ECLI:NL:RBOVE:2026:3995

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_2127
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 OwArt. 16.32 OwArt. 7:1 AwbArt. 6:15 AwbArt. 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing ingebrekestelling niet tijdig beslissen op bezwaar omgevingsverordening

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanpassing van de Omgevingsverordening Overijssel, maar het college heeft het bezwaar doorgestuurd naar de rechtbank omdat tegen het besluit tot aanpassing alleen beroep openstaat. Eiser stelde het college vervolgens in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en vorderde een dwangsom.

Het college wees de ingebrekestelling af omdat het niet bevoegd was om op het bezwaar te beslissen. De rechtbank oordeelt dat het college terecht het bezwaar als beroepschrift heeft doorgestuurd en daardoor niet in verzuim was. De ingebrekestelling mist toepassing en het beroep van eiser is ongegrond.

De rechtbank merkt op dat het beroep tegen het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening onder een ander zaaknummer loopt en dat zij zich daarover zal uitlaten. In deze zaak gaat het uitsluitend om het beroep tegen de afwijzing van de ingebrekestelling. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de ingebrekestelling is ongegrond verklaard omdat het college niet in verzuim was.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2127

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser]
en

het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel,

hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3])

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen het besluit van het college om zijn ingebrekestelling betreffende het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en het verzoek tot het vaststellen van de verbeurde dwangsom, af te wijzen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de ingebrekestelling terecht heeft afgewezen. Omdat [eiser] geen bezwaar kon maken tegen het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening, heeft het college voldaan aan zijn wettelijke verplichting door het bezwaarschrift van [eiser] als een beroepschrift aan de rechtbank door te sturen. Het college heeft geen bestuurlijke dwangsom verbeurd. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 23 oktober 2024 hebben Provinciale Staten van Overijssel (hierna: provinciale staten) besloten tot aanpassing van de Omgevingsverordening Overijssel instructieregels zonnevelden en windenergie 2024 (hierna: de omgevingsverordening).
2.1.
Op 1 december 2024 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de aanpassing van de omgevingsverordening.
2.2.
Met de brief van 6 februari 2025 heeft het college [eiser] geïnformeerd dat het het bezwaar tegen de aanpassing van de omgevingsverordening aan de rechtbank Overijssel heeft doorgestuurd om als beroepschrift te behandelen.
2.3.
[eiser] heeft de provincie op 12 maart 2025 in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar gericht tegen de aanpassing van de omgevingsverordening.
2.4.
Het college heeft op 25 maart 2025 per e-mail aan [eiser] laten weten dat het de ingebrekestelling aan [eiser] terugstuurt omdat het niet bevoegd is op het bezwaar tegen de aanpassing van de omgevingsverordening te beslissen. Volgens het college staat tegen het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening alleen beroep open.
2.5.
Op 15 april 2025 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de weigering om op zijn ingebrekestelling te beslissen.
2.6.
Het college heeft met het bestreden besluit van 11 juni 2025 het bezwaar tegen de afwijzing van de ingebrekestelling gegrond verklaard, de ingebrekestelling afgewezen en besloten dat het geen wettelijke dwangsom aan [eiser] verschuldigd is.
2.7.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.8.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.
2.10.
Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank op 8 juni 2026 een e-mailbericht ontvangen van het college met een bekrachtigingsbesluit van provinciale staten van 3 juni 2026. Op grond van artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (het Procesreglement) blijven stukken die na de sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd zijn ingediend, buiten beschouwing. Een uitzondering geldt voor stukken die aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet in de na de zitting ongevraagd ontvangen stukken, zonder bijgaand verzoek om het onderzoek te heropenen, geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal deze daarom buiten beschouwing laten. Ingevolge artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement blijven de buiten beschouwing gelaten stukken wel in het dossier opgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De standpunten van partijen
3. [eiser] voert (samengevat) aan dat het college heeft verzuimd tijdig op zijn bezwaar tegen de aanpassing van de omgevingsverordening te beslissen. Volgens [eiser] had het college uiterlijk op 26 februari 2025 op zijn bezwaar moeten beslissen omdat het college deze termijn zelf in een verdagingsbericht van 15 januari 2025 aan [eiser] heeft gesteld. Omdat deze termijn niet is gehaald, meent [eiser] dat het college in verzuim is om tijdig op zijn bezwaar te beslissen en heeft hij de maximale dwangsom verbeurd. [eiser] kan zich daarom niet verenigen met het standpunt van het college dat het geen dwangsom verschuldigd is en daarom zijn ingebrekestelling is afgewezen.
3.1.
Volgens het college is het besluit van 23 oktober 2024 tot aanpassing van de omgevingsverordening voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [eiser] kon geen bezwaar maken tegen het besluit om de omgevingsverordening te wijzigen, omdat tegen dit besluit alleen (direct) beroep openstaat bij de bestuursrechter. Het college heeft daarom op 6 februari 2025 het bezwaar van [eiser] tegen de aanpassing van de omgevingsverordening aan de rechtbank Overijssel doorgestuurd om als een beroepschrift te behandelen. Het college heeft met het besluit van 11 juni 2025 de ingebrekestelling afgewezen omdat het van mening is dat het niet bevoegd is om een besluit te nemen op het bezwaarschrift van [eiser].
De overwegingen van de rechtbank
4. De rechtbank overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] geen bezwaar kan maken tegen het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening. Het college was dan ook niet in verzuim om op het bezwaar van 1 december 2024 te beslissen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Op grond van artikel 2.6 van de Omgevingswet (Ow) stellen provinciale staten één omgevingsverordening vast. Op grond van artikel 16.32 van de Ow is op de voorbereiding van een omgevingsverordening afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet tegen een besluit eerst bezwaar worden gemaakt voordat beroep bij een bestuursrechter wordt ingesteld, behalve als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.
4.2.
De rechtbank overweegt dat het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Het college heeft op 16 januari 2024 het ontwerp van de ‘Aanpassing Omgevingsverordening Overijssel – instructieregel zonnevelden 2024’ vastgesteld. Het ontwerp heeft van 18 januari 2024 tot en met 28 februari 2024 ter inzage gelegen. Met het besluit van 23 oktober 2024 hebben provinciale staten besloten tot aanpassing van de omgevingsverordening. Zoals het college terecht heeft aangevoerd staat tegen dit besluit geen bezwaar open. [1]
4.3.
Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, wordt een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde bestuursrechter, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
4.4.
Met de brief van 6 februari 2025 heeft het college [eiser] geïnformeerd dat het het bezwaarschrift heeft doorgestuurd aan de rechtbank Overijssel omdat de brief van 1 december 2024 als een beroepschrift aangemerkt moet worden. Het college heeft daarbij toegelicht dat het doorsturen niet binnen een kortere termijn is gebeurd omdat het over het hoofd had gezien, dat het niet bevoegd is om op het bezwaar te beslissen.
4.5.
Op 12 maart 2025 heeft [eiser] het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar van 1 december 2024. Vóórdat [eiser] het college in gebreke heeft gesteld, heeft het onderkend dat het bezwaarschrift als beroepschrift doorgestuurd moest worden. Het college heeft zodoende voldaan aan zijn wettelijke verplichting uit artikel 6:15 van Pro de Awb.
4.6.
Op het moment dat het college de ingebrekestelling ontving, was er geen sprake van een verzoek van [eiser] waar het college op moest beslissen. Dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, uit de verdagingsbeslissing van 15 januari 2025 is af te leiden dat het college op zijn bezwaar zou beslissen, doet aan dat oordeel niet af. Het college heeft tijdig aan zijn verplichting op grond van artikel 6:15 Awb Pro voldaan door het bezwaarschrift als beroepschrift aan de rechtbank door te sturen. Omdat het college daardoor niet in verzuim is, mist de ingebrekestelling toepassing. Het beroep kan niet slagen.
4.7.
De rechtbank merkt op dat zij het beroep van [eiser] tegen het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening heeft geregistreerd onder het zaaknummer
ZWO 25/810. De rechtbank zal zich in die zaak uitlaten over de vraag of het besluit tot aanpassing van de omgevingsverordening een appellabel besluit is en de bestuursrechter bevoegd is om op het beroep te beslissen. De rechtbank komt in deze zaak niet aan die vraag toe omdat het in deze zaak gaat om het beroep dat [eiser] heeft ingesteld tegen de afwijzing van de ingebrekestelling.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Awb.