ECLI:NL:RBOVE:2026:397

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_1309_tu
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3.3 WlzArt. 4:35 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgkantoor moet pgb toekennen voor periode augustus 2020 tot maart 2021 ondanks onvolkomenheden in verantwoording

Eiseres heeft vanaf 20 augustus 2020 zorg ontvangen via een persoonsgebonden budget (pgb) dat het Zorgkantoor echter niet heeft goedgekeurd vanwege onvoldoende inzicht en onvolkomenheden in de verantwoording van de geleverde zorg. De rechtbank stelt vast dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot een volledige weigering van het pgb heeft kunnen komen, mede omdat eiseres als kwetsbare zorgontvanger geldt en de zorg daadwerkelijk is geleverd.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de Wet langdurige zorg (Wlz) geen expliciet verbod bevat op pgb-verlening met terugwerkende kracht en dat de subsidievaststelling niet aan een aanvullende pgb-toekenning in de weg staat. Het Zorgkantoor heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de toetsing en onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiseres.

Hoewel het Zorgkantoor gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de volledigheid en doelmatigheid van de zorgverantwoording, acht de rechtbank het onevenredig nadelig om eiseres de zorgkosten volledig zelf te laten dragen. Daarom krijgt het Zorgkantoor de opdracht om op basis van beschikbare informatie, ook van de periode na 12 maart 2021, schattenderwijs vast te stellen welke zorg is geleverd en op die grond een pgb toe te kennen voor de gehele periode.

De rechtbank stelt een termijn van zes weken voor het Zorgkantoor om de gebreken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak. De uitspraak is een tussenuitspraak en hoger beroep is nog niet mogelijk.

Uitkomst: Het Zorgkantoor moet de gebreken herstellen en op basis van beschikbare informatie een pgb toekennen voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1309 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder (het Zorgkantoor)

(gemachtigde: T. Olaniyi).

Procesverloop

1.1.
Bij besluit van 8 maart 2023 heeft het Zorgkantoor een wijziging van de zorgovereenkomst van eiseres met Balans Zorg en Budget met ingangsdatum
20 augustus 2020 afgekeurd. Met het besluit van 7 november 2023 op het bezwaar van eiseres is het Zorgkantoor bij deze afkeuring gebleven. Met een uitspraak van 24 mei 2024 met zaaknummer ZWO 23/2586 [1] heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen dit besluit gegrond verklaard, het besluit van 7 november 2023 vernietigd en het Zorgkantoor opgedragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het Zorgkantoor opnieuw bij de afkeuring van de gewijzigde zorgovereenkomst gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Zorgkantoor. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank het beroep acht weken aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om in onderling overleg tot overeenstemming te komen over een oplossing. De rechtbank heeft mediation voorgesteld.
1.5.
Eiseres heeft de rechtbank op 23 oktober 2025 laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een oplossing voor het geschil.

Overwegingen

Wat aan de besluitvorming vooraf ging
2.1.
Eiseres heeft vanaf 7 mei 2013 een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Met de inwerkingtreding van de Wet langdurige zorg (Wlz) op 1 januari 2015 is deze indicatie omgezet in het zorgprofiel “Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering” (6VG).
2.2.
Bij beschikkingen van 26 februari 2021 heeft de rechtbank de Gelderse Stichting tot Beheer & Bewindvoering ter bescherming van meerderjarigen (GSBB) uit Arnhem ontslagen als bewindvoerder en mentor van eiseres en CB Bewind B.V. te Hardenberg als zodanig benoemd, met ingang van twee weken na de datum van deze beschikkingen, dus per 12 maart 2021.
2.3.
Op 19 maart 2021 hebben eiseres en de (nieuwe) bewindvoerder het omzettingsformulier Wlz ingediend. Hierin is vermeld dat eiseres haar zorg met ingang van 12 maart 2021 wil ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
2.4.
Met een besluit van 4 september 2021 heeft het Zorgkantoor aan eiseres met ingang van 12 maart 2021 tot en met 31 december 2021 een pgb toegekend voor het zorgprofiel: “Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering”.
2.5.
Met een besluit van 18 oktober 2021 heeft het Zorgkantoor de zorgovereenkomst van eiseres met Balans Zorg en Budget met ingangsdatum 12 maart 2021 goedgekeurd.
2.6.
Met een brief van 27 december 2021 heeft eiseres declaraties ingediend over de periode van augustus 2020 tot en met februari 2021, alsmede een zorgbeschrijving van 7 juli 2021 en een zorgovereenkomst met ingang van 20 augustus 2020 met de zorgverlener Balans Zorg en Budget, gedateerd 7 juli 2020, ondertekend door eiseres en de zorgverlener.
2.7.
Met een brief van 11 februari 2022 heeft het Zorgkantoor aan eiseres gemeld dat deze documenten niet beoordeeld kunnen worden, omdat eiseres ten tijde van de ingangsdatum van de zorgovereenkomst nog niet als klant bekend was bij het Zorgkantoor.
2.8.
Op 3 mei 2022 hebben eiseres en haar bewindvoerder een omzettingsformulier ingediend. Verzocht is om de Wlz-verzekerde zorg vanaf 13 september 2020 te ontvangen in de vorm van een pgb. Daarop heeft het Zorgkantoor met een brief van 19 mei 2022 informatie opgevraagd, maar dit verzoek is op 24 mei 2022 retour gekomen.
2.9.
Op 10 januari 2023 heeft Balans Zorg en Budget de zorgovereenkomst met eiseres met ingangsdatum 20 augustus 2020, ondertekend op 7 juli 2020, een zorgbeschrijving van
13 september 2020 en de declaraties over de periode van augustus 2020 tot en met februari 2021 aan het Zorgkantoor toegestuurd en gevraagd deze te verwerken. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Toetsingskader
3. De wetsartikelen en regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Uitspraak rechtbank 24 mei 2024
4.1.
In haar uitspraak van 24 mei 2024 [2] heeft de rechtbank vastgesteld dat de Wlz geen bepaling bevat die zich expliciet verzet tegen een (aanvullende) toekenning van een pgb met terugwerkende kracht. Dat geen bezwaar is gemaakt tegen de pgb-verlening vanaf
12 maart 2021, doet volgens de rechtbank aan de mogelijkheid voor de verlening van een aanvullend pgb ook geen afbreuk.
4.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat voor zover de tekst van artikel 5.21 van de Regeling langdurige zorg (Rlz), in de weg zou staan aan toekenning van een aanvullend pgb over de periode augustus 2020 tot 12 maart 2021, die bepaling in het concrete geval van eiseres onevenredig belastend uitwerkt en (de gevolgen van) die bepaling om die reden buiten toepassing moeten worden gelaten. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat eiseres, gelet op het zorgprofiel “Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering” als kwetsbaar kan worden aangemerkt en dat er daarom ernstig rekening mee moet worden gehouden dat eiseres slechts over een beperkt doenvermogen beschikt. De rechtbank heeft overwogen dat eiseres, desondanks, terwijl zij geconfronteerd werd met naar eigen zeggen traumatische ervaringen bij de vorige zorgverlener, haar zorg heeft weten voort te zetten bij Balans Zorg en Budget en dat zij - toen bleek dat haar bewindvoerder haar weigerde te ondersteunen bij deze overstap - om te zorgen dat de kosten voor de nieuwe locatie ook konden worden gedeclareerd, direct een verzoek tot ontslag van die bewindvoerder en benoeming van de huidige bewindvoerder bij deze rechtbank heeft laten indienen. Voorts heeft de rechtbank uit de goedkeuring van het omzettingsformulier en de zorgovereenkomst door het Zorgkantoor per 12 maart 2021 afgeleid dat de huidige locatie ook in adequate zorg voorziet. De rechtbank heeft geconcludeerd dat eiseres, ondanks haar beperkte doenvermogen, zoveel mogelijk in de geest van de wet- en regelgeving heeft gehandeld, zijnde het verkrijgen van adequate zorg voor een betrokkene die over een daartoe strekkende indicatiestelling beschikt. Gelet op het gegeven dat eiseres verder met een aanzienlijke schuld kan worden geconfronteerd op het moment dat haar geen pgb wordt verstrekt, omdat alsdan de gemaakte kosten voor de zorg door haar privé zullen moeten worden betaald, heeft de rechtbank het tegenwerpen van de subsidievaststelling in combinatie met het bepaalde in artikel 5.21 van de Rlz in het onderhavige geval onevenredig belastend voor eiseres geacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de subsidievaststelling in dit geval niet aan een (aanvullende) pgb-verlening over de periode vóór 12 maart 2021 in de weg kan staan.
4.3.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Zorgkantoor onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht in de verzameling van gegevens bij de toetsing of eiseres in de instelling waar zij nu verblijft (Balans Zorg en Budget), in overeenstemming met artikel 4:35 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 5.18 van de Rlz zorg ontvangt.
4.4.
De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het Zorgkantoor ten onrechte een pgb over de periode augustus 2020 tot 12 maart 2021 heeft geweigerd. Zij heeft het Zorgkantoor opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij zij aan de hand van de door haar bij eiseres op te vragen gegevens zal moeten beoordelen of eiseres aan de materiële voorwaarden (in het bijzonder de artikelen 4:35 van de Awb en 5.18 van de Rlz) voor de verstrekking van een pgb over de periode voor 12 maart 2021 voldoet.
Standpunten van partijen
Standpunt Zorgkantoor
5. Het Zorgkantoor is opnieuw bij de afkeuring van de wijziging op de zorgovereenkomst met Balans Zorg en Budget met ingangsdatum 20 augustus 2020 gebleven.
5.1.
Het Zorgkantoor wijst erop dat eiseres een pgb heeft sinds 12 maart 2021. Nergens uit blijkt dat voor 12 maart 2021 een pgb is opgestart bij een ander zorgkantoor of dat toezeggingen zijn gedaan dat voor die datum bij het Zorgkantoor een pgb zou worden opgestart. Eiseres heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt. De ingangsdatum van de wijziging, 20 augustus 2020, ligt voor de ingangsdatum van het pgb. Het Zorgkantoor stelt zich op het standpunt dat het niet mogelijk is om declaraties te doen die gaan over periodes voorafgaand aan de ingangsdatum van het pgb.
5.2.
Verder verleent het Zorgkantoor geen pgb over de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. Volgens het Zorgkantoor is de zorg niet voldoende inzichtelijk en aannemelijk, waardoor het Zorgkantoor niet kan beoordelen of op doelmatige wijze is voorzien in toereikende en verantwoorde zorg.
5.3.
Daarnaast is het Zorgkantoor van mening dat het niet toekennen van het pgb over de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 niet onredelijk bezwarend is voor eiseres. Het uitgangspunt van het Zorgkantoor is dat de bestedingen van het pgb correct kunnen worden onderbouwd en dat in geval van een aanvraag met terugwerkende kracht voldoende aannemelijk gemaakt moet worden dat verantwoorde Wlz-zorg is geleverd. Eiseres heeft een belang bij het ontvangen en kunnen uitbetalen van passende zorg. Het Zorgkantoor heeft een belang bij juiste besteding van gemeenschapsgeld, in lijn met de Wlz. Het Zorgkantoor vindt het belang van een goede uitvoering en controle van de besteding van pgb-gelden (gemeenschapsgeld) groter, mede omdat eiseres deze zorg al zou hebben gehad. Het Zorgkantoor heeft bovendien meerdere malen stukken en informatie opgevraagd en hiermee voldoende kans geboden om de juiste stukken in te dienen. Het komt volgens het Zorgkantoor dan ook voor eigen risico en rekening dat de door haar ingediende stukken niet sluitend zijn. Het nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen, zoals het verantwoorden dat met het pgb op doelmatige wijze wordt voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit, behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van eiseres.
Standpunt eiseres
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat aan haar vanaf 20 augustus 2020 tot en met
11 maart 2021 een pgb moet worden toegekend.
6.1.
Eiseres stelt dat zij per 20 augustus 2020 door een ander zorgkantoor is “overgedragen” aan het Zorgkantoor en dat zij voor de datum van 12 maart 2021 ook een pgb toegekend had gekregen. Volgens eiseres had zij gedurende de periode 20 augustus 2020 tot 12 maart 2021 recht op een pgb. Eiseres is in die periode overgestapt naar een andere zorgaanbieder, waarmee haar bewindvoerder het niet eens was. Om die reden heeft de bewindvoerder destijds de pgb-aanvraag niet ondertekend.
6.2.
Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zorg is verleend, dat zij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke zorg is verleend en dat de zorg doelmatig is verleend.
6.3.
Eiseres is verder van mening dat het bestreden besluit haar in een onredelijk bezwarende positie brengt. Zij stelt dat zij wel zorg geleverd heeft gekregen, die haar ook daadwerkelijk geholpen heeft, maar dat zij de kosten van deze geleverde zorg met het bestreden besluit ten onrechte zelf dient te dragen.
6.4.
Eiseres heeft toegelicht dat zij vanaf 20 augustus 2020 ambulante begeleiding heeft gekregen. Zij schrijft wat de begeleiding inhield en dat ze deze als positief en helpend heeft ervaren.
Het oordeel van de rechtbank
7.1.
Het Zorgkantoor heeft de zorgovereenkomst met ingangsdatum 20 augustus 2020 afgekeurd, omdat het Zorgkantoor geen pgb met terugwerkende kracht vanaf
20 augustus 2020 heeft verleend. In geschil is daarom of het Zorgkantoor terecht heeft geweigerd aan eiseres vanaf 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 een pgb toe te kennen.
7.2.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat een ander zorgkantoor aan haar vóór 12 maart 2021 een pgb heeft toegekend. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt.
7.3.
Niet in geschil is dat de weigeringsgronden in artikel 3.3.3, vijfde lid, van de Wlz zich niet voordoen. Ook verschillen partijen niet van mening over de vraag of is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.3.3, vierde lid, onderdelen b tot en met e, van de Wlz. Dit betekent dat het Zorgkantoor toekenning van het pgb aan eiseres kan weigeren indien daarmee niet op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit. Het Zorgkantoor kan de verlening van het pgb aan eiseres ook weigeren indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:
a. de zorg niet of niet geheel zal plaatsvinden;
b. eiseres niet zal voldoen aan de aan het pgb verbonden verplichtingen;
c. eiseres niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verleende zorg en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie voor het pgb van belang zijn. [3]
De in artikel 5.18 van de Rlz genoemde verplichtingen zijn daarbij van belang.
7.4.
Uit vaste rechtspraak volgt dat in de systematiek van de Wlz bij de toetsing of een pgb kan worden verleend controles aan de voorkant moeten plaatsvinden: de controle voorafgaand aan de verleningsbeschikking, de controle van de zorgovereenkomst met zorgbeschrijving en de controle voorafgaand aan de betaling van de declaratie. Deze controles moeten voorkomen dat zorg wordt ingekocht waarin de Wlz niet voorziet en de Sociale verzekeringsbank (Svb) betalingen verricht voor andere zorg dan de zorg die uit de verleningsbeschikking en de schriftelijke zorgovereenkomst met de zorgbeschrijving volgt. [4] Uit rechtspraak van de CRvB volgt ook dat in een situatie waarin de zorg waarvoor om een pgb wordt verzocht al is aangevangen het Zorgkantoor bij de beoordeling van de vraag of weigeringsgronden aanwezig zijn de stukken mag betrekken die nodig zijn voor de verantwoording van de besteding van het te verlenen pgb. [5]
7.5.
Ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 24 mei 2024 heeft het Zorgkantoor dan ook terecht informatie opgevraagd. De zorgovereenkomst met zorgbeschrijving en de facturen over de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 bevonden zich reeds in het dossier. Het Zorgkantoor heeft daarnaast verzocht om de urenregistraties waaruit duidelijk wordt over welke periode de registratie gaat, welke zorg is geleverd, op welk tijdstip en door welke medewerker dit is gebeurd. Eiseres heeft urenverantwoordingen verstrekt. Omdat deze tot vragen leidden, heeft het Zorgkantoor hierop een toelichting gevraagd. Uit een mail van 10 januari 2025 blijkt dat de antwoorden op de gestelde vragen het Zorgkantoor onvoldoende duidelijkheid en verantwoording geven over de geleverde zorg. Het Zorgkantoor heeft eiseres nog eenmaal de mogelijkheid geboden om de geleverde zorg concreet te verantwoorden. Het Zorgkantoor heeft gedetailleerd vermeld welke informatie nog nodig is. Eiseres heeft op 17 januari 2025 documenten en informatie aangeleverd.
7.6.
Het Zorgkantoor heeft in de aangeleverde informatie echter onregelmatigheden geconstateerd. Deze zijn in de beslissing op bezwaar en in het verweerschrift gedetailleerd toegelicht. De rechtbank volgt het Zorgkantoor hierin. Eiseres heeft de geconstateerde tekortkomingen niet opgehelderd. Het Zorgkantoor twijfelt dan ook terecht of met het pgb op doelmatige wijze wordt voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit. Het Zorgkantoor ziet hierin terecht ook gegronde redenen om aan te nemen dat de Wlz-zorg waarvoor het pgb wordt gevraagd niet geheel is verleend, dat eiseres niet heeft voldaan aan de aan een pgb te verbinden verplichtingen en dat eiseres niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd over de verleende zorg en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, die voor de vaststelling van de subsidie voor het pgb van belang zijn. Het is de vraag of eiseres voldoet aan de verplichtingen in artikel 5.18 van het Rlz.
Belangenafweging
7.7.
De rechtbank is echter van oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot een volledige weigering van de verlening van een pgb voor de periode
20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Zorgkantoor het belang van een goede uitvoering en controle van de besteding van pgb-gelden (gemeenschapsgeld) groter acht dan het belang van eiseres bij het ontvangen en kunnen betalen van passende zorg. Het Zorgkantoor benadrukt de verantwoordelijkheid van eiseres voor het nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen, zoals het verantwoorden dat met het pgb op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.
7.8.
De rechtbank vindt echter ook van belang dat eiseres, gelet op het zorgprofiel “Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering” als kwetsbaar kan worden aangemerkt en Wlz-zorg nodig heeft. Verder stelt de rechtbank vast dat het Zorgkantoor in het bestreden besluit, het verweerschrift en tijdens de zitting heeft erkend dat Zorg Balans en Budget in de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 wel zorg aan eiseres heeft geleverd. De rechtbank is van oordeel dat het Zorgkantoor deze aspecten ten onrechte niet of onvoldoende heeft meegewogen in de belangenafweging. Daarmee is het bestreden besluit voor eiseres onevenredig nadelig, onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
7.9.
Voor zover het Zorgkantoor zich op het standpunt stelt dat het niet mogelijk is om declaraties te doen die gaan over periodes voorafgaand aan de ingangsdatum van het pgb, gaat het Zorgkantoor voorbij aan het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van
24 mei 2024 dat de Wlz geen bepaling bevat die zich expliciet verzet tegen een (aanvullende) toekenning van een pgb met terugwerkende kracht en dat de subsidievaststelling in dit geval niet aan een (aanvullende) pgb-verlening over de periode vóór 12 maart 2021 in de weg kan staan, waarna de rechtbank aan het Zorgkantoor heeft opgedragen om te beoordelen of eiseres aan de materiële voorwaarden (in het bijzonder de artikelen 4:35 van de Awb en 5.18 van de Rlz) voor de verstrekking van een pgb over de periode voor 12 maart 2021 voldoet.
Herstellen gebreken
8.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het Zorgkantoor in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
8.2.
Om de gebreken te herstellen moet het Zorgkantoor op basis van de beschikbare informatie, ondanks de onvolkomenheden in de verantwoording, onderzoeken en zonodig schattenderwijs vaststellen welke Wlz-zorg geleverd is. Bij de beschikbare informatie dient het Zorgkantoor niet alleen de gegevens over de periode van 20 augustus 2020 tot en met
11 maart 2021 te betrekken, maar ook de informatie van daarna, namelijk voor zover de zorg die vanaf 12 maart 2021 is verleend een indicatie zou kunnen geven voor de zorg die is verleend in de periode van 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. Vervolgens dient het Zorgkantoor op basis van haar bevindingen aan eiseres een pgb toe te kennen voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 en de zorgovereenkomst met ingangsdatum 20 augustus 2020 goed te keuren, eventueel onder de voorwaarde dat deze wordt aangepast aan het verleende pgb. De rechtbank acht het namelijk onevenredig nadelig, wanneer eiseres als sanctie voor het ontbreken van een toereikende verantwoording van de aan haar – onbetwist – verleende zorg, die zorg volledig voor haar eigen rekening zal moeten nemen. Dit heeft de rechtbank ook in de uitspraak van 24 mei 2024 al overwogen.
8.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Zorgkantoor de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.4.
Het Zorgkantoor moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het Zorgkantoor gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Zorgkantoor. In beginsel, ook in de situatie dat het Zorgkantoor de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- draagt het Zorgkantoor op de rechtbank binnen twee weken mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het Zorgkantoor in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet langdurige zorg (Wlz)
In artikel 3.3.3 van de Wlz zijn de wettelijke voorwaarden voor de verlening van een pgb opgenomen.
Artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz bepaalt dat het zorgkantoor op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het vierde en vijfde lid alsmede andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, een persoonsgebonden budget verleent waarmee de verzekerde, in plaats van zorg in natura te ontvangen, zelf betalingen doet voor zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, b, f of g en andere huishoudelijke hulp dan het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde. De verzekerde ziet af van het recht op verblijf en van de daarmee gepaard gaande voorziening, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede van de behandeling, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d.
Artikel 3.3.3, vierde lid, van de Wlz bepaalt dat het persoonsgebonden budget, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, wordt verleend, indien:
a. naar het oordeel van het zorgkantoor met het persoonsgebonden budget op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit;
b. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
c. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de door hem verkozen zorgaanbieders en mantelzorgers op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg;
d. de verzekerde zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij zorg met een persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen, en,
e. de verzekerde bij de aanvraag een budgetplan voorlegt aan het zorgkantoor.
Artikel 3.3.3, vijfde lid, van de Wlz bepaalt dat het persoonsgebonden budget in ieder geval wordt geweigerd indien:
a. de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen;
b. de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres;
c. de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
d. de vertegenwoordiger van de verzekerde niet voldoet aan regels inhoudende beperkingen of eisen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kring van vertegenwoordigers kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de verzekerde of van het waarborgen van de hulp, bedoeld in de onderdelen b en c van het vierde lid.
Besluit langdurige zorg (Blz) en Regeling langdurige zorg (Rlz)
Het Besluit langdurige zorg (Blz) bevat in artikel 3.6.2, derde lid, voor de minister de bevoegdheid om bij ministeriele regeling voorwaarden voor de verlening van een persoonsgebonden budget te stellen. Deze voorwaarden zijn, voor zover hier van belang, te vinden in artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Hierin staat het volgende:
“Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
a. de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen betalen door de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid;
b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;
c. de verzekerde past een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving onverwijld aan indien van enige verandering in de daarin opgenomen feiten sprake is;
d. de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht;
e. de verzekerde laat de betalingen aan de zorgverlener uitsluitend verrichten door de Sociale verzekeringsbank, tenzij het gaat om kosten verbonden aan vervoer als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet, waarvoor geen zorgovereenkomst is gesloten;
f. de verzekerde besteedt het persoonsgebonden budget niet aan logeeropvang buiten de Europese Unie;
g. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.”
Artikel 5.17, eerste lid, van de Rlz bepaalt, voor zover hier van belang, dat het persoonsgebonden budget uitsluitend mag worden gebruikt voor het door de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de verzekerde, doen van betalingen voor zorg als bedoeld in artikel 3.3.3 van de wet.
In artikel 5.12 van de Rlz staat:
“Het persoonsgebonden budget wordt verleend voor een subsidieperiode die:
a. niet eerder aanvangt dan de dag met ingang waarvan de verzekerde volgens zijn indicatiebesluit op de zorg is aangewezen waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, en
b. eindigt met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit zijn geldigheidsduur verliest, doch uiterlijk op 31 december van het jaar waarin het persoonsgebonden budget werd verleend.”
Ten aanzien van de subsidievaststelling is in artikel 5.21 van de Rlz voorts geregeld:
“1. Na afloop van iedere subsidieperiode wordt de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.
2. Het zorgkantoor stelt het persoonsgebonden budget binnen een half jaar na afloop van de subsidieperiode vast.
3. Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van de bedragen die de Sociale verzekeringsbank op grond van artikel 5.17, eerste lid, heeft uitbetaald.
4. Indien de verzekerde geen betalingen, als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, onder a en b, heeft laten doen dan wordt de subsidie, in afwijking van het derde lid, vastgesteld op nihil.”
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
In artikel 4:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verder geregeld dat een subsidieverlening in ieder geval kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;
b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Overijssel 24 mei 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2721.
3.Artikel 4:35, eerste lid, van de Awb.
4.Zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250.
5.Zie CRvB 18 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2878.