ECLI:NL:RBOVE:2026:4000

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2602773:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 1 sub c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw en onvoldoende nakoming verplichtingen

De verzoeker heeft een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een schuldenlast van ruim €32.699,01, ontstaan tussen 2023 en 2025. Hij gaf aan in financiële problemen te zijn gekomen door gebrek aan overzicht en prioriteiten, en is sinds april 2025 onder beschermingsbewind gesteld. De verzoeker is ziek uit dienst gegaan en wacht op een WIA-beoordeling.

Tijdens de zitting verklaarde de verzoeker dat hij mogelijk autisme en ADHD heeft, maar dit is niet officieel vastgesteld. Hij gaf toe dat hij geleend geld onder andere aan vakanties heeft besteed en dat hij naast zijn weekgeld extra inkomsten ontving door de verkoop van platen met piratenmuziek. Ondanks waarschuwingen van de beschermingsbewindvoerder gaf hij aan deze inkomsten te gebruiken voor eigen levensonderhoud.

De rechtbank oordeelde dat de verzoeker niet te goeder trouw was geweest in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, omdat hij inkomsten niet aan schuldeisers heeft afgedragen. Ook achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat de verzoeker zich aan de verplichtingen van de Wsnp zal houden, gezien zijn gedrag en het negeren van adviezen. Daarom wees de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c van de Faillissementswet.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid dat de verzoeker aan de verplichtingen zal voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2602773:R-RK
Vonnis van maandag 8 juni 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek af.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van dinsdag 26 mei 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker];
- mevrouw [beschermingsbewindvoerder], beschermingsbewindvoerder namens Stadsbank Oost Nederland.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.
2.2.
Volgens het verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast van [verzoeker]
€ 32.699,01, waaronder de volgende schulden:
- Rabobank ad € 6.168,35, (25 oktober 2024);
- ABN AMRO Bank € 1.470,89 (1 juli 2024);
- Qander Consumer Finance € 13.961,54 (11 februari 2025);
- Saldodipje € 1.721,96 (1 juni 2023);
- Bondora SA € 3.208,60 (15 augustus 2024).
2.3.
Met uitzondering van de schuld aan DUO (€ 50,78 uit 2017) zijn alle schulden ontstaan in de periode tussen juni 2023 en oktober 2025.
2.4.
Volgens [verzoeker] is hij in de schulden gekomen doordat hij geen prioriteiten kan stellen en geen overzicht heeft in zijn financiën. Hij is leningen aangegaan om gaten te vullen en daarnaast heeft hij automatische incasso’s gestorneerd. Om toekomstige problemen te voorkomen heeft [verzoeker] zich sinds 25 april 2025 vrijwillig onder beschermingsbewind laten stellen.
2.5.
[verzoeker] is na twee jaar ziekte in oktober 2025 ziek uit dienst gegaan en ontvangt op dit moment een voorschot op een WIA-uitkering. De daadwerkelijke beoordeling door het UWV moet nog plaatsvinden.
De verklaring ter zitting
2.6.
[verzoeker] heeft verklaard dat hij overspannen is geraakt bij zijn vorige werkgever en dat hij via zijn huisarts is verwezen naar Dimence waar hij is getest
op autisme en ADHD. Uit het onderzoek is gebleken dat hij het mogelijk is dat hij autisme en/of ADHD heeft, maar het is niet officieel vastgesteld. Het traject bij Dimence is afgerond en hij staat niet meer onder behandeling en ontvangt ook geen medicatie.
2.7.
Het geld dat [verzoeker] via Qander heeft geleend heeft hij onder andere uitgegeven aan vakanties. In 2024 is het volgens [verzoeker] allemaal begonnen en is hij meer geld gaan uitgeven dan dat er binnen kwam.
2.8.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde bankafschriften blijkt dat [verzoeker] veel tikkies ontvangt. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.156,95 dat hij in vier maanden tijd heeft ontvangen naast zijn weekgeld. Volgens [verzoeker] verkoopt hij platen met piratenmuziek. De opbrengst van deze platen heeft hij gebruikt om van te leven.
2.9.
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat zij [verzoeker] meerdere keren er op heeft gewezen dat dit niet kan. Door deze extra inkomsten heeft hij ook geen recht op bijzondere bijstand of een aanvullende Pw-uitkering. Zij kan het echter niet tegengaan en laat de verantwoordelijkheid bij [verzoeker].
2.10.
[verzoeker] heeft verklaard niets met de waarschuwingen van de beschermingsbewindvoerder te hebben gedaan omdat hij een zekere controle wilde houden over zijn inkomen.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schuldenlast in de drie jaar voor de indiening van het verzoek schuldsanering. [verzoeker] heeft verklaard dat hij platen heeft verkocht en de opbrengst hiervan heeft gebruikt om van te leven, in plaats van de opbrengst af te dragen en te sparen voor zijn schuldeisers. Hij is hiermee doorgegaan, ondanks dat hij meerdere keren door de beschermingsbewindvoerder is gewezen op de gevolgen. De rechtbank heeft enkel zicht op de bankafschriften over de periode van 25 september 2025 tot en met 21 januari 2026, maar sluit niet dat het totale bedrag dat [verzoeker] heeft verdiend met de verkoop van de platen nog veel hoger is en ook na januari 2026 nog is doorgegaan. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] het ontstaan van de schulden en met name de drang tot overbesteding niet onder controle heeft. Dat hij zich onder beschermingsbewind heeft laten stellen is wellicht een eerste stap, maar is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende.
3.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te vergaren. Ondanks dat de beschermingsbewindvoerder [verzoeker] heeft gewezen op zijn verplichtingen en het feit dat hij de gelden die hij verdient met de verkoop van zijn platen niet zelf kan behouden, kiest [verzoeker] ervoor om de ontvangen gelden uit te geven. Dit getuigt niet van een saneringsgezinde houding en hij wekt hiermee ook niet de indruk dat hij zich wel aan de instructies van de Wsnp-bewindvoerder zal houden.
3.3.
Gelet op vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c Fw.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. J.A.M. Egberink, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]