ECLI:NL:RBOVE:2026:3999

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2602530:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FaillissementswetArt. 288 lid 1 onder c FaillissementswetArt. 292 lid 3 FaillissementswetArt. 361 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens niet verschijnen

De verzoeker heeft bij de rechtbank Overijssel verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling, met een verzoek om een eerdere ingangsdatum van de regeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op zittingen van 13 april en 11 mei 2026. De verzoeker is echter bij beide zittingen niet verschenen, ondanks oproepingen en waarschuwingen over de gevolgen van niet verschijnen.

De beschermingsbewindvoerder was wel aanwezig en verklaarde dat hij de verzoeker had verwacht en hem had geadviseerd contact op te nemen met de rechtbank. De verzoeker gaf telefonisch aan dat hij vanwege ziekte van zijn kinderen niet kon verschijnen. De rechtbank concludeert dat de verzoeker bewust heeft gekozen niet te verschijnen en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest met betrekking tot zijn schuldenlast en de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.

Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c van de Faillissementswet. De verzoeker heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof, mits dit wordt gedaan door een advocaat.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet verschijnen en het niet aannemelijk maken van goede trouw.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2602530:R-RK
Vonnis van 26 mei 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek af.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 13 april 2026 en 11 mei 2026, waarbij aanwezig was:
- de heer [beschermingsbewindvoerder] ([beschermingsbewindvoerder]) h.o.d.n. [bedrijf], beschermingsbewindvoerder.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3.De beoordeling

3.1.
[verzoeker] is bij brief van 6 februari 2026 opgeroepen om ter zitting van 13 april 2026 om 10:30 uur te verschijnen voor de behandeling van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering). [verzoeker] is niet verschenen. [beschermingsbewindvoerder] is wel verschenen en heeft verklaard dat hij [verzoeker] wel had verwacht en dat hij hem zal adviseren om zelf contact op te nemen met de rechtbank.
3.2.
Op 13 april 2026 heeft [verzoeker] telefonisch contact opgenomen met de griffie van de rechtbank en verklaard dat hij onverwachts met zijn zoontje naar het ziekenhuis moest en daarom niet ter zitting kon verschijnen.
3.3.
Bij brief van 14 april 2026 is [verzoeker] opnieuw opgeroepen om te worden gehoord op zijn verzoek schuldsanering. Dit keer ter zitting van 11 mei 2026 om 10:30 uur.
3.4.
Ter zitting van 11 mei 2026 is [verzoeker] wederom niet verschenen. [beschermingsbewindvoerder] heeft ter zitting verklaard dat hij [verzoeker] ’s ochtends nog een berichtje had gestuurd, maar geen reactie had ontvangen. Na de zitting is gebleken dat [verzoeker] telefonisch contact heeft opgenomen met de griffie van de rechtbank en heeft laten weten niet ter zitting te kunnen verschijnen in verband met twee zieke kinderen.
3.5.
De rechtbank concludeert op grond van vorenstaande dat [verzoeker] er kennelijk tot twee keer toe bewust voor heeft gekozen niet ter zitting te verschijnen, althans dat hij ervoor heeft gekozen om bij zijn kinderen te blijven in plaats van zijn kinderen bij zijn partner c.q. de moeder van zijn kinderen te laten. Zowel in de oproepingsbrieven als tijdens het telefonisch contact met de griffier op 13 april 2026 is [verzoeker] gewezen op de mogelijke gevolgen indien hij niet ter zitting zou verschijnen. De rechtbank ziet geen aanleiding om [verzoeker] voor een derde keer op te roepen en zal op het verzoek beslissen zonder [verzoeker] daarover te hebben gehoord.
3.6.
De rechtbank concludeert dat [verzoeker] door niet ter zitting te verschijnen om een toelichting te geven op zijn verzoek niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuldenlast in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek schuldsanering. Ook heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichten naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de nakoming van de verplichtingen concludeert de rechtbank dat [verzoeker] door niet ter zitting te verschijnen nu reeds de inlichtingenplicht heeft geschonden.
3.7.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c Faillissementswet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. D. van den Berg, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 26 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .