ECLI:NL:RBOVE:2026:3931

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/08/335222 / HA ZA 25-208
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 lid 1 BWArt. 3:111 BWArt. 6:119 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering poer en poort op perceel eisers wegens ontbreken verjaring

Eisers en gedaagde zijn buren. Op het perceel van eisers staat een poer met poort die door de rechtsvoorganger van gedaagde is geplaatst. Gedaagde stelt eigenaar te zijn geworden van de grond door bevrijdende verjaring, maar eisers betwisten dit vanwege verleende toestemming in 1995.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft aangetoond dat zij bezit heeft gehad van de grond, mede omdat eisers altijd gebruik bleven maken van hun strook grond en toestemming is gegeven voor het gebruik door de rechtsvoorganger. Gedaagde was zich bewust van de erfgrens bij aankoop van de woning.

De vordering tot verwijdering van de poer en poort wordt toegewezen met een termijn van een maand na betekening. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van een dwangsom, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot verwijdering van de poer en poort en betaling van kosten wegens ontbreken van verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/335222 / HA ZA 25-208
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.H.M. Spanjaard.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juni 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026, waarbij partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. De advocaat van [eisers] heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Verder heeft de rechter tijdens de mondelinge behandeling een foto gemaakt van een document dat de gedaagde partij op haar telefoon heeft getoond. Deze foto is toegevoegd aan het procesdossier.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1
[eisers] en [gedaagde] zijn buren van elkaar. Op de grond van [eisers] staat een poer met poort van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde]. [eisers] willen dat [gedaagde] de poer met poort verwijdert.
2.2
[gedaagde] is het daar niet mee eens. Zij stelt dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het stuk grond waar haar poer met poort op staan.
2.3
[eisers] betwisten dat sprake is van verjaring, omdat zij destijds toestemming aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] hebben gegeven. Die toestemming staat een bezitsdaad in de weg, aldus [eisers]
2.4
De rechtbank gaat niet mee in het verweer van [gedaagde] en wijst de vorderingen van [eisers] toe. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot het verwijderen (en verwijderd houden) van de poer met poort, op straffe van een dwangsom. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De feiten

3.1
[eisers] zijn sinds 15 december 1985 eigenaren van het perceel aan de [adres 1]. Dat is de woning aan de rechterkant, gezien vanaf de straatkant. Aan de linkerkant, de [adres 2], woonde de heer [naam] (hierna: [naam]). [naam] is de rechtsvoorganger van [gedaagde].
3.2
In 1995 heeft [naam] tussen beide woningen een poort met een poer in de grond van [eisers] geplaatst.
3.3
[gedaagde] heeft in 2003 de woning aan de [adres 2] van [naam] gekocht. Onderdeel van de stukken die [gedaagde] van de makelaar heeft gekregen is een afbeelding van de kadasterkaart waarop de erfgrens duidelijk is te zien:
[Afbeelding]
3.4
Op 13 februari 2025 heeft het kadaster op verzoek van [gedaagde] de erfgrens tussen beide percelen opgemeten. Op de foto’s die met productie 3 bij de dagvaarding zijn ingebracht is de erfgrens zichtbaar gemaakt met een blauwgroene lijn.
3.5
Vervolgens heeft [gedaagde] op 21 februari 2025 aan [eisers] gevraagd om de buitenunit van de airco aan de zijgevel van hun woning voor 1 mei 2025 te verplaatsen, omdat die volgens [gedaagde] over haar perceel heen zou hangen.
3.6
[eisers] hebben op 31 maart 2025 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij bereid zijn om de airco unit te verplaatsen, maar hebben haar op hun beurt verzocht of zij de poer en een gedeelte van de poort wilde verwijderen (of verplaatsen) omdat die volgens [eisers] op hun perceel staan.
3.7
Op 1 juni 2025 hebben [eisers] de airco unit verplaatst naar de voorzijde van hun woning. [gedaagde] heeft de poer en de poort niet verwijderd of verplaatst.

4.Het geschil

4.1
[eisers] vorderen – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de poer en poort die op het perceel van Grootte Bromhaar staan te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00 en proceskosten met wettelijke rente.
4.2
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Welke grond
5.1
[gedaagde] doet een beroep op verjaring maar heeft in de eerste plaats niet duidelijk kunnen maken welke grond zij precies in bezit zou hebben gekregen. [eisers] hebben onbetwist gesteld dat zij altijd gebruik maakten en zijn blijven maken van hun strook grond langs hun huis, gelegen aan de voorkant van de schuttingdeur/poort. [gedaagde] heeft erkend dat ze geen gebruik maakt of heeft gemaakt van de strook grond van [eisers] achter de schuttingdeur/poort, zodat op dat deel in ieder geval geen sprake zou kunnen zijn geweest van bezitsdaden.
Verjaring
5.2
[gedaagde] stelt dat zij de grond door bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) heeft verkregen. Dat is een bevrijdend verweer. De stelplicht en bewijslast daarvan liggen overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij [gedaagde]. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat de grond al meer dan twintig jaar in gebruik is bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde], en dat zij de grond al twintig jaar onafgebroken in bezit heeft: [naam] als haar rechtsvoorganger sinds 1995 en [gedaagde] sinds 2003. [gedaagde] stelt dat zij daardoor eigenaar is geworden van de grond.
5.3
Volgens [eisers] staat artikel 3:111 BW Pro aan de verkrijgende verjaring in de weg, aangezien in verband met de toestemming in 1995 door het gebruik van de grond geen sprake kan zijn van bezit bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde]. Ook is geen sprake van andere bezitsdaden.
Al dan geen toestemming
5.4
[eisers] hebben gemotiveerd gesteld dat zij medio 1995 aan [naam], de rechtsvoorganger van [gedaagde], toestemming hebben gegeven voor het gebruik van het deel van hun grond, waarop [naam] de poer en poort heeft geplaatst. Daarop heeft [naam], toen hij zijn bestrating verving, ook de grond van [eisers] bestraat. Daar is het ‘gebruik’ van de grond begonnen.
5.5
[gedaagde] heeft deze gang van zaken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord weliswaar gesteld dat [eisers] deze toestemming in 2025 hebben ingetrokken, maar motiveert niet dat daarmee de toestemming destijds – in 1995 – niet is verleend. Dat lag wel op haar weg, omdat – zonder nadere toelichting – niet begrijpelijk is waarom [eisers] in 1995, wetende dat het hun grond was, deze aan [naam] zouden prijsgeven, zonder dat daar enige aanleiding toe was. De rechtbank concludeert dan ook dat het gebruik door [naam] van de grond gefundeerd is op de toestemming van [eisers]
5.6
Toen [gedaagde] in 2003 de woning kocht van [naam], heeft zij op de – bij de mondelinge behandeling getoonde – kadasterkaart kunnen zien dat de erfgrens tussen de twee woningen (nummers [adres 2] en [adres 1]) in loopt, en de grond/oprit niet in zijn geheel haar eigendom zou worden. Zij had (destijds) kunnen weten wat zij kocht van [naam]. [gedaagde] heeft de grond dan ook niet voor zichzelf in bezit gehad maar in het verlengde van het gebruik door [naam], de grond slechts gebruikt. Gelet hierop heeft [gedaagde] het gebruik van de grond dan ook niet als bezitsdaad kunnen aanmerken.
5.7
Verder zegt [gedaagde] in haar brief van 21 februari 2025 aan [eisers] het volgende: “
Door deze metingen is vastgesteld dat de buitenunit die aan de zijgevel van uw woning is geplaatst, over de erfgrens van mijn perceel hangt.”. Daaruit leidt de rechtbank af dat [gedaagde] zich ervan bewust was dat een deel van de grond tussen de huizen in van [eisers] was.
5.8
Dat de poort meestal afgesloten is en [eisers] niet over een sleutel van de poort beschikken, maakt dit niet anders. Zoals hiervoor is besproken hebben [eisers] namelijk onbetwist gesteld dat zij de strook grond kunnen bereiken via zowel de voor- als achterkant van de poort, via hun eigen grond. Voor het gebruik van de grond is de poort dus niet nodig.
5.9
Op grond van voorgaande concludeert de rechtbank dat geen sprake is van bezit door (de rechtsvoorganger van) [gedaagde], zodat het bevrijdende verweer (de bevrijdende verjaring) van [gedaagde] niet slaagt. Het verweer van [gedaagde] dat zij door amotie onevenredig wordt benadeeld heeft zij onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daar ook aan voorbij gaat. Daarvoor is namelijk een bepaalde verhouding nodig, maar [gedaagde] heeft niets gesteld over de (omvang van de) eventuele schade zodat het voor de rechtbank niet inzichtelijk is in welke mate de amotie onevenredig zou zijn.
Conclusie
5.1
De vordering van [eisers] tot verwijdering (en verwijderd houden) van de poer en poort kan worden toegewezen. De rechtbank houdt daarbij rekening met een termijn van een maand na betekening van het vonnis, om [gedaagde] de gelegenheid te geven (eventueel) een aannemer te zoeken.
5.11
De gevorderde dwangsom is niet betwist en zal worden toegewezen als in de beslissing te melden.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.12
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 925,-. De hoofdvordering (verwijdering van de poer en poort) valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
5.13
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] voldoende gesteld en onderbouwd hebben dat zij buitengerechtelijke incassokosten hebben gemaakt. Bovendien zijn de gestelde kosten in redelijkheid gemaakt, omdat de rechtbank de hoofdvordering toewijst. De advocaat van [eisers] heeft meerdere brieven gestuurd waarin ook inhoudelijke standpunten zijn gewisseld. Er is geen hoofdsom waarbij aansluiting gezocht kan worden. Daarom zal worden uitgegaan van de hoogte van tariefgroep II van het liquidatietarief en wel van de gemiddelde waarde daarvan (€ 15.000,00). Dat levert een redelijke vergoeding op van € 925,-. Dit bedrag komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
5.14
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,08
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.018,08
5.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van het vonnis al hetgeen op of boven het perceel van [eisers] is aangebracht (poer, poort) te verwijderen en verwijderd te houden,
6.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
6.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
6.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.018,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.