ECLI:NL:RBOVE:2026:3999
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens niet verschijnen
De verzoeker heeft bij de rechtbank Overijssel verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling, met een verzoek om een eerdere ingangsdatum van de regeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op zittingen van 13 april en 11 mei 2026. De verzoeker is echter bij beide zittingen niet verschenen, ondanks oproepingen en waarschuwingen over de gevolgen van niet verschijnen.
De beschermingsbewindvoerder was wel aanwezig en verklaarde dat hij de verzoeker had verwacht en hem had geadviseerd contact op te nemen met de rechtbank. De verzoeker gaf telefonisch aan dat hij vanwege ziekte van zijn kinderen niet kon verschijnen. De rechtbank concludeert dat de verzoeker bewust heeft gekozen niet te verschijnen en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest met betrekking tot zijn schuldenlast en de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.
Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c van de Faillissementswet. De verzoeker heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof, mits dit wordt gedaan door een advocaat.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet verschijnen en het niet aannemelijk maken van goede trouw.