ECLI:NL:RBOVE:2026:3919

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/2219
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 97 Reglement rijbewijzenParagraaf 8.2.2 Regeling eisen geschiktheid 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR verklaart rijongeschiktheid wegens gebrek aan ziekte-inzicht bij schizofreniespectrumstoornis

Eiser is door het CBR rijongeschikt verklaard omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 8.2.2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000, die eisen stelt aan ziekte-inzicht en geringe negatieve symptomen bij schizofreniespectrumstoornissen.

Het CBR baseerde zijn besluit op een psychiatrisch rapport van een onafhankelijke psychiater, waarin werd geconcludeerd dat eiser een gebrek aan ziektebesef en -inzicht heeft en negatieve symptomen vertoont. Eiser betwist deze conclusies niet inhoudelijk, maar stelt dat hij stabiel is en dat negatieve symptomen samenhangen met het niet kunnen rijden.

De rechtbank oordeelt dat het CBR terecht van het psychiatrisch rapport is uitgegaan, omdat het rapport inhoudelijk consistent en voldoende concludent is. De rechtbank wijst het beroep af omdat eiser niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden uit de Regeling en omdat er geen ruimte is voor belangenafwegingen of uitzonderingen.

Het beroep is daarmee ongegrond verklaard en het besluit van het CBR blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verklaring van rijongeschiktheid door het CBR is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2219

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. S.M. Carabain-Klomp),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om [eiser] rijongeschikt te verklaren. [eiser] is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat het CBR ten onrechte stelt dat er sprake is van een gebrek aan ziektebesef en -inzicht. Ook stelt het CBR ten onrechte dat er geen sprake is van geringe negatieve gevolgen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR van het rapport van de onafhankelijke arts heeft mogen uitgaan en dat het CBR [eiser] daarom terecht rijongeschikt heeft verklaard. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Het rijbewijs van [eiser] is ingetrokken. [eiser] heeft bij het CBR een gezondheidsverklaring ingediend. Daarmee verzoekt [eiser] het CBR om te beoordelen of hij volgens de regels geestelijk en lichamelijk in staat is om te rijden.
4. Op 3 januari 2025 heeft het CBR aan [eiser] laten weten meer informatie nodig te hebben voor de beoordeling. [eiser] moet een keuringsrapport laten opmaken door een onafhankelijke arts (psychiater).
5. [eiser] heeft zich laten keuren door een onafhankelijke psychiater. Bij advies van 14 maart 2025 heeft de arts een rapportage uitgebracht. In deze rapportage concludeert de arts dat bij [eiser] sprake is van een schizofreniespectrumstoornis met een gebrek aan ziektebesef en -inzicht en een verhoogd risico op recidive van psychotische symptomen bij het aflopen van de zorgmachtiging. De arts adviseert om [eiser] niet rijgeschikt te verklaren totdat [eiser] voldoende ziekte-inzicht vertoont en sprake is van vrijwillige therapietrouw en een verbetering van de negatieve symptomen.
6. Bij besluit van 10 april 2025 heeft het CBR [eiser] rijongeschikt verklaard.
7. Met het bestreden besluit van 7 juli 2025 op het bezwaar van [eiser] is het CBR bij dat besluit gebleven.
8. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
10. Op grond van artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (het Reglement) worden verklaringen van geschiktheid door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.
11. In artikel 2 van Pro de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Regeling) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij de Regeling behorende bijlage.
12. Paragraaf 8.2.2. van de bijlage van de Regeling, getiteld “Schizofreniespectrumstoornissen (schizofrenie, schizoaffectieve stoornis, schizofreniforme stoornis)” bepaalt dat personen met een schizofreniespectrumstoornis die succesvol worden behandeld op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar. Om hiervoor in aanmerking te komen moet een persoon tenminste zes maanden recidiefvrij zijn, een zekere mate van ziekte-inzicht hebben en geringe ‘negatieve symptomen’ vertonen.
Het beroep
13. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het CBR ten onrechte heeft geconcludeerd dat er bij hem sprake is van schizofrenie met een gebrek aan ziektebesef en -inzicht. Hij erkent dat hij verward is geweest en is zich bewust van zijn problematiek, maar gebruikt hier andere bewoordingen voor. Hij is al twee jaren stabiel in zijn geestelijke gezondheid. Verder is het onterecht dat het CBR hem negatieve symptomen tegenwerpt, nu deze grotendeels juist samenhangen met het niet hebben van een rijbewijs. Doordat hij niet kan rijden wordt hij belemmerd in zijn dagelijkse activiteiten en is hij minder zelfredzaam. Ter zitting is namens [eiser] nog aangevoerd dat, mocht er al sprake zijn van een gebrek aan ziekte-inzicht, dit wordt ondervangen doordat ten aanzien van hem een zorgmachtiging geldt waarbinnen hij gedwongen medicatiedepots ondergaat, waardoor er voldoende waarborgen zijn en hij zijn rijbewijs alsnog terug moet krijgen.
De beoordeling
14. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) er slechts aanleiding bestaat om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. [1]
15. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Het rapport van de psychiater is tot stand gekomen naar aanleiding van eigen verklaringen van [eiser] zelf en observaties van de psychiater. [eiser] betwist de door hem gedane uitlatingen bij de psychiater, die in het rapport zijn opgenomen, ook niet. Op basis van deze verklaringen heeft de psychiater geconcludeerd dat er bij [eiser] een gebrek aan ziektebesef en -inzicht bestaat. Zo heeft [eiser] verklaard alleen een periode bezorgd te zijn geweest na het overlijden van zijn vader in 2019 en ziet hij de noodzaak van zijn behandeling niet in. [eiser] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de conclusie uit het psychiatrisch rapport dat hij een gebrek aan ziekte-inzicht heeft niet zou kloppen. Het CBR heeft daarom van de juistheid van de rapportage mogen uitgaan.
16. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de negatieve symptomen. De rechtbank stelt vast dat [eiser] in beroep de aanwezigheid van de negatieve symptomen niet betwist, maar hij voert aan dat deze het gevolg zijn van het niet hebben van een rijbewijs en dat deze zullen afnemen als hij daar wel over komt te beschikken. Wat er ook zij van deze stellingen, deze doen niets af aan de vaststelling dat in de huidige situatie, waarvan moet worden uitgegaan, sprake is van (niet-geringe) negatieve symptomen. De oorzaak van de negatieve symptomen is gelet op de Regeling niet relevant. Ook de inschatting dat de symptomen in de toekomst zullen afnemen mag bezien vanuit het belang van verkeersveiligheid geen rol spelen.
17. Nu [eiser] aan twee van de cumulatieve voorwaarden uit paragraaf 8.2.2. van de bijlage bij de Regeling niet voldoet volgens het rapport van de psychiater en het CBR van de juistheid van deze rapportage heeft mogen uitgaan, heeft het CBR [eiser] terecht rijongeschikt verklaard.
18. Het betoog van [eiser] dat zijn eventuele gebrek aan ziekte-inzicht wordt ondervangen door een zorgmachtiging en het in dat kader verplicht ondergaan van medicatiedepots en dat hij daarom toch rijgeschikt moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. Paragraaf 8.2.2 van de bijlage bij de Regeling bevat een vaste set voorwaarden en biedt geen ruimte voor een belangenafweging of uitzonderingen. Zoals hiervoor overwogen voldoet [eiser] niet aan die set voorwaarden en daarom kon het CBR hem rijongeschikt verklaren.
19. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR [eiser] terecht rijongeschikt heeft verklaard. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2027, ECLI:NL:RVS:2017:1570.