Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.
Rechtbank Overijssel
TinQ Nederland B.V. vordert een schadevergoeding van [gedaagde] B.V. wegens vermeende onrechtmatige beëindiging van de huurovereenkomst voor een onbemand tankstation. De huurovereenkomst was aangegaan in 2009 voor vijf jaar met een optie tot verlenging. TinQ stelt dat de overeenkomst in 2019 stilzwijgend is verlengd, terwijl [gedaagde] meent dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
De kantonrechter stelt vast dat TinQ door haar gedragingen en het uitblijven van protest op diverse brieven en mededelingen van [gedaagde] stilzwijgend heeft ingestemd met de beëindiging. Vanaf 2016 is TinQ op de hoogte gebracht van de voorgenomen bestemmingswijziging en verkoop van het perceel, zonder dat zij hiertegen tijdig bezwaar maakte. Ook na 2019 heeft [gedaagde] TinQ meerdere malen geïnformeerd over de voortgang en gevolgen, waarop TinQ niet adequaat heeft gereageerd.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2026 is het gehuurde geen gebouwde onroerende zaak, waardoor huurbescherming niet van toepassing is en de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:228 BW Pro. De kantonrechter concludeert dat de huurovereenkomst niet onrechtmatig is beëindigd en wijst de vorderingen van TinQ af. TinQ wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst is niet onrechtmatig beëindigd en de vorderingen van TinQ worden afgewezen.