ECLI:NL:RBOVE:2026:3898

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_1234
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachtenArt. 2.3 Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachtenArt. 3:2 AwbArt. 4:81 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning financiële ondersteuning zorgmedewerker met langdurige post-COVID klachten

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor eenmalige financiële ondersteuning op grond van de Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten, maar deze werd afgewezen omdat zij zich niet ziek had gemeld binnen het vereiste tijdvak. De rechtbank beoordeelt dat eiseres voldoende heeft aangetoond dat haar langdurige klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak van 1 maart tot en met 31 december 2020.

De rechtbank weegt medische verslagen, waaronder het huisartsenjournaal en specialistische rapporten, waarin de klachten worden toegeschreven aan een vermoedelijke besmetting. Hoewel de minister stelt dat deze verklaringen onvoldoende objectief bewijs vormen, oordeelt de rechtbank dat het hier gaat om een vermoedelijke besmetting en dat de verklaringen voldoende zijn om aan de voorwaarden van de regeling te voldoen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat eiseres in aanmerking komt voor de financiële tegemoetkoming van € 24.010,-. Tevens wordt het griffierecht aan eiseres vergoed. De uitspraak bevestigt dat de regeling terughoudend wordt getoetst en dat consistentie in beleidsuitvoering centraal staat.

Uitkomst: Eiseres krijgt financiële ondersteuning van € 24.010,- wegens langdurige post-COVID klachten als gevolg van vermoedelijke besmetting in het tijdvak.

Uitspraak

nRECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1234

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats]

(gemachtigde: T. Bossink),
en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. R. Kroes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] om eenmalige financiële ondersteuning op grond van de Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten (de Regeling). [eiseres] is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe aan dat zij door de haar overgelegde medische verslagen kan aantonen dat haar langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak en dat zij daarmee voldoet aan de voorwaarden van de Regeling.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiseres] afdoende heeft aangetoond dat haar langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak. Zij voldoet daarmee aan de voorwaarden uit de Regeling. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is daarmee gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eiseres] heeft op 10 augustus 2024 een aanvraag ingediend om eenmalige financiële ondersteuning op grond van de Regeling. Op verzoek van de minister heeft zij aanvullende informatie overgelegd op 23 september 2024, 24 september 2024, 10 oktober 2024 en 24 oktober 2024.
4. Bij besluit van 15 november 2024 heeft de minister haar aanvraag afgewezen.
5. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
6. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
8. De Regeling is in werking getreden op 1 september 2023 en is bedoeld als tegemoetkoming aan de groep zorgmedewerkers die in de eerste periode van de COVID-pandemie als gevolg van hun werkzaamheden besmet zijn geraakt met het coronavirus en sindsdien te kampen hebben met langdurige post-COVID klachten waardoor zij hun eigen werk als zorgmedewerker niet meer (volledig) kunnen uitoefenen. [1]
9. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Regeling, komt een zorgmedewerker in aanmerking voor een eenmalige financiële tegemoetkoming, indien deze:
  • in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 (verder: het tijdvak) in het kader van een dienstverband werkzaam is geweest voor een zorgaanbieder (sub a);
  • veelvuldig en intensief zorg heeft verleend aan patiënten met COVID-19 of daarbij nauw betrokken zijn geweest (sub b);
  • in het tijdvak van de pandemie heeft gemeld wegens ziekte niet te werken (sub c);
  • langdurige post-COVID klachten heeft die vóór 1 juni 2023 zijn geconstateerd door een arts (sub d) en
  • als gevolg van de klachten die hebben geleid tot de ziekmelding in het tijdvak ten minste 104 weken ziek is met langdurige post-COVID klachten en na deze 104 weken ofwel volledig en duurzaam, dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, ofwel in staat is met arbeid ten hoogste 100% te verdienen van het maatmaninkomen per uur als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van langdurige post-COVID klachten (sub e).
10. Op 15 juni 2024 is naar aanleiding van een aangenomen motie de gewijzigde regeling in werking getreden. Deze wijziging van de Regeling ziet op het opnieuw openstellen van de aanvraagperiode in 2024, de verhoging van het bedrag van de financiële ondersteuning naar € 24.010,- en het uitbreiden van de periode waardoor ook zorgmedewerkers die tussen 1 juli 2020 en 31 december 2020 ziek zijn gemeld op het werk, in aanmerking komen. Ook maakt de wijziging mogelijk dat een groep zorgmedewerkers die ziek is geworden als gevolg van COVID-19 in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020, maar waarvan de eerste ziektedag zoals vermeld in de WIA-beslissing na dit tijdvak ligt, aanspraak kan maken op de eenmalige financiële ondersteuning. Daarbij is het van belang dat de zorgmedewerker kan onderbouwen dat de langdurige post-COVID klachten te relateren zijn aan een (vermoedelijke) COVID-19 besmetting in de periode van 1 maart tot 2020 tot en met 31 december 2020 (artikel 2.3, tiende lid, van de Regeling). [2]

Het beroep

11. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte haar aanvraag voor de financiële ondersteuning op grond van de Regeling heeft afgewezen. Hoewel zij zich pas op 1 juni 2021 ziek heeft gemeld, voldoet zij alsnog aan de voorwaarden van de Regeling omdat zij heeft aangetoond dat haar langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-besmetting in het tijdvak van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een verslag van de bedrijfsarts van 12 januari 2022, een verslag van de specialist Sportgeneeskunde van 26 juli 2021 en het huisartsenjournaal van 23 maart 2021 tot en met 29 april 2025 overgelegd.
12. De minister stelt zich op het standpunt dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat [eiseres] niet voldoet aan de voorwaarden van de Regeling. Zij heeft zich niet ziekgemeld in het tijdvak en de door haar overgelegde medische verslagen zijn onvoldoende om aan te tonen dat haar langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-besmetting in het tijdvak. De medische verslagen dateren namelijk allemaal van na het tijdvak en bevatten voornamelijk eigen verklaringen van [eiseres] die zouden wijzen op een COVID-besmetting. Eigen verklaringen zijn geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken. In de verslagen ontbreekt een door de zorgverlener op basis van eigen waarneming, lichamelijk onderzoek of meting vastgestelde conclusie dat de klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-besmetting in het tijdvak.
De beoordeling
13. De rechtbank overweegt dat de Regeling is gebaseerd op artikel 4:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Uit de toelichting op de Regeling volgt dat de Regeling moet worden gezien als een buitenwettelijke begunstigende beleidsregel. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wordt dergelijk buitenwettelijk begunstigend beleid terughoudend getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van het beleid als gegeven worden aanvaard en dat de toetsing door de rechter zich beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan, in dit geval de minister, het beleid consistent heeft toegepast. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of de minister de Regeling consistent heeft toegepast en terecht heeft bepaald dat [eiseres] niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming omdat zij niet aan alle voorwaarden van de Regeling voldoet.
14. De rechtbank constateert dat niet in geschil is tussen de minister en [eiseres] dat zij zich niet heeft ziekgemeld in het tijdvak en daarmee niet voldoet aan de voorwaarde uit artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Regeling. Evenmin is in geschil dat zij wel voldoet aan de overige voorwaarden in artikel 2.1, eerste lid, van de Regeling. De vraag die voorligt is daarom of zij op grond van artikel 2.3, tiende lid, van de Regeling alsnog aanspraak kan maken op de eenmalige financiële ondersteuning. Hiervoor is nodig dat zij kan onderbouwen dat haar langdurige post-COVID klachten te relateren zijn aan een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak.
15. De rechtbank volgt de minister niet in haar standpunt dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken niet objectief verifieerbaar blijkt dat de langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak. Zij overweegt hiertoe als volgt.
16. [eiseres] heeft het huisartsenjournaal overgelegd vanaf 23 maart 2021. Uit deze aantekeningen van de huisarts blijkt dat zij zich op 28 april 2021 bij de huisarts heeft gemeld met klachten die zijn te relateren aan een mogelijke COVID-besmetting, zoals extreme vermoeidheid, een loopneus en rillerigheid. Op basis van haar klachten heeft een labonderzoek plaatsgevonden. Deze resultaten zijn zonder duidelijke oorzaak van de klachten teruggekomen. Op 19 mei 2021 is zij opnieuw bij de huisarts geweest om de resultaten te bespreken en de huisarts heeft naar aanleiding van haar verklaring aangetekend dat zij vanaf maart 2020 op haar werk onbeschermd contact heeft gehad met coronapatiënten en dat er sprake is van een mogelijk post-covid-beeld. Ook is aangetekend: ‘
Tot sept mee behebt geweest (zweterig, moe, loopneus)’. Deze verklaring heeft zij op 21 juli 2021 herhaald bij de specialist Sportgeneeskunde.
17. Uit deze verklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] haar langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke besmetting van COVID-19 in het tijdvak. Zij heeft immers geen enkele aanleiding gehad om in 2021 onjuist te verklaren over de klachten die zij in 2020 en 2021 heeft gehad en die in duidelijke mate zijn te relateren aan een vermoedelijke COVID-besmetting. De Regeling is pas in 2023 in werking getreden. Verklaringen bij artsen, zoals de huisarts, in 2021 kunnen daarmee op geen enkele wijze berekenend zijn gedaan. Het standpunt van de minister dat er geen waarde kan worden gehecht aan eigen verklaringen omdat deze niet objectief verifieerbaar zouden zijn, volgt de rechtbank daarom niet. Het enkele feit dat de huisarts op basis van de eigen verklaring van [eiseres] (de anamnese) niet op basis van eigen waarneming zou hebben genoteerd dat er sprake zou zijn van een vermoedelijke besmetting van COVID-19 in het tijdvak, betekent niet dat haar eigen verklaring volledig onbruikbaar zou zijn. Het gaat volgens artikel 2.3, tiende lid, van de Regeling immers om een vermoedelijke besmetting. Niet om een objectief verifieerbaar vastgestelde besmetting.
Dat de klachten van [eiseres] door artsen zijn geduid als post-COVID klachten en in verband zijn gebracht met onbeschermd contact met coronapatiënten op haar werk, is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden voldoende om te spreken van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak.
18. Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank afdoende aangetoond dat haar langdurige post-COVID klachten het gevolg zijn van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak. Zij voldoet daarmee aan de voorwaarden uit de Regeling.
19. Het beroep slaagt.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Dit betekent dat [eiseres] gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank zal het besluit van 15 november 2024 herroepen en bepalen dat [eiseres] in aanmerking komt voor de eenmalige financiële tegemoetkoming van € 24.010,- op grond van de Regeling.
21. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan [eiseres] vergoeden. [eiseres] heeft geen proceskosten gemaakt die in aanmerking komen voor vergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 17 maart 2025;
  • herroept het besluit van 15 november 2024;
  • bepaalt dat [eiseres] in aanmerking komt voor financiële ondersteuning als bedoeld in de Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten ten bedrage van € 24.010,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Staatscourant 2023 nr. 24739, p. 9 en 10.
2.Staatscourant 2024 nr. 19554, p. 7 en 8.