ECLI:NL:RBOVE:2026:396

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_781
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Protocol 12 EVRMArt. 14 Algemene KinderbijslagwetArt. 25 Boek 1 BWArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongerechtvaardigd onderscheid bij toekenning kinderbijslag volgende kinderen door SVB

De rechtbank Overijssel behandelt een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakt tegen het beleid van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) omtrent de toekenning van kinderbijslag voor volgende kinderen. De SVB past beleid SB1401 toe, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen waarvan de geboorteaangifte in Nederland is gedaan en kinderen met buitenlandse geboorteaangifte. Dit onderscheid leidt ertoe dat kinderbijslag voor de eerste categorie automatisch wordt toegekend vanaf de geboorte, terwijl voor de tweede categorie een aanvraag vereist is en de terugwerkende kracht beperkt is.

De rechtbank bevestigt in deze einduitspraak de eerdere tussenuitspraak van 2 september 2025 en stelt vast dat dit onderscheid in strijd is met artikel 1 van Pro Protocol nr. 12 bij het EVRM, dat discriminatie verbiedt. De SVB heeft geen toereikende rechtvaardiging gegeven voor het onderscheid, dat niet proportioneel is en niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Hoewel de SVB stelt dat het onderscheid een legitiem doel dient ter bescherming tegen fouten in gegevensuitwisseling, oordeelt de rechtbank dat dit doel dit onderscheid niet rechtvaardigt.

De rechtbank overweegt dat eiser, die behoort tot de categorie met buitenlandse geboorteaangifte, door het beleid onevenredig wordt benadeeld. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt aan eiser kinderbijslag toegekend met terugwerkende kracht vanaf het 4e kwartaal 2019, wat neerkomt op een periode van maximaal vijf jaar terugwerkende kracht. Tevens wordt de SVB opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en kent kinderbijslag toe met terugwerkende kracht vanaf het 4e kwartaal 2019.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/781

Einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: E.M. Mulder).

Samenvatting

In deze zaak oordeelt de rechtbank dat de SVB bij de toekenning van kinderbijslag voor volgende kinderen, door toepassing van het tegenwettelijke beleid SB1401, een onderscheid maakt tussen twee verschillende categorieën rechthebbenden, dat in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 van Pro het Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze einduitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5397.

Procesverloop

In de tussenuitspraak [1] van 2 september 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de SVB in de gelegenheid gesteld om zich binnen één maand uit te laten als in rechtsoverweging 4.11 van die tussenuitspraak is overwogen, met bepaling dat eiser vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om binnen één maand te reageren op het standpunt van de SVB.
De SVB heeft zich bij brief van 30 september 2025 uitgelaten als in de tussenuitspraak bepaald. Eiser heeft vervolgens op 27 oktober 2025 gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de SVB bij de toepassing van artikel 14 Algemene Pro Kinderbijslagwet (AKW), ingevolge haar tegenwettelijk beleid SB1401, een onderscheid maakt tussen twee categorieën, te weten: (1) eerstgeborenen en/of kinderen waarvan buiten Nederland aangifte van geboorte is gedaan en (2) volgende kinderen waarvan aangifte van geboorte is gedaan in Nederland. De rechtbank heeft voorts overwogen dat dit onderscheid tot gevolg heeft dat er verschil bestaat voor wat betreft de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag tussen kinderen die géén eerstgeborenen zijn, namelijk: (a) voor kinderen die behoren tot de eerste groep (geboorteaangifte
buitenNederland) gaat het recht op kinderbijslag in beginsel in vanaf de geboorte, maar in geen geval eerder dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is gedaan en (b) voor volgende kinderen die behoren tot de tweede groep (geboorteaangifte
inNederland) gaat het recht op kinderbijslag automatisch in vanaf de geboorte (behoudens fouten in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP), onafhankelijk van de vraag of de ouders een aanvraag hebben gedaan. Een gevolg hiervan is dat ouders van kinderen in de eerste groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, pas recht krijgen op kinderbijslag met ingang van een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin zij alsnog een aanvraag indienen. De ouders van kinderen in de tweede groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, krijgen daarentegen altijd vanaf de geboorte een recht op kinderbijslag, omdat de SVB daarin dan automatisch voorziet (tenzij sprake is van een fout in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP).
De rechtbank heeft vervolgens de vraag aan de orde gesteld of dit onderscheid geoorloofd is in de zin van artikel 1 van Pro Protocol 12 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
3. In de tussenuitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de SVB gelegenheid gegeven om zich alsnog over deze rechtsvraag uit te laten en te motiveren (a) welk objectief en redelijk (=legitiem) doel wordt gediend met het door haar in het beleid SB 1401 gehanteerde onderscheid en (b) dat het om een redelijk en proportioneel onderscheid gaat in relatie tot het daarmee beoogde doel. Voor het geval de SVB daarbij tot de conclusie zou komen dat dit onderscheid (in beginsel) gerechtvaardigd is heeft de rechtbank de SVB verzocht om óók te motiveren waarom dit onderscheid gerechtvaardigd blijft vanaf het moment dat de geboorteakte bij terugkeer in Nederland overeenkomstig artikel 25 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingeschreven in het geboorteregister ofwel anderszins wordt aangemeld, omdat de SVB vanaf dat moment immers - naar de rechtbank voorshands aannam - net als ten aanzien van in Nederland geboren en aangegeven kinderen, van de geboorte van het kind en een eventueel recht op kinderbijslag op de hoogte zou kunnen zijn; ook voor dergelijke gevallen zou volgens de rechtbank een automatische koppeling vanaf datum inschrijving/aanmelding administratief geregeld moeten kunnen worden.

Standpunt SVB

4. De SVB heeft onder meer opgemerkt, dat het beleid enkel en alleen voorziet in een bescherming van de burger in geval van een falende gegevensuitwisseling tussen de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) c.q. Basisregistratie Personen (BRP) en de SVB, terwijl aan die burger een belofte is gedaan dat een aanvraag niet nodig is voor tweede en volgende kinderen waarvan in Nederland geboorteaangifte is gedaan. De SVB betwist dat hier sprake is van gelijke gevallen, omdat het voor de SVB onbetaalbaar en onrealiseerbaar is om met alle geboorteregisters over de hele wereld een automatische gegevensuitwisseling te hebben. De SVB heeft voorts toegelicht dat er per 1 april 2018 iets is gewijzigd in het toegepaste beleid. Tot 1 april 2018 werd de inschrijving en/of (buitenlandse) geboorte van een kind dat ouder was dan 30 dagen niet automatisch gemeld door de BRP aan de SVB. Ná 1 april 2018 wordt het in het buiteland geboren kind dat in Nederland wordt ingeschreven wel gemeld aan de SVB. Maar dat laatste doet zich volgens de SVB in deze zaak niet voor, naar de rechtbank begrijpt, omdat [kind] (de zoon van eiser) al op [geboortedatum] 2009 is geboren, en zijn ouders hem op 21 september 2010 in hun gemeente hebben ingeschreven, en dit dus ver voor de beleidswijziging van 1 april 2018 was.
Volgens de SVB dient het onderscheid een legitiem doel, namelijk om burgers te beschermen tegen een fout in de beloofde gegevensuitwisseling tussen de GBA/BRP en de SVB. Burgers aan wie geen gegevensuitwisseling was beloofd, hadden die bescherming niet nodig, omdat er immers geen gegevensuitwisseling plaatsvond en zij daarom ook niet gedupeerd konden worden door een fout in de gegevensuitwisseling. Het SVB is voorts van mening dat het gemaakte onderscheid proportioneel is, omdat er ten aanzien van de kinderen die langer dan 5 jaar geleden waren geboren, geen recht bestaat op een terugwerkende kracht van meer dan 5 jaar, omdat van burgers verwacht mag worden dat hij/zij controleert of de kinderbijslag inderdaad wordt uitbetaald. De SVB concludeert dat het onderscheid gerechtvaardigd is.
Standpunt eiser
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door de SVB gegeven uitleg geen objectieve en redelijke rechtvaardiging oplevert voor het gemaakte onderscheid. Eiser stelt dat hij door het gemaakte onderscheid onevenredig nadeel ondervindt, en dat dit nadeel niet opweegt tegen het uitvoeringsbelang dat de SVB stelt te hebben. De SVB handelt hierdoor in strijd met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in art. 3:4, tweede lid Awb. Volgens eiser heeft de SVB niet uitgelegd, waarom zij het verschil in behandeling liet voortbestaan als de buitenlandse geboorteakte eenmaal was ingeschreven in de BRP.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de SVB, bij de toekenning van kinderbijslag op grond van artikel 14, eerste lid van de AKW, bij volgende kinderen een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen kinderen waarvan geboorteaangifte is gedaan in Nederland en kinderen waarvan geboorteaangifte is gedaan in het buitenland. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.1.
Dit onderscheid is in het leven geroepen door het beleid van de SVB, dat is vastgelegd in SB1401. Door dat beleid kent de SVB bij geboorte van
volgendekinderen automatisch kinderbijslag toe als er geboorteaangifte is gedaan in Nederland. Ouders hoeven dan geen kinderbijslag aan te vragen, ondanks dat in artikel 14 AKW Pro is voorgeschreven dat kinderbijslag alleen op aanvraag wordt toegekend. De SVB kan deze kinderbijslag zonder aanvraag toekennen, dankzij een automatische gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. Bij de SVB zijn immers de gegevens van de rechthebbenden op kinderbijslag bekend vanaf de toekenning van kinderbijslag voor een eerste kind.
Dit beleid geldt niet ten aanzien van volgende kinderen als er geboorteaangifte is gedaan
buitenNederland, omdat er geen automatische gegevensuitwisseling bestaat tussen de SVB en de geboorteregisters in het buitenland. Daardoor is een onderscheid ontstaan tussen rechthebbenden op kinderbijslag als
inNederland geboorteaangifte is gedaan en rechthebbenden op kinderbijslag als
buitenNederland geboorteaangifte is gedaan.
De SVB maakt hiermee een onderscheid tussen in beginsel gelijke gevallen, namelijk tussen ingezetenen die in beginsel op grond van de artikelen 6 en 14 AKW op gelijke wijze in aanmerking zouden moeten komen voor kinderbijslag. Het onderscheid bestaat erin, dat de SVB enerzijds, voor volgende kinderen van wie in Nederland geboorteaangifte is gedaan, automatisch kinderbijslag toekent zonder dat de rechthebbenden daarvoor een aanvraag hoeven te doen en dat de SVB anderzijds, voor volgende kinderen van wie buiten Nederland geboorteaangifte is gedaan, slechts kinderbijslag toekent als de rechthebbenden daarvoor een aanvraag hebben ingediend overeenkomstig artikel 14 AKW Pro.
6.2.
Als de laatste categorie rechthebbenden (geboorteaangifte in het buitenland) om welke reden dan ook nalaat een aanvraag te doen (bijvoorbeeld omdat zij het vergeten), dan kent de SVB niet eerder kinderbijslag toe dan met ingang van
éénjaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Terwijl bij de eerste categorie rechthebbenden (geboorteaangifte in Nederland) van “vergeten” geen sprake kan zijn, omdat de kinderbijslag immers automatisch wordt toegekend, en de SVB kinderbijslag bovendien toekent met een terugwerkende kracht van maximaal
vijfjaar, als er sprake is van fouten in de gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. Die termijn van vijf jaar terugwerkende kracht begint dan te lopen vanaf het moment waarop de SVB ofwel de fout in de gegevensuitwisseling constateert, ofwel van betrokkene hoort dat hij/zij geen kinderbijslag voor het volgende kind heeft ontvangen.
6.3.De SVB maakt hiermee een onderscheid op basis van de plaats waar aangifte van geboorte is gedaan, te weten
inNederland of
buitenNederland. De SVB maakt daarmee een onderscheid op basis van een identificeerbaar kenmerk.
6.4.
De rechtbank volgt de SVB niet in haar standpunt dat zij met dit onderscheid een legitiem doel dient, namelijk de bescherming van burgers tegen een fout in de beloofde gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. De SVB verliest hier uit het oog dat het verschil in behandeling vooral gemaakt wordt door de automatische toekenning van kinderbijslag aan rechthebbenden uit de eerste categorie (geboorteaangifte in Nederland) en dat alleen de terugwerkende kracht van 5 jaar, in gevallen waarin fouten zijn gemaakt in de gegevensuitwisseling, dient ter bescherming van deze categorie rechthebbenden. Als de SVB geen onderscheid zou maken tussen automatische toekenning van kinderbijslag bij kinderen waarvan geboorteaangifte in Nederland is gedaan, en toekenning op aanvraag bij kinderen waarvan geboorteaangifte buiten Nederland is gedaan, dan zou de bescherming tegen fouten in de gegevensuitwisseling ook niet nodig zijn. Deze beschermingsgedachte kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet dienen als rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid.
6.5.
De rechtbank begrijpt wel, dat dit onderscheid is ontstaan doordat er automatische gegevensuitwisseling mogelijk werd tussen de BRP en de SVB, terwijl een dergelijke gegevensuitwisseling niet mogelijk is met geboorteregisters in het buitenland. Maar met het bestaan van die operationele mogelijkheid is het verschil in behandeling tussen twee categorieën ingezetenen, die allebei volgens de wet gelijkelijk in aanmerking komen voor kinderbijslag, nog niet gerechtvaardigd. De SVB hoefde het onderscheid immers niet te maken en zij heeft hiervoor geen andere reden gegeven dan het in rechtsoverweging 5.4. besproken beschermingsdoel. En de SVB heeft daarbij niet uitgelegd, waarom zij een vergelijkbaar beleid niet ook heeft toegepast bij de inschrijving van in het buitenland geboren kinderen in de BRP, zoals zij met ingang van 1 april 2018 stelt te hebben gedaan.
6.6.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de SVB bij de toekenning van kinderbijslag, door de toepassing van haar beleid SB1401, een ontoelaatbaar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in art. 1 van Pro het Protocol nr. 12 EVRM, tussen twee categorieën rechthebbenden, waarvoor de SVB geen toereikende rechtvaardiging heeft gegeven.
6.7.
Dit oordeel van de rechtbank zou tot gevolg moeten hebben dat dit buitenwettelijke begunstigende beleid buiten toepassing wordt gelaten. Dat zou voor eiser dan geen gevolgen hebben, omdat dit beleid nu juist niet op hem is toegepast vanwege het feit dat hij behoort tot de categorie rechthebbenden op kinderbijslag, die in het buitenland geboorteaangifte heeft gedaan. Aan eiser is juist kinderbijslag toegekend naar de letter van de wet, dat wil zeggen pas na aanvraag op 6 oktober 2024 en overeenkomstig het bepaalde in art. 14, vijfde lid AKW met een terugwerkende kracht die niet verder teruggaat dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is gedaan. Beoordeeld naar deze wettelijke bepalingen komt eiser dus niets te kort.
6.8.
Toch pakt het bestreden besluit van de SVB voor eiser in dit geval onevenredig nadelig uit. Bij een gelijke behandeling als bij rechthebbenden op kinderbijslag voor kinderen van wie in Nederland geboorteaangifte is gedaan, zou aan [eiser] kinderbijslag zijn toegekend vanaf [geboortedatum] 2009, de geboortedatum van [kind] . De SVB heeft in dit geval evenwel een fout gemaakt. Die fout is weliswaar niet gelegen in de gegevensuitwisseling, want die vond niet plaats. Maar de fout is gelegen in het maken van een ongeoorloofd onderscheid bij de toepassing van het beleid SB1401 en die fout is daarmee wel annex aan die gegevensuitwisseling en het daarop betrekking hebbende beleid SB1401. Bij analoge toepassing van het beleid SB1401 had de SVB de kinderbijslag in dit geval met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar moeten toekennen, te rekenen vanaf het moment waarop de SVB van eiser te horen kreeg, dat hij geen kinderbijslag voor [kind] heeft ontvangen.
De rechtbank komt in dit specifieke geval tot het oordeel dat een redelijke afweging van belangen, als bedoeld in artikel 3:4 Awb Pro, hier tot een vergelijkbare uitkomst zou moeten leiden. Weliswaar schrijven de wettelijke voorschriften anders voor, maar het buitenwettelijke begunstigende beleid SB1401 van de SVB, het verbod van discriminatie in artikel 1 van Pro het 12e Protocol bij het EVRM en het gelijkheidsbeginsel nopen hiertoe. En deze uitkomst acht de rechtbank voor eiser ook niet onevenredig nadelig, omdat de rechtbank het wel met de SVB eens is dat van burgers verwacht mag worden dat hij/zij controleert of de kinderbijslag inderdaad wordt uitbetaald. Eiser krijgt in dit geval meer dan bij een strikte toepassing van de wet het geval zou zijn geweest.
6.9.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de SVB in dit geval aan eiser de kinderbijslag voor [kind] had moeten toekennen met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf het moment waarop de SVB van eiser vernam dat hij geen kinderbijslag voor [kind] heeft ontvangen. Dat betekent in dit geval dus een toekenning van kinderbijslag voor [kind] vanaf het 4e kwartaal 2019.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding zelf te voorzien in die zin dat de kinderbijslag wordt toegekend vanaf het 4e kwartaal van 2019, zoals hiervoor is overwogen.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de SVB aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025,
- herroept het primaire besluit van 14 oktober 2024,
- kent aan eiser kinderbijslag toe vanaf het 4e kwartaal van 2019 voor [kind] en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; en
- draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is niet staat om deze
uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel 2 september 2025, vindplaats ECLI:NL:RBOVE:2025:5397