ECLI:NL:RBOVE:2026:3809

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/08/338475 / HA ZA 25-310
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:253 BWArt. 4:94 BWArt. 7:177 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering overwaarde woning uit echtscheidingsconvenant bij nalatenschapsafwikkeling

Eisers, broer en zus, vorderen betaling van de overwaarde van de woning van hun overleden vader op grond van een bepaling in het echtscheidingsconvenant tussen hun ouders uit 2008. Zij stellen dat zij recht hebben op de helft van het positieve saldo van de woning na overlijden van hun vader. De vader had echter in een testament uit 2011 en een aanvullend testament uit 2025 anders over de nalatenschap beschikt, waarbij de partner van de vader als enig erfgenaam en executeur is benoemd en de kinderen pas aanspraak kunnen maken op een deel van de overwaarde bij verkoop of overlijden van de partner.

De rechtbank oordeelt dat de bepaling in het convenant, ook als derdenbeding, geen rechten aan eisers verschaft omdat het een schenking betreft die niet notarieel is vastgelegd en daardoor vervalt bij overlijden van de schenker. Het testament van de vader prevaleert en regelt de erfrechtelijke afwikkeling. De vordering van eisers is daarom niet toewijsbaar. De authenticiteit van een door gedaagde overgelegd document met handtekeningen van eisers wordt betwist, maar de rechtbank ziet geen aanleiding tot nadere bewijslevering omdat de vordering reeds faalt op juridische gronden.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vordering wordt afgewezen en het vonnis is uitgesproken door rechter D.N.R. Wegerif op 1 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eisers af omdat het testament van de erflater prevaleert en de schenking uit het convenant niet rechtsgeldig is.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/338475 / HA ZA 25-310
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van

1.[eiseres],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers of [eisers],
advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,
tegen
[gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam,
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. D.P.M. Buysrogge.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 september 2025 met producties 1 t/m 6,
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 25 maart 2026 met producties 7 t/m 9 van [eisers],
- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. Buysrogge.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar de zaak over gaat

2.1
Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van eisers. Gedaagde was de partner van erflater en is executeur en erfgenaam in die nalatenschap. Volgens eisers heeft hun vader destijds in het echtscheidingsconvenant met hun moeder een vorderingsrecht ten behoeve van hen opgenomen. Eisers stellen dat zij op grond van het echtscheidingsconvenant recht hebben op de overwaarde van de woning van hun vader/erflater op het moment dat hun vader zou overlijden. Eisers spreken nu de executeur van de nalatenschap aan. Zij willen vaststelling van de overwaarde van de woning en betaling van het bedrag daarvan.
2.2
De rechtbank wijst de vordering af en legt in dit vonnis uit waar die beslissing op gebaseerd is.

3.De feiten

3.1
Eisers zijn broer en zus van elkaar. Hun vader, [erflater] (hierna te noemen erflater), is op [overlijdensdatum] 2025 overleden.
3.2
Erflater woonde op het moment van overlijden samen met [gedaagde], met wie hij een affectieve relatie had. [gedaagde] heeft zelf vier kinderen.
3.3
Erflater is eerder gehuwd geweest met de moeder van eisers, mevrouw [naam 1], en dit huwelijk is in 2008 geëindigd door echtscheiding. In het echtscheidingsconvenant zijn afspraken opgenomen over de verdeling van de echtelijke woning. Daarbij is onder 2.3 van het convenant bepaald:
“De man bepaalt hierbij dat hij, bij zijn overlijden, zal zorgdragen voor een positief saldo voortvloeiende uit de woning in zijn eigendom. Hiermee wordt bedoeld dat, na aftrek van de hypotheekkosten en andere kosten aangaande de woning, een positief saldo zal overblijven. Dit saldo komt bij helfte toe aan de twee kinderen van partijen. Voor de financiële afwikkeling hiervan zal de oudste dochter, [naam 2] (…), als aanspreekpunt gelden”.
3.4
Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament is opgemaakt op 2 december 2011. Daarin is [gedaagde] benoemd tot enig erfgename en tot executeur. In het testament is een tweetrapsmaking opgenomen ten behoeve van de kinderen van erflater en de kinderen van [gedaagde]. Onder het kopje “Duur van de tweetrapsmaking” zijn acht situaties beschreven waarin het recht van de bezwaarde eindigt.
3.5
Op 17 maart 2025 heeft erflater een aanvulling op zijn testament vastgelegd in een aanvullend testament. Daarin is, onder verwijzing naar bepaling 2.3 uit het hiervoor genoemde echtscheidingsconvenant, opgenomen:
“(…) Middels voormeld testament en deze aanvulling wil ik mijn partner zo verzorgd mogelijk achter laten. Tegelijkertijd wil ik uitvoering geven aan voorgaande bepaling in voormeld convenant. (…)”
En verder:
“(…) Om toe te komen aan de betreffende bepaling in voormeld convenant vul ik middels dit aanvullend testament de bepalingen opgenomen onder het kopje “Duur van de tweetrapsmaking” aan, zodat mijn twee (2) kinderen bij de verkoop van mijn woning door mijn partneriederrecht hebben op één/derde (1/3) deel van de netto-verkoopopbrengst. Mijn partner heeft recht op het restant van de netto-verkoopopbrengst nu wij al meer dan achttien (18) jaar samenwonen en mijn partner heeft bijgedragen aan de lasten, onderhoudskosten en dergelijke met betrekking tot mijn woning. De ontbindende voorwaarden blijven van kracht. Indien een van de ontbindende voorwaarden in mijn voormelde testament zich voordoet, voordat er sprake is van de ontbindende voorwaarde hierna onder II genoemd inzake de verkoop van de woning, verkrijgen mijn kinderen en de kinderen van mijn partner, hetgeen mijn partner, zijnde de bezwaarde 1, uit mijn nalatenschap aan haar nagelatene bij haar overlijden onverteerd heeft nagelaten, ieder voor het één/zesde (1/6) gedeelte en zal de verdeling van de netto-verkoopopbrengst niet plaatsvinden conform onderstaande. (…)”
3.6
De toenmalige gemachtigde van [eisers] heeft op 7 mei 2025 een brief gestuurd aan [gedaagde]. Daarin wordt namens [eisers] - naast een verzoek om een boedelbeschrijving - aanspraak gemaakt op betaling aan [eisers] van een vordering uit de nalatenschap van erflater bestaande uit de overwaarde van de woning. In de brief beroepen zij zich op artikel 2.3 uit het echtscheidingsconvenant uit 2008. Zij vragen in de brief aan [gedaagde] om voor 23 mei 2025 per post of per mail te bevestigen dat zij aan het betalingsverzoek zal voldoen.
3.7
De advocaat van [gedaagde] heeft op 16 juni 2025 per e-mail gereageerd en heeft in dat bericht samengevat meegedeeld dat [gedaagde] de vordering van [eisers] niet zal voldoen.

4.Het geschil

4.1
[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • zal bepalen dat de woning aan de [adres] getaxeerd moet worden door een onafhankelijke taxateur,
  • zal vaststellen dat de vordering van eisers bedraagt het verschil van de getaxeerde waarde van de woning minus de hypotheekschuld,
  • [gedaagde] zal veroordelen om deze vordering te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 mei 2025.
4.2
[eisers] stellen dat zij een vordering hebben op de nalatenschap van hun vader die voortvloeit uit het echtscheidingsconvenant dat destijds in 2008 tussen hun ouders is overeengekomen. Het gaat om artikel 2.3 van dat convenant (zoals hiervoor weergegeven onder 3.3.) en de vordering betreft de toedeling aan hen van de overwaarde van de woning van erflater. Volgens [eisers] is in bedoelde bepaling van het convenant een vorderingsrecht onder opschortende voorwaarde opgenomen ten behoeve van hen. Die opschortende voorwaarde betreft het overlijden van hun vader en die voorwaarde is op [overlijdensdatum] 2025 in vervulling gegaan. Volgens [eisers] heeft erflater het vorderingsrecht uit het convenant niet eenzijdig kunnen wijzigen in zijn testament.
4.3
[gedaagde] voert verweer. Zij wil dat de vordering van [eisers] wordt afgewezen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.4
[gedaagde] voert aan dat – hoewel bedoelde bepaling in het echtscheidingsconvenant is opgenomen – op basis van die bepaling geen vordering van [eisers] op de nalatenschap is ontstaan. Volgens [gedaagde] moet bij de afwikkeling van de nalatenschap het testament van erflater worden gevolgd en daarin is iets anders bepaald. Zij voert daarbij aan dat erflater bij leven met zijn kinderen heeft gesproken over de overwaarde van de woning en dat hij de inhoud van dat gesprek in een schriftelijk stuk heeft vastgelegd. Een afschrift van dat stuk heeft zij overgelegd. Het stuk heeft als datumvermelding “december 2024” en is volgens [gedaagde] ondertekend door erflater en door zijn beide kinderen.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Juridische beoordeling
5.1
[eisers] stellen dat zij pas na het overlijden van hun vader kennis hebben genomen van het convenant en het testament met tweetrapsmaking. Zij hebben zich daardoor overvallen gevoeld omdat enerzijds een bedrag aan hen is toegekend in het convenant en anderzijds de tweetrapsmaking tot gevolg heeft dat zij nu nog geen erfgenaam zijn. In deze procedure vorderen zij impliciet nakoming van het derdenbeding in het convenant van [gedaagde] als executeur. Concreet willen zij vaststelling van de overwaarde van de woning uit de nalatenschap en betaling van het bedrag daarvan aan hen beiden. Om de vordering te kunnen beoordelen moet worden vastgesteld wat de juridische waarde is van het derdenbeding ten opzichte van het convenant en ten opzichte van het testament (uiterste wil) van erflater. Dat is een juridische beoordeling.
5.2
[eisers] hebben een beroep gedaan op het beding in het convenant als een derdenbeding (artikel 6:253 BW Pro). Zij stellen dat erflater niet mocht afwijken van dit beding in zijn testament en aanvullende testament. De rechtbank volgt [eisers] hierin niet en motiveert dat oordeel als volgt.
5.3
Ook als [eisers] worden gevolgd in hun standpunt dat de bepaling uit het convenant een derdenbeding is ten behoeve van [eisers], kunnen zij daar ten aanzien van de nalatenschap geen rechten aan ontlenen. De bepaling uit het convenant lijkt weliswaar op een testamentaire beschikking, maar is dat niet. Een testamentaire beschikking (uiterste wil) moet immers worden vastgelegd in een notariële akte [1] en de bepaling uit het convenant voldoet daar niet aan. De bepaling in het convenant moet gelet op de stellingen van partijen worden begrepen als een schenking aan [eisers], die pas na het overlijden van de schenker (hun vader) zou worden uitgevoerd. In het convenant is namelijk bepaald dat eisers bij het overlijden van erflater ieder recht hebben op de helft van het positieve saldo van de woning. Hiermee is sprake van een beding om niet met de strekking om pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd. Dit volgt ook uit de stellingen van [eisers]. Zij stellen dat ze op grond van het echtscheidingsconvenant een vordering onder opschortende voorwaarde op hun vader hebben gekregen. De opschortende voorwaarde is volgens [eisers] komen te vervallen met het overlijden van hun vader. Dat het derdenbeding volgens [eisers] samenhing met het feit dat hun moeder te weinig heeft gekregen in de onderlinge verdeling bij de echtscheiding, is niet genoeg voor een ander oordeel. Als sprake is van een derdenbeding, komt dat beding in de verhouding tussen erflater en [eisers] namelijk feitelijk neer op een schenking die pas na het overlijden van de schenker (hun vader) zou worden uitgevoerd. [eisers] hebben geen feiten gesteld die tot een andere uitleg van het beding leiden. Een dergelijke schenking vervalt [2] bij het overlijden van de schenker als van de schenking geen notariële akte is opgemaakt. In dit geval is van de schenking geen notariële akte opgemaakt. Aangenomen moet dan ook worden dat de gestelde schenking is komen te vervallen. Het beroep van [eisers] op de bepaling in het convenant als derdenbeding (artikel 6:253 BW Pro) gaat ten aanzien van de nalatenschap dus niet op.
5.4
Erflater heeft bovendien over zijn nalatenschap beschikt in zijn testament zoals dat is opgemaakt in 2011 en is aangevuld op 17 maart 2025. Erflater is daarbij ook expliciet ingegaan op het convenant en de manier waarop hij de gevolgen daarvan erfrechtelijk wilde regelen (r.o. 3.5. hiervoor). Dit stond erflater vrij, nu de gestelde schenking niet notarieel is vastgelegd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van hetgeen in het testament en de aanvulling is vastgelegd.
5.5
In het testament en de daarbij behorende aanvulling is bepaald dat [eisers] pas aanspraak kunnen maken op een deel van de overwaarde van de woning, namelijk een derde of een zesde deel daarvan, als [gedaagde] bij leven de woning gaat verkopen of als [gedaagde] overlijdt. Geen van die situaties doen zich nu voor, zodat [eisers] op dit moment niets kunnen vorderen van [gedaagde]. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat de vordering van [eisers] niet toewijsbaar is.
De handtekeningen onder het stuk uit december 2024
5.6
Zoals hiervoor onder 4.2 genoemd, heeft [gedaagde] een stuk overgelegd ter onderbouwing van haar verweer dat [eisers] bekend waren met de wens van hun vader ten aanzien van zijn woning. [eisers] betwisten de authenticiteit van dit document en voeren aan dat zij dit document niet hebben ondertekend. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een rapport overgelegd van een deskundige die de handtekeningen onder het document heeft onderzocht. [gedaagde] heeft vervolgens weersproken dat de handtekeningen vervalst zijn. Volgens [gedaagde] blijkt dit niet uit het rapport.
5.7
Om te kunnen vaststellen of de handtekeningen zijn vervalst, zou nadere bewijslevering nodig zijn. Aan die bewijslevering komt de rechtbank niet toe nu de vorderingen van [eisers] gelet op het voorgaande vanwege de aard van de schenking niet toewijsbaar zijn. Aan een nadere beoordeling van het verweer van [gedaagde] en het in dat kader overgelegde document komt de rechtbank dan ook niet toe.
Proceskosten
5.8
Gelet op de verhoudingen tussen partijen en de aard van de zaak zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

6.De beslissing

De rechtbank,
6.1
wijst de vordering(en) van [eisers] af,
6.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. (ap)

Voetnoten

1.Zie artikel 4:94 BW Pro (artikel 94 uit Pro Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek)
2.Zie artikel 7:177 lid 1 BW Pro