelijk mee ingestemd. Er is geen sprake van dat dit slechts voor beperkte tijd zou zijn; de nadrukkelijk met haar besproken optie van elektronisch toezicht (als voorwaarde voor invrijheidstelling, kantonrechter) impliceert dat iemand in beginsel langere tijd op één en hetzelfde adres verblijft. Zij heeft haar instemming met zoveel woorden bevestigd aan de medewerkers van de reclassering. (...)
5.17.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan zonder bewijslevering, waarvoor in deze procedure (in beginsel) geen plaats is, niet worden vastgesteld of met betrekking tot de ten aanzien van [naam 1]’ verblijf gesloten overeenkomst sprake is van de door [partij A] gestelde korte duur. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat [naam 1] thans zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering onder b) wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
5.18.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] betalen. Omdat [partij A] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [partij B] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.102,00
In reconventie
Doorsturen brief aan aansprakelijkheidsverzekeraar
5.19.
Niet in geschil is dat [partij A] heeft toegezegd “de kwestie met betrekking tot het wandpaneel van de douchecabine” voor te leggen aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar, welke toezegging zij tijdens de mondelinge behandeling heeft herhaald. Waarom spoedeisend belang bij [partij B] vordering ter zake zou bestaan, is echter gesteld noch gebleken. De vordering wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
5.20.
Aangezien de vordering wordt afgewezen, wordt [partij B] in de proceskosten van [partij A] veroordeeld, te begroten op nihil.

6.De beslissing

De kantonrechter
i
n conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] [partij A] onmiddellijk en onvoorwaardelijk toegang te geven c.q. te verschaffen en te blijven verschaffen tot het gehuurde, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel indien [partij B] in gebreke blijft met de naleving van dit gebod met een maximum van € 50.000,00,
6.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van [partij A], tot op heden begroot op € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.5.
wijst de vordering van [partij B] af,
6.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. J.B. de Groot op 3 juli 2026. (JK)