ECLI:NL:RBOVE:2026:3942

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
12246174 \ CV EXPL 26-863
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 3 IVRKArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens huurachterstand ondanks aanwezigheid minderjarige kinderen

Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan voor een woning met een kale huurprijs van €1.350 per maand. De huurders zijn vanaf het begin in gebreke gebleven met betalingen, waardoor een huurachterstand van vijf maanden is ontstaan. Ondanks een betalingsregeling en meerdere aanmaningen is de achterstand niet voldaan.

De verhuurder vordert ontruiming van de woning, betaling van de huurachterstand en de lopende huur, alsmede proceskosten. De huurders zijn niet verschenen en hebben geen verweer gevoerd. De kantonrechter stelt dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel voldoende is voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.

Hoewel de huurders minderjarige kinderen hebben, weegt dit belang niet zwaarder dan het belang van de verhuurder bij ontruiming. Er is geen acute noodtoestand aangetoond. De ontruimingstermijn wordt verlengd tot vier weken vanwege de kinderen. De kantonrechter veroordeelt de huurders tot ontruiming, betaling van de achterstallige huur en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering toe en veroordeelt de huurders tot betaling van de huurachterstand en proceskosten, met een ontruimingstermijn van vier weken.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12246174 \ CV EXPL 26-863
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen

1.[gedaagde 1],

te [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juni 2026 met producties;
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2026, waarbij de heer [eiser] is verschenen, bijgestaan door de heer [gemachtigde]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen.
- het tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De samenvatting: waar de zaak over gaatTussen partijen bestaat een huurovereenkomst. [gedaagden] heeft een huurachterstand laten ontstaan, die volgens [eiser] de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. [gedaagden] heeft verstek laten gaan. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk. De motivering van de beslissing volgt hierna.

3.De feiten

3.1.
[eiser] verhuurt aan [gedaagden] de woonruimte aan de [adres] (hierna: de woning) met ingang van 1 februari 2026. De kale huurprijs bedraagt
€ 1.350,00 per maand. De huur moet bij vooruitbetaling aan [eiser] worden voldaan.
3.2.
Partijen zijn een waarborgsom overeengekomen van € 1.350,00.
3.3.
[gedaagden] woont met twee kleine kinderen in de woning.
3.4.
[gedaagden] heeft vanaf de aanvang van de huurovereenkomst een huurachterstand laten ontstaan. In april 2026 is er nog een betalingsregeling getroffen, die niet is nagekomen. Ondanks meerdere aanmaningen is de achterstand niet aan [eiser] betaald. Ook de lopende huur wordt niet betaald.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert samengevat - ontruiming van de woning aan de [adres], betaling van de huurachterstand tot en met mei 2026, te vermeerderen met de maandelijkse huurprijs vanaf juni 2026 tot aan de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ten slotte vordert [eiser] dat [gedaagden] in de proceskosten wordt veroordeeld.
4.2.
[gedaagden] is niet verschenen en heeft geen verweer kenbaar gemaakt tegen de vorderingen van [eiser].

5.De beoordeling

5.1.
Het vereiste spoedeisend belang is, gelet op de aard van de vorderingen en het daaromtrent door [eiser] gestelde, aanwezig. Dit betekent dat de vorderingen inhoudelijk kunnen worden behandeld.
Toetsingskader kort geding5.2. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een
– diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Huurachterstand en waarborgsom
5.3.
[gedaagden] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Daarmee staat de bij dagvaarding gestelde huurachterstand, inclusief waarborgsom vast. Het gevorderde bedrag van € 5.946,75 berekend tot en met mei 2026 wordt toegewezen.
Ontruiming
5.4.
De vraag is of deze huurachterstand kan leiden tot ontruiming van de woning. De maatstaf is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst wegens deze tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW Pro zal ontbinden. Op grond van voornoemd artikel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
5.5.
Op het moment van de mondelinge behandeling was sprake van vijf maanden huurachterstand. De kantonrechter stelt voorop dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel van voldoende gewicht wordt gevonden om tot ontbinding van de huurovereenkomst, en vooruitlopend daarop in kort geding, de ontruiming van het gehuurde uit te spreken. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van
[gedaagden] om in de woning te blijven wonen – gezien de substantiële huurachterstand – niet prevaleert boven het belang van [eiser] bij de ontruiming van de woning.
Minderjarige kinderen5.6. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt ook het belang van de minderjarige kinderen van [gedaagden] in overweging genomen. Dat volgt uit artikel
3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Dat betekent echter niet dat een huurovereenkomst met een huurder met minderjarige kinderen niet mag worden ontbonden. De ouders van de minderjarige kinderen zijn in principe zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. De belangen van de kinderen zijn niet doorslaggevend. De vraag of mag worden ontruimd vergt steeds een individuele belangenafweging met inachtneming van alle specifieke omstandigheden van het geval. De (schoon)ouders van [gedaagden] wonen naast [gedaagden] Dat sprake is van een acute noodtoestand is dan ook niet aannemelijk geworden zodat de enkele aanwezigheid van de minderjarige kinderen in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden.
5.7.
Gelet op bovenstaande zal de kantonrechter de vordering tot ontruiming van het gehuurde toewijzen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen te verlengen naar vier weken, gelet op de aanwezigheid van de twee minderjarige kinderen.
5.8.
De overeengekomen maandelijkse huurprijs blijft verschuldigd zolang
[gedaagden] het gehuurde niet heeft ontruimd. Die vordering wijst de kantonrechter eveneens toe.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat de mate waarin [gedaagden] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen als huurder, maken dat [eiser] er belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn de woning aan een huurder te verhuren die wel zijn verplichtingen nakomt.
Proceskosten
5.10.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,59
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.435,59
5.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter in kort geding
6.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser],
6.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te betalen aan [eiser]:
a. a) € 5.946,75 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 1.350,00 per maand vanaf juni 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.435,59, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening, indien [gedaagden] niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over voornoemd bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en over het bedrag van de kosten van betekening vanaf de vijftiende dag na de betekening,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.