ECLI:NL:RBOVE:2026:3978

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 24/3148
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting ZW-uitkering en toekenning WIA-uitkering ondanks gemotiveerd bezwaar

De zaak betreft het beroep van eiseres B.V. tegen het besluit van het UWV om aan een derde belanghebbende een doorlopende ZW-uitkering en een WIA-uitkering toe te kennen. De betrokkene was sinds november 2021 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk ziekengeld. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering per oktober 2023 en kende een WIA-uitkering toe, waarbij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 57,03% werd vastgesteld.

Eiseres B.V. voerde aan dat het UWV ten onrechte geen eerstejaars ZW-beoordeling had uitgevoerd en dat de beperkingen van de betrokkene minder ernstig waren dan aangenomen. Diverse medische en arbeidsdeskundige rapporten werden overgelegd, waarin de beperkingen en belastbaarheid van de betrokkene werden vastgesteld, rekening houdend met fysieke en psychische klachten, taalvaardigheid en opleidingsniveau.

De rechtbank concludeert dat het UWV in beroep alsnog een juiste eerstejaars ZW-beoordeling heeft uitgevoerd en dat de toekenning van de WIA-uitkering terecht is. De medische en arbeidsdeskundige rapporten zijn voldoende gemotiveerd en geven een betrouwbaar beeld van de situatie. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarbij het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres B.V.

Uitkomst: Het beroep van eiseres B.V. wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft de ZW- en WIA-uitkering terecht toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3148

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres (hierna te noemen: [eiseres] B.V.)

gemachtigde: mr. L.K. Wouterse,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Heerlen, het UWV,
gemachtigde: [gemachtigde].
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] (hierna te noemen: [derde belanghebbende]),
gemachtigde: mr. M.P.M. Hogervorst.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ZW [1] -uitkering en de WIA [2] -uitkering die aan [derde belanghebbende] is toegekend. [eiseres] B.V. is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV [derde belanghebbende] terecht (doorlopend) in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering en vervolgens voor een WIA-uitkering. Wel is het bestreden besluit op een onderdeel niet goed gemotiveerd. Toch slaagt het beroep niet, omdat met de juiste motivering een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. [eiseres] B.V. krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de standpunten van het UWV en [eiseres] B.V. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. [derde belanghebbende] werkte als lasser voor 38 uur per week. [derde belanghebbende] is op 10 november 2021 uitgevallen voor dit werk. Hij ontving vervolgens ziekengeld.
2.1.
In het besluit van 11 september 2023 heeft het UWV de ZW-uitkering die [derde belanghebbende] ontving, per 12 oktober 2023 beëindigd. [derde belanghebbende] kan volgens het UWV op 5 september 2023 65% van het loon verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
2.2.
In het besluit van 13 september 2023 heeft het UWV [derde belanghebbende] niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Volgens het UWV heeft [derde belanghebbende] de wachttijd van 104 weken niet doorlopen.
2.3.
[derde belanghebbende] heeft tegen de besluiten van 11 september 2023 en 13 september 2023 afzonderlijk bezwaar gemaakt.
2.4.
In het bestreden besluit van 21 juni 2024 heeft het UWV de bezwaren van [derde belanghebbende] gegrond verklaard. Zijn ZW-uitkering wordt per 12 oktober 2023 voortgezet. Per 11 november 2023 krijgt [derde belanghebbende] op grond van de WIA een loongerelateerde WGA [3] -uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,03%.
2.5.
[eiseres] B.V. heeft op 5 juli 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Het UWV heeft op 9 augustus 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
[eiseres] B.V. heeft op 21 januari 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend en daarbij een rapport van 27 december 2024 van verzekeringsarts Khoe overgelegd.
2.8.
Het UWV heeft op het rapport van Khoe gereageerd en een rapport van 20 februari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen
2.9.
[eiseres] B.V. heeft op 26 mei 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend en daarbij een rapport van 23 mei 2025 van verzekeringsarts Khoe overgelegd.
2.10.
Het UWV heeft hier bij brief van 18 augustus 2025 op gereageerd en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 29 juli 2025, overgelegd en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
2.11.
Op 1 september 2025 heeft [eiseres] B.V. aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.12.
Op 4 september 2025 heeft [derde belanghebbende] als derde-partij gereageerd op wat tot dusver door [eiseres] B.V. en het UWV naar voren is gebracht. Hij sluit zich aan bij de inhoud van de rapporten van het UWV.
2.13.
In de brief van 16 september 2025 heeft het UWV te kennen gegeven om aanleiding te zien alsnog een nadere beoordeling te verrichten naar de ZW-aanspraken van [derde belanghebbende] na één jaar ziekte (uitgaande van de eerste ziektedag 10 november 2021)
2.14.
Het UWV geeft in de brief van 11 december 2025 te kennen dat terecht is besloten de ZW-uitkering van [derde belanghebbende] niet te beëindigen en aan hem een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV verwijst daarbij naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 november 2025 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 december 2025.
2.15.
[eiseres] B.V. en [derde belanghebbende] zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van het UWV van 11 december 2025 en de onderliggende rapporten. [eiseres] B.V. heeft gereageerd bij brief van 21 januari 2026 en bij brief van 25 maart 2026. [eiseres] B.V. heeft daarbij verwezen naar een rapport van verzekeringsarts Khoe, gedateerd 25 maart 2026.
2.16.
Het UWV heeft in reactie op wat [eiseres] B.V. heeft aangevoerd en heeft overgelegd, een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, gedateerd 31 maart 2026, en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 17 april 2026 overgelegd. Geconcludeerd is dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
2.17.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. De gemachtigde van [eiseres] B.V. en [derde belanghebbende] en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Standpunten van partijen

Standpunt van het UWV
3. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat [derde belanghebbende] doorlopend recht heeft op een ZW-uitkering en dat hij per einde wachttijd, 11 november 2023, recht heeft op een WIA-uitkering. Het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft het UWV vastgesteld op 57,03%.
In beroep heeft het UWV hieraan toegevoegd dat [derde belanghebbende] in het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling per 11 november 2022 niet in staat is om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen.
Standpunt van [eiseres] B.V.
3.1.
[eiseres] B.V. stelt zich op het standpunt – samengevat weergeven – dat het UWV ten onrechte heeft nagelaten een eerstejaars ZW-beoordeling per 10 november 2022 uit te voeren. Het einde van de wachttijd is dan ook niet bereikt. Het UWV heeft [derde belanghebbende] dan ook ten onrechte per 11 oktober 2023 in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering.
3.2.
Voor zover het UWV meent dat het einde van de wachttijd wél is bereikt, stelt [eiseres] B.V. dat [derde belanghebbende] minder beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen. [eiseres] B.V. voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 november 2025 enkel om energetische redenen een minder vergaande urenbeperking aanneemt en uitgaat van een belastbaarheid van 6 uur per dag/30 uur in de week. Nagelaten is om de duur en de frequentie van de gestelde noodzakelijke recuperatietijd vast te stellen, die bovendien ook nog eens logisch moeten volgen uit consistente en samenhangende onderzoeksbevindingen en de aard en ernst van het onderliggende medische beeld. Volgens [eiseres] B.V. is evenmin vastgesteld hoeveel uur [derde belanghebbende] niet beschikbaar is vanwege noodzakelijke medische behandeling; een behandeling die op de data in geding ook nog niet was gestart.
[eiseres] B.V. stelt verder de arbeidskundige beoordeling geen stand kan houden. In de eerste plaats omdat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet in stand kan blijven. Verder heeft het UWV ten onrechte nagelaten te motiveren waarom de verworpen functies zijn verworpen. Het UWV heeft nagelaten de functiebeschrijvingen en de bijbehorende functiebelasting en opleidings- en ervaringseisen over te leggen, zodat niet is vast te stellen of al deze functies terecht zijn verworpen. Het had op de weg van het UWV gelegen om de functieomschrijvingen van de verworpen functies te delen en inzichtelijk te maken waarom [derde belanghebbende] een bepaalde geselecteerde functie niet kan verrichten. Het belang van deze gegevens volgt volgens [eiseres] B.V. uit jurisprudentie van de CRvB, waarin meerdere malen is geoordeeld dat met een combinatie van opleiding en werkervaring aan het gevraagde opleidingsniveau kan worden voldaan. Ook is het vaste rechtspraak dat iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal, doorgaans in staat kan worden geacht om eenvoudige productiematige functies te vervullen, al dan niet met gebruik van eenvoudige hulpmiddelen, zoals een vertaalapp.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat het UWV in beroep alsnog een eerstejaars ZW-beoordeling per datum in geding 10 november 2022 heeft uitgevoerd en aan [derde belanghebbende] doorlopend een ZW-uitkering heeft toegekend. De rechtbank zal dit eerst beoordelen en ook ingaan op de vraag welke gevolgen dit heeft voor het beroep. Daarna beoordeelt de rechtbank of het UWV aan [derde belanghebbende] per 11 november 2023 terecht een WIA-uitkering heeft toegekend.
De eerstejaars ZW-beoordeling
4.1.
Ingevolge artikel 19aa van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht heeft op loon, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde:
a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 en Pro
b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
4.2.
Het beroep van [eiseres] B.V. richt zich met name tegen de aangenomen urenbeperking gerelateerd aam de psychische klachten van [derde belanghebbende].
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn verzekeringsgeneeskundige beoordeling per 11 november 2022 acht geslagen op de informatie van huisarts Teunisse (Teunisse) over de periode van 23 september 2022 tot en met 26 februari 2024 en het actueel oordeel van de Arbo-arts. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is [derde belanghebbende] bekend met wervelinzakkingen, die begin 2022 zijn gediagnosticeerd. Op basis van het verhaal van [derde belanghebbende] en zijn presentatie, de informatie van Teunisse en de informatie van psychiater Alsality (Alsality) van 15 maart 2024, kan worden geconcludeerd dat [derde belanghebbende] in zijn persoonlijk en sociaal functioneren beperkt was. Er is geen reden om te moeten veronderstellen dat dit per 11 november 2022 wezenlijk anders is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst daarbij naar eerdergenoemde brief van Alsality van 15 maart 2024. Daarin staat dat [derde belanghebbende] sinds ongeveer 1,5 jaar depressieve klachten heeft ontwikkeld. Ook is hij bekend met slaapproblemen, concentratieproblemen, prikkelbaarheid. Ook staat er dat [derde belanghebbende] angstklachten heeft en last heeft van anhedonie. Omdat per 11 november 2022 nog geen sprake was van een psychologische behandeling, kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet wordt gesproken over een verminderde beschikbaarheid. Het indicatiegebied ‘stoornis in de energiehuishouding’ blijft op de te beoordelen datum echter onverminderd aan de orde. Chronische pijn en mentale klachten kunnen hun weerslag hebben op de energiehuishouding. [derde belanghebbende] had op dat moment duidelijke slaapproblemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht daarom een urenbeperking aangewezen voor 6 uur per dag en 30 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML, geldend op 11 november 2022, beperkingen aangenomen voor de onderdelen ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’, ‘fysieke omgevingseisen’, ‘dynamische handelingen’, ‘statische houdingen’ en ‘werktijden’.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 april 2026 gereageerd op het rapport van Khoe van 25 maart 2026. [derde belanghebbende] is initieel uitgevallen in verband met lichamelijke problematiek. Dit wordt bevestigd in medische informatie van 1 juli 2022 van bedrijfsarts Ahmed. Hij spreekt over aspecifieke rugpijn, subacuut, en over RSI bovenarm/schouder. Daarnaast brengt de informatie van Teunisse van 22 maart 2024 (diagnostische) verduidelijking met betrekking tot de wervelinzakkingen, die begin 2022 gediagnosticeerd zijn. Daarbij zijn de brieven van de radioloog, neuroloog en internist bijgevoegd. Daarom staat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat [derde belanghebbende] per 11 november 2022 bekend was met fysieke problemen, die tot functionele beperkingen leidden. Verder volgt uit de informatie van Teunisse van 22 maart 2024 dat op 23 september 2022 gesproken wordt over slapeloosheid dan wel een andere slaapstoornis en dat [derde belanghebbende] zich erg druk maakt en veel stress heeft. De bedrijfsarts ziet op 28 juni 2022 nog een noodzaak voor een urenreductie en adviseert om gefaseerd en stapsgewijs de duurbelastbaarheid uit te breiden.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van [derde belanghebbende] per 11 november 2022. Die conclusies zijn voldoende gemotiveerd. In het bijzonder heeft de verzekeringsarts inzichtelijk gemotiveerd waarom hij een urenbeperking in de situatie van [derde belanghebbende] aangewezen acht. Het UWV heeft dan ook kunnen uitgaan van de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML, geldend op 11 november 2022.
4.6.
Aan de hand van de FML, geldend op 11 november 2022, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de theoretische verdiencapaciteit van [derde belanghebbende] per 11 november 2022 vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) geselecteerd en geconcludeerd dat [derde belanghebbende] op 11 november 2022 niet in staat is om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Functies met een hogere verdiencapaciteit konden niet worden geduid, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Hij wijst daarbij op de medische urenbeperking, het feit dat [derde belanghebbende] de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en het feit dat [derde belanghebbende] niet voldoet aan de voor de functies benodigde opleidingseisen of beroepservaring. Daarnaast wijst de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het bijzonder op de aangenomen beperkingen ten aanzien van het beroepsmatig vervoer en klantcontact en de beperkingen ten aanzien van duwen en trekken, tillen en staan tijdens werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt tot de slotsom dat er geen functies zijn te duiden die leiden tot een lager arbeidsongeschiktheidspercentage.
4.7.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 31 maart 2026 het (fictieve) resultaat functiebeoordeling met daarin een overzicht van de functiebelastingen en selectiegegevens van alle niet-eindgeselecteerde functies overgelegd. Tevens betreft het een overzicht van alle opleidings- en ervaringseisen van de niet-eindgeselecteerde functies. In zijn aanvullende rapport van 31 maart 2026 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep navolgbaar toegelicht waarom bij [derde belanghebbende] geen sprake is van de situatie dat met een combinatie van opleiding en werkervaring aan het gevraagde opleidingsniveau van de functies kan worden voldaan. [derde belanghebbende] heeft in Syrië enkel basisonderwijs gevolgd en een lascertificaat gehaald. Dit certificaat verhoogt het opleidingsniveau niet. De combinatie met zijn werkervaring als lasser is dat evenmin, zeker niet naar VMBO-niveau dat voor de meeste functies geldt die op basis van het niet voldoen aan de opleidings- en ervaringseisen zijn verworpen. Een VMBO-niveau wil namelijk zeggen dat iemand een volledige VMBO-opleiding moet hebben doorlopen, zonder een diploma te hebben verworven. Een lascertificaat is daar niet onder te scharen. Ook kan niet worden gesteld dat [derde belanghebbende] op basis van zijn werkervaring een VMBO-niveau heeft. Daarnaast geldt voor het absolute merendeel van de CBBS-functies waarvoor VMBO-niveau geldt, dat de werkgever verwacht dat de functionaris de Nederlandse taal beheerst op het niveau van de functie. [derde belanghebbende] is de Nederlandse taal op dit niveau echter niet machtig, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wijst er verder op dat uit het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat onder mondelinge beheersing van de Nederlandse taal wordt verstaan, het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voor zover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs vereist is. Bij functies met hogere opleidingseisen, moet nader worden onderzocht in hoeverre hiervoor een beroep wordt gedaan op Nederlandse taalvaardigheden. Een vertaalapp kan in bepaalde gevallen een optie zijn. In de functies die zijn verworpen vanwege het niet beheersen van de Nederlandse taal, is kennis van de Nederlandse taal echter onontbeerlijk en biedt het gebruik van een vertaalapp geen uitkomst. Bij het niet beheersen van de Nederlandse taal, kunnen deze functies onmogelijk worden uitgevoerd, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is (in beroep) toereikend gemotiveerd dat [derde belanghebbende] met het vervullen van de geduide voorbeeldfuncties minder dan 65% van zijn laatste loon kan verdienen. Het UWV heeft de ZW-uitkering van [derde belanghebbende] per 11 november 2022 terecht ongewijzigd voortgezet.
De WIA-beoordeling
4.9.
De rechtbank stelt allereerst vast, zoals hiervoor is geoordeeld, [derde belanghebbende] doorlopend recht had op een ZW-uitkering en hij gedurende 104 weken arbeidsongeschikt is geweest voor zijn arbeid. [derde belanghebbende] heeft de wachttijd dus volgemaakt.
4.10.
Ter beoordeling ligt vervolgens voor of het UWV [derde belanghebbende] terecht per
11 oktober 2023 in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,03%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] B.V.
4.11.
Het betoog van [eiseres] B.V. komt er in de kern op neer dat zij het niet eens is met de medische beoordeling van het UWV, omdat [derde belanghebbende] minder beperkt is dan het UWV heeft aangenomen.
4.12.
De belastbaarheid van [derde belanghebbende] op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.13.
De primaire arts heeft aangenomen dat [derde belanghebbende] bekend is met aspecifieke, chronische rugpijn, knieklachten (rechts), pijn in de bovenste extremiteit (schouder rechts), osteoporose en een depressieve episode. Aangenomen is dat [derde belanghebbende] is uitgevallen met lichamelijk klachten. Hij heeft fysiotherapie gehad, waarop de klachten niet zijn verbeterd. Ook zijn psychische klachten opgekomen en hiervoor is een traject bij de psycholoog gestart. Een duidelijke diagnose is nog niet verkregen. De door [derde belanghebbende] ervaren belemmeringen in het verrichten van zwaar, fysiek werk, past bij de ziektebeelden. De primaire arts acht de klachten plausibel en consistent met het dagverhaal en de gevolgde therapie. Vanwege de lichamelijke beperkingen is [derde belanghebbende] beperkt voor zwaar duwen en trekken, tillen en dragen. Ook moet hij ontzien worden voor het dragen van zware beschermende kleding en grove trillingen op schouders, rug en knieën. [derde belanghebbende] is voorts beperkt op langdurig traplopen, lopen, staan en zitten. Dit alles dient afwisselend plaats te vinden. Vanwege de schouderklachten acht de primaire arts [derde belanghebbende] beperkt voor het langdurig boven schouderhoogte actief zijn. Vanwege de psychische klachten is [derde belanghebbende] beperkt voor het hanteren van een hoog handelingstempo, het hanteren van emoties van anderen, het hanteren van conflicten en het voeren van intensieve, langdurige gesprekken. Daarnaast is [derde belanghebbende] beperkt voor beroepsmatig vervoer vanwege de medicatie en de bijwerkingen. Vanwege de stressfactoren is [derde belanghebbende] beperkt voor leidinggeven. Ook is hij beperkt voor nachtdiensten en onregelmatige diensten. De primaire arts heeft in de FML beperkingen opgenomen voor de onderdelen ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’, ‘fysieke omgevingseisen’, ‘dynamische handelingen’, ‘statische houdingen’ en ‘werktijden’.
4.14.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 april 2024 overtuigend gemotiveerd waarom de conclusie van de verzekeringsarts over de belastbaarheid van [derde belanghebbende] grotendeels in stand kan blijven, maar ook waarom wel aanleiding is om de FML op onderdelen aan te vullen en [derde belanghebbende] verdergaand beperkt te achten. In dit verband heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep acht geslagen op onder meer de medische informatie van Alsality en Teunisse. Alsality spreekt in diagnostische zin van een (ernstige) depressieve stoornis, PTSS en psychosociale problemen en dat de begeleiding in januari 2024 is gestart. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat daarom rekening gehouden moet worden met potentieel stresserende omstandigheden die veelvuldige deadlines opleveren. Vanwege het medicatiegebruik, met name mirtazepine, moet rekening worden gehouden met een verminderd reactievermogen bij risicovolle arbeidsomstandigheden. Daarnaast acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep [derde belanghebbende] verdergaand beperkt voor conflicthantering. Vanuit zowel energetisch oogpunt als vanuit een verminderde beschikbaarheid, is er reden om een tijdelijke urenbeperking aan te nemen. Zowel de pijnklachten als de psychische klachten hebben duidelijk hun weerslag op de energiehuishouding van [derde belanghebbende]. Ook zijn er slaapproblemen en ondergaat [derde belanghebbende] een psychologische behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de informatie van Teunisse benadrukt dat sprake is van osteoporotische inzakkingsfracturen van twee thoracale wervels.
Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vormt dit reden om [derde belanghebbende] aanvullend beperkt te achten voor buigen en frequent buigen tijdens werk.
4.15.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapporten van 20 februari 2025 en februari 2025 en 29 juli 2025 ingegaan op wat [eiseres] B.V. in beroep, onder verwijzing naar de rapporten van Khoe van 27 december 2024 en 23 mei 2025 heeft aangevoerd, voor zover dat ziet op de WIA-beoordeling op datum in geding 11 oktober 2023. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er geen aanknopingspunten te vinden in de medische gegevens van onder meer Teunisse en Alsality dat pas na de datum in geding sprake was van een evidente verslechtering van het psychisch toestandsbeeld van [derde belanghebbende]
4.16.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit de medische informatie die in het dossier zit, blijkt de rechtbank niet van aanwijzingen dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hadden van de medische situatie van [derde belanghebbende] of een verkeerde inschatting hebben gemaakt van zijn belastbaarheid op de datum in geding. Evenmin anderszins is gebleken dat de medische situatie van [derde belanghebbende] op de datum in geding verkeerd is beoordeeld. Dit alles betekent dat de rechtbank vindt dat het UWV mocht uitgaan van de juistheid van de medische rapporten en de daarbij behorende FML.
4.17.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor [derde belanghebbende] de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen, vruchten) (SBC-code 111010) geselecteerd. Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat [derde belanghebbende] in staat is om deze aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 april 2024 heeft hij naar het oordeel van de rechtbank navolgbaar gemotiveerd dat in deze functies de beperkte belastbaarheid van [derde belanghebbende] niet wordt overschreden op de datum in geding. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [derde belanghebbende] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [derde belanghebbende] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in dit verband in het bijzonder ingegaan op de beperkingen van [derde belanghebbende] voor het hanteren van emotionele problemen van anderen, het handelingstempo, het verhoogd persoonlijk risico, het dragen van zware, beschermende middelen, het buigen, het tillen van lichte voorwerpen, het reiken, het gebogen of getordeerd actief zijn, het boven schouderhoogte actief zijn en de werktijden. Indien noodzakelijk, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op specifieke signaleringen overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en geconcludeerd dat er op deze punten geen medische bezwaren zijn.
4.18.
Het voorgaande betekent dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van [derde belanghebbende] per 11 november 2023 terecht heeft vastgesteld op 57,03%.

Conclusie en gevolgen

5. Uit 4.8 volgt dat het UWV in beroep een gebrek aan het bestreden besluit heeft hersteld. Aannemelijk is dat [eiseres] B.V. hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [4] zal de schending worden gepasseerd en wordt het bestreden besluit in stand gelaten.
5.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] B.V. geen gelijk krijgt. Het UWV heeft de ZW-uitkering van [derde belanghebbende] per 11 november 2022 terecht voortgezet en is bij de toekenning van de WIA-uitkering aan [derde belanghebbende] per 11 november 2023 terecht uitgegaan van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 57,03%.
5.2.
In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van [eiseres] B.V. in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).
5.3.
[eiseres] B.V. heeft Khoe ingeschakeld als verzekeringsarts. Ook de kosten daarvan komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij om de in beroep opgestelde medische rapporten van 27 december 2024 (tijdsbesteding 5,5 uur), 23 mei 2025 (tijdsbesteding 3 uur) en 25 maart 2026 (tijdsbesteding 4 uur). De vergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Daarbij geldt een maximaal uurtarief van
€ 154,50 in 2024, € 162,63 in 2025 en € 184,42 in 2026. De kosten voor de rapporten van Khoe komen daarom tot een bedrag van in totaal € 2.075,32. Inclusief btw is de vergoeding € 2.511,14.
5.4.
Het totale bedrag aan voor vergoeding door het UWV in aanmerking komende proceskosten bedraagt dan € 934,- plus € 2.511,14 = € 3.445,14. Ook moet het UWV aan [eiseres] B.V. het betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van [eiseres] B.V. tot een bedrag van
€ 3.445,14;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 371,- aan [eiseres] B.V. vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ziektewet.
2.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
3.Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
4.Algemene wet bestuursrecht.