ECLI:NL:RBOVE:2026:3937

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/08/338700 / ES RK 25-5907
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 1:99 lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met voorlopige zorgregeling en verdeling huwelijksgemeenschap

De rechtbank Overijssel heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd sinds 2015 en ouders van twee minderjarige kinderen. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en stelde een voorlopige zorgregeling vast waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag tot zondagavond bij de moeder verblijven, met een opbouw naar een langere verblijfsperiode.

De rechtbank hield de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling aan in afwachting van een hulpverleningstraject via Pactum, gericht op het verbeteren van de communicatie en samenwerking tussen de ouders. De man werd verplicht voorlopige kinderalimentatie te betalen van €141 per kind per maand, vooruit te betalen vóór de eerste van de maand. Het verzoek tot partneralimentatie werd afgewezen wegens gebrek aan draagkracht bij de man.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap werd vastgesteld: de woning en perceel tuingrond werden aan de man toegedeeld met een verrekening van de overwaarde aan de vrouw. De inboedel werd aan de man toegekend tegen een waarde van €3.560, met een vergoeding aan de vrouw. De Volvo werd aan de man toegekend tegen €400, met een vergoeding aan de vrouw. Bankrekeningen en schulden werden verdeeld conform de gemaakte afspraken. De rechtbank wees verzoeken tot verkoop van de woning en partneralimentatie af en legde nadruk op het belang van het hulpverleningstraject voor de zorgregeling.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, partneralimentatie afgewezen, en verdeling huwelijksgemeenschap geregeld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
Zaaknummer: C/08/338700 / ES RK 25-5907 (de echtscheiding)
C/08/ 342209 ES RK 25-7860 (de verdeling)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 3 juli 2026
inzake
[de man] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man of de vader,
advocaat: mr. M.H. Hartman (voorheen: mr. M.A. Baeten)
e n
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vrouw of de moeder,
advocaat mr. W.F. van Oostveen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de man met als bijlagen productie 1 tot en met 17, binnengekomen op 18 september 2025;
het exploot van betekening van 29 september 2025, binnengekomen op 1 oktober 2025;
de op 18 november 2025 binnengekomen brief, met als bijlage productie 18, van mr. Baeten;
het verweerschrift van de vrouw met als bijlagen productie 1 tot en met 8, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) binnengekomen op 8 december 2025;
het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, met als bijlagen producties 18 tot en met 36 binnengekomen op 30 januari 2026;
de op 6 februari 2026 binnengekomen brief van mr. Baeten;
de op 23 februari 2026 binnengekomen brief van mr. Baeten;
de op 9 maart 2026 binnengekomen brief van mr. Van Oostveen;
de op 18 maart 2026 binnengekomen brief, met als bijlagen productie 9 tot en met 14, van mr. Van Oostveen;
de op 20 maart binnengekomen brief, met bijlage, van mr. Baeten;
de op 7 mei 2026 binnengekomen brief van mr. Oostveen;
de op 11 mei 2026 binnengekomen brief, met als bijlagen producties 37 tot en met 44, van mr. Baeten;
het stelbericht van mr. Hartman;
de op 18 mei 2026 binnengekomen brief van mr. Oostveen.
1.2.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
19 mei 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat,
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,
W. Jongsma, namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is, met toestemming van de rechtbank, op 26 mei 2026 de brief, met bijlagen, van mr. Van Oostveen binnengekomen.
1.4.
De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan:
  • [naam] , ambulant begeleider namens Hifive voor de moeder,
  • mr. M.A. Baeten, patroon voor mr. Hartman.
1.5.
[minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn op 22 mei 2015 in de gemeente Deventer met elkaar getrouwd.
2.2.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2] .

3.Het (gewijzigd/aanvullend) verzoek

3.1.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen, getrouwd op 22 mei 2015 in Deventer, uit te spreken;
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de man;
een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij de kinderen wekelijks bij de vrouw verblijven van donderdag uit school tot 18:00 uur voor het eten, op zaterdag van 17:00 uur tot 20:00 uur, en op zondag van 10:00 uur
tot 14:00 uur;
4. een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen op € 52,- per maand;
5. De wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] vast te stellen zoals vermeld onder randnummers 32 tot en met 35, waarbij deze woning en het perceel tuingrond aan de man worden toegedeeld voor de getaxeerde waarde van € 375.000,-, onder de verplichting voor de man om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende (hypothecaire) geldleningen, en onder de verplichting om de helft van de overwaarde, te weten € 375.000 -/- € 161.795,27 (stand per 1 januari 2026) -/- persoonlijke lening ING verbouwing ad € 16.478,70 -/- lening Energiebespaarrekening ad € 466,67 -/- aflossingen die per 1-1-2026 -/- € 375 (uit hoofde van door de man voorgeschoten taxatie) tot toedeling op deze schulden plaatsvinden, aan de vrouw te voldoen;
6. De verdeling van de overige huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen:
  • de inboedelgoederen die nog aanwezig zijn in de echtelijke woning toe te delen aan de man voor een waarde van € 3.560,- en de inboedelgoederen in het bezit van de vrouw aan haar toe te delen tegen een waarde van € 500,-, onder de verplichting aan de man om de helft van het verschil, te weten € 1.530,- aan de vrouw te voldoen;
  • de personenauto van het merk Volvo toe te delen aan de man tegen een waarde van € 400,- en de personenauto van het merk Opel toe te delen aan de vrouw tegen een waarde van € 3.350,-, onder de verplichting aan de vrouw om de helft van het verschil, te weten € 1.375,- aan de man te voldoen;
  • de saldi van de bankrekeningen genoemd in randnummer 50 van het verzoekschrift, toe te delen aan de man en de saldi van de bankrekeningen van de vrouw zoals genoemd in het formulier verrekenen en verdelen van de vrouw toe te delen aan de vrouw, en partijen te verplichten tot verrekening van de helft van het verschil van deze saldi over te gaan, derhalve met de verplichting om de saldi per peildatum, te weten 18 september 2025, bij helfte te delen.

4.Het verweer en de zelfstandige verzoeken

4.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover uitvoerbaar bij voorraad:
4.2.
Ten aanzien van de verzoeken van de man: alle verzoeken van de man, behalve het verzoek over de echtscheiding, af te wijzen.
4.3.
Bij wege van zelfstandige verzoeken:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man;
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van beide kinderen als volgt vast te stellen:
  • de ene week verblijven de kinderen bij moeder en de andere week verblijven de kinderen bij vader en het wisselmoment is op zondag om 18.00 uur. Tijdens de vakanties en feestdagen wordt de zorg bij helfte in onderling overleg verdeeld en de kinderen zullen op de verjaardagen van de ouders en op Moeder- en Vaderdag bij de ouder verblijven die het betreft;
  • de ouder bij wie de kinderen het laatst waren, de kinderen en de spullen die zij nodig hebben, naar de andere ouder brengt bij het wisselmoment tussen de ouders. Bij een wisselmoment op school of andere plek, worden de kinderen opgehaald door de ouder bij wie ze vanaf dat moment zullen zijn.
3. de man te veroordelen om aan de vrouw telkens voor de 1e van de maand aan
kinderalimentatie voor beide kinderen te betalen van € 198,-- voor [minderjarige 1] en € 381,-- voor [minderjarige 2] , oftewel € 579,-- per maand in totaal;
4. de man te veroordelen om aan de vrouw telkens voor de 1e van de maand een bedrag van € 365,00 bruto aan partneralimentatie te betalen;
5. De wijze van verdeling van huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd vast te stellen overeenkomstig het nader in het geding te brengen formulier “Verdelen en Verrekenen” en overeenkomstig het vermelde in de nummers 56 t/m 62 van dit verweerschrift;
6. Met betrekking tot de woning:
  • de vrouw te machtigen om binnen 24 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking, voor rekening van partijen, opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan de [adres] , aan makelaarskantoor Postma Makelaars gevestigd te Deventer, althans een door de rechtbank aan te wijzen NVM Makelaar te Deventer, waarbij de door deze makelaar te adviseren vraagprijs bindend is alsmede de door deze te adviseren laatprijs;
  • te bepalen dat de man zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning, waaronder in elk geval wordt verstaan de afgifte aan de verkopende makelaar van een set sleutels die toegang geen tot de woning en de bijgebouwen, mee te werken aan bezichtigingen van de woning door de makelaar en/of belangstellende potentiële kopers in de ruimste zin van des woords, en voor het overige mee te werken aan al hetgeen de makelaar nodig en nuttig vindt om tot (spoedige) verkoop van de woning te kunnen komen, althans een nader door de rechtbank omschreven medewerking te verlenen aan de beoogde verkoop van de woning, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke blij;
  • te bepalen dat de in deze te wijzen beschikking in de plaats treedt van alle door de man in het kader van de verkoop te verrichten rechtshandelingen, waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar, het ondertekenen van de (ver)koopovereenkomst en de ondertekening van de notariële leveringsakte bij de overdracht van de eigendom van de woning aan de koper(s).

5.Het verweer op de zelfstandige verzoeken

5.1.
De man verzoekt de rechtbank ten aanzien van de verzoeken van de vrouw om het verzoek over de echtscheiding toe te wijzen en de vrouw in haar verzoeken 2 tot en met 6 niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen.

6.De beoordeling

Ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
6.1.
Het is de ouders nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over de kinderen, zoals wanneer de kinderen bij wie zijn en hoe de ouders elkaar op de hoogte houden over de kinderen. Als de ouders geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat zij zo’n plan hebben gemaakt. De rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van de ouders kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.
6.2.
De rechtbank bepaalt dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk worden behandeld. De ouders gaan het hulpverleningstraject bij Pactum, via de gemeentelijke toegang, voortzetten. Daar bestaat ook de mogelijkheid om tot een ouderschapsplan te komen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet afgewacht moet worden voordat het verzoek tot echtscheiding en de overige verzoeken behandeld kunnen worden. De rechtbank verwacht dat dit ook niet ten goede zal komen van de voortgang van het hulpverleningstraject. De rechtbank zal daarom deze verzoeken nu wel behandelen.
Echtscheiding
6.3.
De rechtbank zal op verzoek van de man de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dit zo is.
Hoofdverblijfplaats & zorgregeling
6.4.
De rechtbank zal de verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aanhouden voor een half jaar, in afwachting van het hulpverleningstraject die de ouders via de gemeente gaan starten/voortzetten. De rechtbank heeft het aanmeldformulier van de ouders aan de gemeente Olst toegestuurd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
6.5.
Het heeft de voorkeur van de rechtbank dat de ouders het hulpverleningstraject bij Pactum via de gemeentelijke toegang kunnen voortzetten, omdat Pactum al sinds oktober/november 2025 is betrokken bij het gezin. De rechtbank zal hierna de situatie samenvatten en daarna aangeven wat van de ouders en Pactum wordt verwacht.
6.6.
Het doel van het hulpverleningstraject is dat:
  • er een goed lopende zorgregeling en goed contact is tussen de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • de ouders goed met elkaar communiceren;
  • de ouders het bestaande patroon dat hun samenwerking belemmert doorbreken;
  • de ouders goed met elkaar overleggen over de opvoeding
  • er wordt door de hulpverlening met de kinderen gesproken om te kijken hoe zij de problemen rond de echtscheiding beleven en om te onderzoeken of hulp nodig is voor de kinderen.
6.7.
Pactum is sinds oktober/november 2025 betrokken bij het gezin om samen met de ouders afspraken te maken over de zorgregeling. Daarnaast ondersteunt Pactum de ouders ook in het verbeteren van de onderlinge communicatie. Onder begeleiding van Pactum hebben de ouders voor nu afgesproken dat de kinderen op donderdag van 14:30 uur tot 18:00 uur bij de moeder zijn en iedere zaterdag van 17:00 uur tot zondag 12:00 uur. Het is de ouders nog niet gelukt om afspraken te maken over een verdere uitbreiding van het contact tussen de moeder en de kinderen en hoe de zorgregeling er op de lange termijn uit moet komen te zien. De ouders blijven hierover van mening verschillen. De moeder vindt dat het contact nu moet worden uitgebreid en dat er toegewerkt moet worden naar een co-ouderschapsregeling. De vader vindt ook dat [minderjarige 2] vaker naar de moeder moet gaan dan nu het geval is, omdat hij merkt dat zij daar behoefte aan heeft. Voor [minderjarige 1] vindt de vader dat lastiger, omdat hij sinds april niet bij de moeder wil overnachten. De vader ziet een co-ouderschapsregeling niet voor zich, omdat hij zich zorgen maakt over de draagkracht van de moeder in verband met haar mentale gezondheid. De moeder heeft op haar beurt ook zorgen over de huidige opvoedsituatie bij de vader. De vader heeft een fulltimebaan en draagt grotendeels de zorg voor de kinderen. Volgens de moeder gaat het daardoor niet altijd goed in de dagelijkse verzorging. Ook verschillen de ouders van mening over het doel van het traject bij Pactum, in die zin of Pactum de ouders gaat begeleiden bij het opstellen van een ouderschapsplan of niet. De ouders geven aan dat het traject bij Pactum stagneert en zij nu niet verder komen. De vader wil graag afspraken maken met de moeder en een ouderschapsplan opstellen. De moeder wil graag een stip op de horizon met betrekking tot de zorgregeling. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bereid zijn om het traject voort te zetten, waarbij de rechtbank input/kaders geeft aan de ouders en Pactum in de hoop dat dit de voortgang van het traject weer in beweging brengt.
6.8.
De rechtbank geeft de ouders en Pactum het volgende mee. De rechtbank is van oordeel dat de huidige zorgregeling tussen de moeder en de kinderen moet worden uitgebreid met als uiteindelijke doel een co-ouderschapsregeling. De rechtbank ziet op dit moment geen redenen waarom dit niet zou kunnen. Het betekent niet dat binnen de komende zes maanden een co-ouderschapsregeling tot stand moet zijn gekomen. De rechtbank ziet ook dat hiervoor nog stappen gezet moeten worden en dat het tempo van de kinderen en de ouders hiervoor bepalend is. De rechtbank zal hierna een opbouwregeling voorstellen waarvan de regie bij Pactum ligt. Dit betekent dat Pactum zelfstandig de frequentie (meer of minder) van de zorgregeling kan aanpassen. Dit is afhankelijk van hoe de kinderen reageren op de uitbreiding en ook wat de ouders aankunnen. De rechtbank merkt daarbij op dat de ouders allebei openheid van zaken moeten geven over hun belastbaarheid. Het is belangrijk dat er wordt gewerkt aan een goede en bestendige regeling voor zowel de kinderen als de ouders. Als het één van de ouders te veel wordt, betekent dit geen diskwalificatie van die ouder. De ouders kunnen dan samen, onder begeleiding van Pactum, naar een oplossing zoeken. Met de hierna voorgestelde regeling kiest de rechtbank op advies van de raad voor zo min mogelijk wisselmomenten. De ouders hebben aangegeven dat dit met name voor [minderjarige 1] vanwege zijn autisme en ADHD belastend is. De rechtbank merkt hierover ook op dat de ouders het voor de kinderen ook makkelijker maken als het hen lukt om emotionele toestemming te geven aan de kinderen om bij de andere ouder te zijn. Het meegeven van een tracker door de vader aan [minderjarige 1] is juist een signaal dat de plek bij de moeder geen goede en veilige plek is. Daarnaast draagt het ook niet bij aan het verbeteren van de samenwerking en het vertrouwen tussen de ouders. Juist voor [minderjarige 1] met zijn problematiek, maar net zo goed voor [minderjarige 2] , zorgt emotionele toestemming voor duidelijkheid, rust en veiligheid. De vader heeft aangegeven dat hij openstaat voor hulp om ervoor te zorgen dat hij [minderjarige 1] op een goede manier kan begeleiden om naar de moeder te gaan.
6.9.
De rechtbank denkt aan de volgende uitbreiding, welke regeling zij zal opnemen als voorlopige zorgregeling:
  • de komende vier weken wordt toegewerkt naar een regeling waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 18:00 uur na het eten bij de moeder verblijven;
  • daarna (binnen een termijn door Pactum te bepalen) een regeling waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder verblijven.
6.10.
De rechtbank merkt ten slotte nog op dat het slagen van het traject valt en staat met de inzet van de ouders. De ouders hebben de kans om via deze weg zelf vorm te geven aan het ouderschap voor de situatie waarin zij niet meer verder gaan als partners, maar wel als ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Dat is belangrijk voor de samenwerking op de langere termijn en geeft ook een goed signaal af richting de kinderen. Het ouderschap is zoveel meer dan alleen het maken van afspraken over de zorgregeling. De rechtbank vindt het daarom niet ondenkbaar dat de ouders alsnog onder begeleiding van Pactum een ouderschapsplan opstellen.
6.11.
Na ontvangst van de eindrapportage zal de rechtbank de advocaten van de ouders in de gelegenheid stellen om hierop schriftelijk te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.
6.12.
Als het hulpverleningstraject niet positief is afgerond verzoekt de rechtbank de raad onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, welk onderzoek de raad ook heeft aangeboden tijdens de mondelinge behandeling. Deze beschikking geldt in dat geval als opdracht aan de raad.
Kinderalimentatie
6.13.
De rechtbank zal beslissen dat de man
voorlopigeen bedrag van € 141,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf vandaag. De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de kinderalimentatie aanhouden en legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
Voorlopige kinderalimentatie
6.14.
De rechtbank stelt een voorlopig bedrag vast, omdat de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling wordt aangehouden. Het is op dit moment nog niet duidelijk bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben en dus wie die kinderbijslag en het kindgebonden budget zal/zullen ontvangen. De zorgregeling is nog in ontwikkeling en daarmee is de zorgkorting ook nog niet definitief te bepalen.
6.15.
Voor de voorlopige kinderalimentatie gaat de rechtbank ervan uit dat de vader de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt, omdat hij op dit moment grotendeels de zorg voor de kinderen draagt en de kinderen daarnaast nog staan ingeschreven op het adres van de vader (de voormalig echtelijke woning).
De ingangsdatum
6.16.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. [1] De man verzoekt de rechtbank om de ingangsdatum te bepalen op de datum van de beschikking. De vrouw heeft dit niet betwist. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man de kinderalimentatie met ingang van vandaag moet betalen.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
6.17.
Tussen partijen is in geschil wanneer zij uit elkaar zijn gegaan en welke tarieven gebruikt moeten worden voor de berekening van de behoefte. De man stelt zich op het standpunt dat partijen op 8 januari 2025 uit elkaar zijn gegaan en dat daarom gerekend moet worden met de jaarinkomens van 2024 en de tarieven van 2024-2. Volgens de vrouw moet ook gerekend worden met de jaarinkomens van 2024, maar moet het tarief van 2025-2 worden gebruikt. Tot die tijd was er volgens haar namelijk sprake van een huwelijk.
6.18.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Hoewel de vrouw in januari 2025 niet meer thuis woonde, had dit te maken met een opname wegens haar psychische gezondheid. De vrouw is vervolgens thuisgekomen en heeft de woning in maart 2025 verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn partijen sindsdien feitelijk uit elkaar. Voor de berekening van de behoefte wordt uitgegaan van het inkomen dat partijen tot die tijd hadden. In dit geval moet worden uitgegaan van de door partijen overgelegde jaarinkomens van 2024. Beide partijen zijn hier ook van uitgegaan in hun behoefteberekening. Omdat gerekend wordt met de jaarinkomens van 2024, moet naar het oordeel van de rechtbank ook aansluiting worden gezocht bij de tarieven van dat jaar. In dit geval dus 2024-2, zoals de man ook heeft toegepast in zijn behoefteberekening. De rechtbank zal daarom, en omdat de behoefteberekeningen van partijen verder niet van elkaar verschillen, uitgaan van de door de man berekende behoefte (productie 30) van € 1.211,- per maand in 2024.
6.19.
Geïndexeerd naar 2026 komt dit neer op een behoefte van € 1.350,- per maand en dus
€ 675,- per kind per maand.
De draagkracht van beide ouders
6.20.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
6.21.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.286,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.22.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man.
6.23.
De man stelt zich op het standpunt dat voor zijn inkomen uitgegaan moet worden van een 36-urige werkweek. De man heeft een contract voor 40 uur, maar in verband met de zorg voor de kinderen is dit volgens hem niet meer haalbaar. Zodra de overname van de woning is geregeld, wil de man zijn contract laten aanpassen naar 36 uur. De vrouw betwist het standpunt van de man. Volgens haar is het onterecht vrijwillig inkomensverlies.
6.24.
De rechtbank zal uitgaan van het huidige inkomen van de man dat is gebaseerd op een werkweek van 40 uur. De rechtbank overweegt hierover dat de man feitelijk nog steeds 40 uur werkt. Daarnaast is de zorgregeling in ontwikkeling en is het de bedoeling dat de vrouw meer zorgtaken op zich zal nemen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om op dit moment uit te gaan van een fictief, lager, inkomen.
6.25.
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf 2025. De man ontvangt maandelijks een vergoeding voor storingsdiensten. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van mei tot en met augustus 2025 blijkt dat de verschillen maandelijks groot zijn. Door uit te gaan van een jaaropgaaf verwacht de rechtbank een realistischer beeld te krijgen van het gemiddelde inkomen van de man. Daarnaast heeft de man geen recente salarisspecificaties overgelegd. Uit de jaaropgaaf 2025 volgt dat de man een jaarinkomen heeft van € 63.526,-. De rechtbank heeft berekend dat dit voor de man € 4.574,- netto per maand is.
6.26.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven (het woonbudget).
6.27.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan moet worden van zijn werkelijke woonlasten, omdat dit aanzienlijk lager is dan het woonbudget. Volgens de vrouw zijn de werkelijke woonlasten van de man
€ 350,- per maand. De man heeft het standpunt van de vrouw betwist. Zijn woonlasten zijn niet duurzaam aanmerkelijk lager dan het woonbudget. Zijn woonlast is op dit moment hoger dan door de vrouw is gesteld en deze zullen stijgen, omdat de man de woning zal overnemen. Daarnaast heeft de vrouw niet voldaan aan haar stelplicht, aldus de man.
6.28.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. Als er sprake is van een draagkrachttekort (de ouders hebben onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien) en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, kan gerekend worden met de werkelijke woonlasten. [2] Hoewel het op de weg van de vrouw had gelegen om in eerste instantie aannemelijk te maken dat er sprake is van een draagkrachttekort, hetgeen niet blijkt uit de door haar overgelegde draagkrachtberekening (productie 4), is de rechtbank van oordeel dat de man het standpunt van de vrouw voldoende heeft betwist. De rechtbank zal in de berekening dus uitgaan van het woonbudget.
6.29.
Het woonbudget voor de man komt hier dus neer op (30% van 4.574 =) € 1.372,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.
6.30.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (4.574 -/- 1.372 -/- 1.365 =) € 1.873,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 1.286,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
6.31.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 50,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.32.
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Omdat de rechtbank bij de man is uitgegaan van de jaaropgaaf 2025, zal de rechtbank bij de vrouw ook uitgaan van de jaaropgaaf 2025. Hier staat een inkomen genoemd van in totaal € 17.975,- per jaar. De rechtbank heeft berekend dat dit € 1.222,- netto per maand is.
6.33.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
6.34.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachttabel’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. Volgens die tabel heeft een persoon met een inkomen van € 1.222,- per maand een draagkracht van € 50,- per maand.
De verdeling van de kosten
6.35.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
6.36.
Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.336,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.350,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 14,- per maand tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man met € 1.286,- per maand moet bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw € 50,-.
Zorgkorting
6.37.
Zoals hiervoor overwogen is het de bedoeling dat de zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen op korte termijn wordt uitgebreid. In eerste instantie zullen de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 18:00 uur na het eten bij de vrouw verblijven. Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 338,- per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de vrouw deze korting volledig mag toepassen. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 7,- per maand. Dit betekent dat er een zorgkorting voor de vrouw overblijft van € 331,- per maand.
6.38.
De zorg die de vrouw in natura voor de kinderen draagt als zij bij haar zijn, wordt uitgedrukt in dit bedrag. Dit bedrag is hoger dan de draagkracht van de vrouw (€ 50,-). De vrouw draagt dus € 281,- (50 -/- 331) te veel bij in de kosten van de kinderen. Dit bedrag bespaart de man en dat moet hij dus aan de vrouw vergoeden.
6.39.
Dit betekent dat de man afgerond € 141,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw als kinderalimentatie.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
6.40.
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De partneralimentatie
6.41.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De huwelijksgerelateerde behoefte
6.42.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte € 2.355,- netto per maand bedraagt. De man heeft het standpunt van de vrouw niet betwist. De rechtbank zal daarom de huwelijksgerelateerde behoefte vaststellen op € 2.355,- netto per maand.
De behoeftigheid
6.43.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat, gelet op de hoogte van haar WIA-uitkering, zij een resterende behoefte heeft van € 1.661,- bruto per maand. De man heeft het standpunt van de vrouw niet betwist. De rechtbank zal daarom de resterende behoefte van de vrouw vaststellen op € 1.661,- per maand.
De draagkracht van de man
6.44.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de man geen draagkracht heeft om bij te dragen in de behoefte van de vrouw. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.
6.45.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de man. Zoals hiervoor is besproken bij de draagkracht voor kinderalimentatie bedraagt dat inkomen € 4.574,- netto per maand. Voor de partneralimentatie telt de rechtbank het kindgebonden budget niet mee, omdat dat budget is bedoeld voor de kinderen. In dat geval heeft de man een inkomen van € 4.073,- per maand.
6.46.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen aan de partneralimentatie.
6.47.
Daarvoor maakt de rechtbank weer gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. De rechtbank zal ook ten aanzien van de partneralimentatie niet afwijken van het woonbudget, zoals hiervoor is overwogen.
Het woonbudget komt in dit geval neer op (30% van 4.073 =) € 1.222,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.
6.48.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (4.073 -/- 1.365 -/- 1.222 =) € 1.486,- over.
6.49.
Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 60% beschikbaar voor partneralimentatie, oftewel € 892,- netto per maand. De rechtbank brengt de kosten die de man voor de kinderen maakt nog in mindering op het bedrag van € 1.286,- per maand. Er blijft dan geen draagkracht over (892 -/- 1.286= -394) voor de man om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.
6.50.
Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen.
De verdeling van de gemeenschap van goederen
6.51.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.
6.52.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op
18 september 2025 ontbonden. [3] Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
6.53.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
woning aan de [adres] ;
hypothecaire geldlening bij BLG Wonen met leningnummer [nummer 1] en
[nummer 2] ;
perceel tuingrond nabij [locatie]
lening ING met leningnummer [nummer 3] ;
lening Nationaal Warmtefonds met leningnummer [nummer 4] ;
inboedel;
Volvo ( [kenteken 1] );
(verkoopopbrengst) Opel ( [kenteken 2] );
(verkoopopbrengst) caravan;
bank- en spaarrekeningen:
a. [rekeningnummer 1] (t.n.v. partijen);
b. [rekeningnummer 2] (t.n.v. de man);
c. [rekeningnummer 3] (t.n.v. de vrouw);
d. [rekeningnummer 4] (t.n.v. de vrouw).
Woning, hypothecaire geldlening, perceel tuingrond en de leningen (posten a /e)
6.54.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de woning. Deze overeenstemming houdt in dat:
- de woning en het perceel tuingrond worden toegedeeld aan de man voor een totale waarde van € 375.000,-;
- de man zal zorgdragen voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothecaire geldlening;
- de overwaarde op het moment van levering wordt als volgt bepaald:
€ 375.000 -/- € 161.795,27 -/- persoonlijke lening ING verbouwing ad € 16.478,70 -/- lening Energiebespaarrekening ad € 466,67 -/- aflossingen die per 1-1-2026 -/- € 375,- de helft van de taxatiekosten tot toedeling op deze schulden plaatsvinden;
- de vrouw ontvangt bij toedeling van de woning aan de man de helft van deze overwaarde;
- de man kiest de notaris uit en draagt daarvan de kosten;
- de overname van de woning door de man zal gerealiseerd worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking.
6.55.
De rechtbank zal deze overeenstemming tussen partijen vaststellen.
Inboedel van de woning (post f)
6.56.
Met betrekking tot de digitale bestanden (foto’s/video’s) hebben partijen afgesproken dat de vrouw op uiterlijk 28 mei 2026 een harde schijf aan de man geeft, zodat de man hierop de digitale bestanden kan zetten. De man zorgt ervoor dat dit uiterlijk 9 juni 2026 is gebeurd. Daarnaast zorgt de man ervoor dat op 9 juni 2026 de persoonlijke spullen van de vrouw klaarliggen. De vrouw komt de harde schijf en haar persoonlijke spullen op 9 juni aanstaande ophalen. De rechtbank zal deze overeenstemming tussen partijen vaststellen.
6.57.
Tussen partijen is in geschil de waarde van de gitaar en de versterker. De man stelt zich op het standpunt dat de gitaar en de versterker moeten worden toegedeeld aan de vrouw. Hij schat de waarde hiervan op € 500,-. De vrouw betwist de geschatte waarde door de man. De vrouw heeft de gitaar gekocht voor € 200,- en de versterker voor
€ 50,-, zodat deze op dit moment niks meer waard zijn.
6.58.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw het standpunt van de man voldoende heeft betwist. De rechtbank zal de gitaar en de versterker toedelen aan de vrouw tegen een waarde van € 0,-. De vrouw hoeft daarom niks te vergoeden aan de man voor de gitaar en de versterker.
6.59.
Partijen zijn het erover eens dat de overige inboedel moet worden toegedeeld aan de man. In geschil is de waarde van de inboedel. De man stelt zich op het standpunt dat de inboedel € 3.560,- waard is. De vrouw betwist het standpunt van de man. Zij stelt op haar beurt dat de inboedel € 15.000,- waard is.
6.60.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn standpunt, ondanks het verweer van de vrouw, voldoende heeft onderbouwd. Anders dan de vrouw, heeft de man de door hem geschatte waarde onderbouwd met het schema in productie 41. De man heeft hierin de nieuwprijs weergegeven, welke hij heeft opgezocht op de en/of bankrekening dan wel via facturen. De man heeft op basis hiervan en aan de hand van de staat van de inboedel, waarvan hij foto’s heeft toegevoegd, de waarde geschat. De vrouw heeft de door haar geschatte waarde niet nader onderbouwd en de door de man gestelde waarde voorts onvoldoende betwist. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van de man volgt en de inboedel aan hem wordt toegedeeld tegen een waarde van € 3.560,-. De man moet € 1.780,- vergoeden aan de vrouw.
Volvo (post g)
6.61.
De man stelt zich op het standpunt dat de Volvo aan hem moet worden toegedeeld tegen een waarde van € 400,-. De vrouw betwist de door de man gestelde waarde. Zij stelt zich op het standpunt dat de Volvo € 1.500,- waard is. Indien de rechtbank van oordeel is dat de Volvo € 400,- waard is, moet de auto aan de vrouw worden toegedeeld.
6.62.
De rechtbank zal de Volvo toedelen aan de man tegen een waarde van € 400,-. Beide partijen hebben een taxatie/waardebepaling overgelegd (productie 17 van de man en productie 10 van de vrouw). De man heeft onbetwist gesteld dat bij de door hem overgelegde taxatie rekening is gehouden met de kilometerstand en beschadigingen. Uit de waardebepaling van de vrouw volgt dat hier geen rekening mee is gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de door de man overgelegde taxatie moet worden gevolgd, omdat deze taxatie een realistischer beeld geeft van de waarde van de auto. De rechtbank deelt de auto toe aan de man, omdat de man de auto zelf ook onderhoudt om ervoor te zorgen dat de auto kan blijven rijden. De rechtbank zal gelet hierop de auto aan de man toedelen tegen een waarde van € 400,-, onder vergoeding van € 200,- aan de vrouw.
Verkoopopbrengst Opel en Caravan (post h & i)
6.63.
Partijen zijn het erover eens dat de verkoopopbrengst van de Opel en Caravan is meegenomen in de verdeling van de bankrekeningen. De rechtbank hoeft daarom geen (aparte) beslissing meer te nemen over de verdeling van de verkoopopbrengst van de Opel en de Caravan. De verzoeken hierover zullen worden afgewezen.
De bankrekeningen (post j)
6.64.
Partijen zijn het erover eens dat de man de bankrekening [rekeningnummer 1] , die nu op naam van de man en de vrouw staat, zal voortzetten. De rechtbank kan een bankrekening niet toedelen, zoals door de man wordt verzocht. Partijen zullen samen de wijziging van de tenaamstelling moeten regelen. Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de bankrekening op de peildatum € 0,- is, zodat er geen saldo verdeeld hoeft te worden.
6.65.
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de peildatum op de bankrekening
[rekeningnummer 2] (t.n.v. de man) € 10.571 bedraagt en de man 5.285,64 moet vergoeden aan de vrouw.
6.66.
Met betrekking tot de bankrekening [rekeningnummer 3] (t.n.v. de vrouw) zijn partijen het erover eens dat de vrouw € 15,19 aan de man moet vergoeden.
6.67.
Met betrekking tot de bankrekening [rekeningnummer 4] (t.n.v. de vrouw) zijn partijen het erover eens dat het saldo op de peildatum € 1.750,- bedroeg en dat de vrouw € 875,- moet vergoeden aan de man.
6.68.
De rechtbank zal de overeenstemming tussen partijen vaststellen en zal daarnaast beslissen dat partijen de hiervoor genoemde vergoedingen over een weer bij de overname van de woning, en dus binnen drie maanden na heden, aan elkaar betaald moet worden.
Uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven
6.69.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
6.70.
De rechtbank begrijpt dat de vrouw haar standpunt heeft gewijzigd, in die zin dat er geen sprake is van benadeling van de gemeenschap, maar dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van in totaal € 20.000,-. Dit geld is afkomstig van de door haar gekregen uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit is aan haar verknocht. De man heeft hiervan € 10.000,- overgemaakt naar zijn persoonlijke bankrekening. De man heeft het standpunt van de vrouw betwist.
6.71.
Partijen zijn het erover eens dat het bedrag van € 20.000,- dat de vrouw heeft ontvangen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan de vrouw is verknocht. Dit betekent dat dit bedrag niet in de huwelijksgemeenschap valt. Tussen partijen is in geschil of de gemeenschap € 20.000,- dan wel € 10.000,- moet vergoeden aan de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de man gemotiveerd heeft betwist dat aan de vrouw geen vergoedingsrecht toekomt van € 20.000,- dan wel € 10.000,-. De man heeft aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 10.000,- dat hij naar zijn persoonlijke bankrekening heeft overgemaakt niet afkomstig is van de uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, maar van de lening die partijen bij de ING zijn aangegaan van oorspronkelijk € 25.443,-. De man heeft onbetwist gesteld dat
€ 15.984,42 is besteed aan de aankoop van het perceel tuingrond en de notariskosten hiervoor. De man heeft vervolgens € 10.000,- overgemaakt naar zijn persoonlijke bankrekening. Dat is grotendeel het resterende bedrag (25.433 -/- 15.984,42 = 9.448,58) van de lening. Daarnaast blijkt uit productie 42 van de man dat op 29 april 2024 het bedrag van € 20.000,- is uitgekeerd op de en/of bankrekening door het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Partijen zijn in januari 2025 een lening aangegaan bij de ING en de man heeft vervolgens op 6 april 2025 € 10.000,- naar zijn persoonlijke rekening overgemaakt. De rechtbank acht het gelet op dit tijdsverloop aannemelijk dat het geld afkomstig is van de lening die partijen zijn aangegaan en onwaarschijnlijk dat dit bedrag afkomstig is van de uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Het bedrag dat de man naar zichzelf heeft overgemaakt, is reeds meegenomen in de verdeling van de bankrekening. De vrouw heeft verder ook niet inzichtelijk gemaakt wat er is gebeurd met het bedrag van € 20.000,- nadat het in april 2024 is gestort op de en/of bankrekening, terwijl dit wel op haar weg lag. De rechtbank kan hierdoor niet beoordelen of aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt, omdat niet duidelijk is of er nog een gedeelte van dit bedrag over is dan wel waaraan het geld is uitgegeven.
Opnames spaarrekening kinderen
6.72.
De vrouw erkent dat zij verschillende bedragen heeft opgenomen van de spaarrekening van de kinderen. Zij heeft hierover verklaard dat zij daarvan eten heeft moeten kopen voor de kinderen, omdat zij dit niet meer kon bekostigen. De vrouw heeft toegezegd dat zij deze bedragen zal terugstorten op de spaarrekeningen van de kinderen, nadat zij de helft van de overwaarde van de woning heeft ontvangen.

7.De beslissing

De rechtbank:
In C/08/338700 / ES RK 25-5907 (de echtscheiding)
7.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op
22 mei 2015 in de gemeente Deventer;
7.2.
stelt als
voorlopigezorgregeling vast:
  • de komende vier weken wordt toegewerkt naar een regeling waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 18:00 uur na het eten bij de moeder verblijven;
  • daarna (binnen een termijn door Pactum te bepalen) een regeling waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder verblijven;
7.3.
bepaalt dat de man met ingang van heden
voorlopigeen bedrag van € 141,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
7.4.
beslist dat de deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
7.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
7.6.
houdt de beslissing over de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie aan;
7.7.
verzoekt de gemeente
uiterlijk 19 november 2026of zoveel eerder als mogelijk, de eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject aan de rechtbank en de raad toe te sturen;
7.8.
stelt partijen in de gelegenheid om
binnen twee wekenna ontvangst van de eindrapportage te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure;
7.9.
verzoekt de raad, als het traject niet positief is verlopen, onderzoek te verrichten en de rechtbank daarover
binnen twee wekenna ontvangst van de eindrapportage te informeren, en een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen op een nader te bepalen datum;
7.10.
wijs het verzoek tot partneralimentatie af.
In C/08/ 342209 ES RK 25-7860 (de verdeling)
7.11.
De rechtbank stelt vast dat partijen het volgende hebben afgesproken:
woning, hypothecaire geldlening, perceel tuingrond en de leningen
  • de woning en het perceel tuingrond worden toegedeeld aan de man voor een totale waarde van € 375.000,-;
  • de man zal zorgdragen voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothecaire geldlening;
  • de overwaarde op het moment van levering wordt als volgt bepaald:
  • de vrouw ontvangt bij toedeling van de woning aan de man de helft van deze overwaarde;
  • de man kiest de notaris uit en draagt daarvan de kosten;
  • de overname van de woning door de man zal gerealiseerd worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking;
digitale bestanden en persoonlijke spullen
- de vrouw zal uiterlijk op 28 mei 2026 een harde schijf aan de man geven, zodat de man hierop de digitale bestanden (foto’s/video’s) kan zetten. De man zorgt ervoor dat dit uiterlijk 9 juni 2026 is gebeurd. Daarnaast zorgt de man ervoor dat op 9 juni 2026 de persoonlijke spullen van de vrouw klaarliggen. De vrouw komt de harde schijf en haar persoonlijke spullen op 9 juni ophalen.
bankrekeningen
  • de en/of bankrekening [rekeningnummer 1] zal worden voortgezet door de man. Het saldo op de peildatum is € 0,-;
  • het saldo op de peildatum op de bankrekening [rekeningnummer 2] (t.n.v. de man) bedraagt € 10.571. De man moet de helft hiervan, € 5.285,64, vergoeden aan de vrouw;
  • de vrouw moet met betrekking tot het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 3] (t.n.v. de vrouw) € 15,19 vergoeden aan de man;
  • het saldo op de peildatum op de bankrekening [rekeningnummer 4] (t.n.v. de vrouw) bedroeg € 1.750,-. De vrouw moet de helft hiervan, € 875,-, vergoeden aan de man;
7.12.
stelt verder de verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen als volgt vast:
  • deelt de gitaar en de versterker toe aan de vrouw tegen een waarde van € 0,-;
  • deelt de inboedel toe aan de man tegen een waarde van € 3.560,- onder vergoeding van de helft hiervan (€ 1.780,-) aan de vrouw;
  • deelt de Volvo ( [kenteken 1] ) toe aan de man tegen een waarde van € 400,- onder vergoeding van de helft hiervan (€ 200,-) aan de vrouw;
  • bepaalt dat de vergoedingen met betrekking tot de saldi van de bankrekeningen bij de overname van de woning, en dus binnen drie maanden na heden, aan elkaar betaald moet worden;
7.13.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.14.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Mensink en in het openbaar uitgesproken op
3 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage(n):
- draagkrachtberekening kinder- en partneralimentatie
[Afbeeldingen]

Voetnoten

1.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek
3.Artikel 1:99 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek