ECLI:NL:RBOVE:2026:4001

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C 08/26/1024 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub e FwArt. 350 lid 3 sub f FwArt. 350 lid 5 FwArt. 351 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet-naleving inlichtingenplicht en benadeling schuldeisers

De rechtbank Overijssel heeft op 8 juni 2026 uitspraak gedaan over de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van een schuldenaar die in februari 2026 onder de regeling viel.

Tijdens de regeling kwam aan het licht dat de schuldenaar in de periode juni tot augustus 2025 een erfenis van €12.760,- ontving, die volledig werd uitgegeven aan persoonlijke uitgaven en giften aan zijn kinderen, zonder iets te reserveren voor schuldeisers. Dit werd niet gemeld aan de rechtbank of schuldeisers, wat een ernstige schending van de inlichtingenplicht vormt.

De rechter-commissaris heeft de regeling daarom voorgedragen voor tussentijdse beëindiging. De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar zijn schuldeisers ernstig heeft benadeeld door het bedrag niet aan te bieden of te reserveren. Ondanks de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar, waaronder ernstige gezondheidsproblemen, weegt dit niet op tegen de belangen van de schuldeisers.

De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub Pro c, e en f van de Faillissementswet. Tevens wordt de vergoeding en het salaris van de bewindvoerder vastgesteld en wordt bepaald dat een eventueel restant-actief informeel onder de schuldeisers wordt verdeeld.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens ernstige schending van de inlichtingenplicht en benadeling van schuldeisers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
insolventienummer: C 08/26/1024 R
uitspraakdatum: 8 juni 2026

tussentijdse beëindiging schuldsanering

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer van voor burgerlijke zaken, in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verder [verzoeker] te noemen.
In deze zaak is mevrouw [bewindvoerder], kantoorhoudende te [kantoorplaats], tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

Op 9 februari 2026 is de schuldsaneringsregeling op [verzoeker] van toepassing verklaard.
Op 23 maart 2026 heeft de rechter-commissaris de schuldregeling van [verzoeker] voorgedragen voor tussentijdse beëindiging.
De voordracht is behandeld ter zitting van 26 mei 2026, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. [verzoeker] en de bewindvoerder zijn ter zitting verschenen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten
De voordracht van de rechter-commissaris wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
Aanleiding voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging is het bericht van de bewindvoerder dat in de periode van juni 2025 tot en met augustus 2025 diverse bijschrijvingen van telkens € 1.000,- hebben plaatsgevonden op de bankrekening van [verzoeker] en dat [verzoeker] desgevraagd heeft verklaard dat het om bijschrijvingen uit de nalatenschap van zijn moeder gaat. Uit de aanslag erfbelasting van 17 september 2025 blijkt dat de moeder van [verzoeker] op [overlijdensdatum] 2025 is overleden en dat [verzoeker] in totaal een bedrag van € 12.760,- heeft ontvangen. Het gehele bedrag is uitgegeven en er is niets gereserveerd voor de schuldeisers. Op 12 augustus 2025 heeft [verzoeker] een overeenkomst tot schuldregeling getekend met de Stadsbank Oost Nederland (Stadsbank).
De rechter-commissaris is van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet eindigen, omdat hij van oordeel is dat het verzoek schuldsanering niet zou zijn toegewezen als de rechtbank tijdens de indiening en behandeling van het verzoek op de hoogte was geweest van het feit dat [verzoeker] € 12.760,- aan zichzelf en zijn kinderen ten goede heeft laten komen, in plaats van aan de schuldeisers.
Van [verzoeker] had mogen worden verwacht dat hij het bedrag had gereserveerd en betrokken in het aanbod aan zijn schuldeisers. Als dat aanbod niet door alle schuldeisers was geaccepteerd, had het moeten worden gereserveerd voor een eventuele toepassing van de schuldsaneringsregeling. Door het bedrag niet aan te bieden of te reserveren heeft [verzoeker] zijn schuldeisers in ernstige mate benadeeld. Ook heeft [verzoeker] de inlichtingenplicht in ernstige mate geschonden, door de schuldeisers en de rechtbank in de periode voor de toepassing van de schuldsanering niet te informeren over de uitkering uit de nalatenschap.
De rechter-commissaris is van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub Pro c, e en f Faillissementswet (Fw).
De behandeling ter zitting
[verzoeker] heeft verklaard dat hij op 9 januari 2024 is getroffen door meerdere hartinfarcten en dat hij als gevolg hiervan zwaar hartpatiënt is. Voordat hij ziek werd werkte hij fulltime en was hij altijd bezig. Van zich nuttig en voldaan voelen zit hij nu hele dagen binnen. Het geld dat hij uit de nalatenschap van zijn moeder heeft ontvangen heeft hij gebruikt om van te leven en van het leven te genieten. Hij is op vakantie gegaan naar Frankrijk, heeft daar een auto voor gehuurd en als dank voor haar goede zorgen heeft hij een goede vriendin meegenomen. Verder is [verzoeker] een paar keer uit eten geweest, heeft zijn twee kinderen elk € 1.500,- gegeven en heeft hij nieuwe kleding gekocht. Daarnaast is hij iets ruimer gaan leven en heeft hij het casino bezocht.
[verzoeker] heeft verklaard niet te hebben gehandeld uit onwil of met het idee iemand te benadelen. Hij zat emotioneel gezien op een dieptepunt in zijn leven en hij heeft gehandeld vanuit verdriet en uitputting en het gevoel nog iets van het leven te willen maken. Inmiddels beseft [verzoeker] dat het fout is geweest, maar hij hoopt dat deze omstandigheden worden meegewogen in de beslissing. Desondanks kan hij zich voorstellen dat het schuldsaneringstraject stopt.
De motivering van de beslissing:
De rechtbank is van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank concludeert dat [verzoeker] in delen van € 1.000,- een erfenis heeft ontvangen en telkens wanneer het geld werd bijgeschreven heeft besloten om het geld uit te geven aan andere dingen dan ter aflossing van zijn schulden. Nadat al het geld op was heeft hij zich bij de Stadsbank gemeld en verzocht om hulp bij zijn financiële situatie. Indien de rechtbank ten tijde van het verzoek op de hoogte was geweest van deze gang van zaken dan zou [verzoeker] naar het oordeel van deze rechtbank niet zijn toegelaten.
De rechtbank heeft geluisterd naar de verklaring van [verzoeker] en begrip voor de situatie waarin hij zich bevond, maar dit maakt het oordeel niet anders. Volgens het verzoekschrift had [verzoeker] een totale schuldenlast van € 23.362,91. De rechtbank is van oordeel dat van [verzoeker] verwacht had mogen worden dat hij de erfenis, althans ten minste een aanzienlijk deel daarvan, zou hebben gebruikt om een aanbod te doen aan zijn schuldeisers in plaats van het volledige bedrag uit te geven. Door hierover ook geen openheid van zaken te geven ten tijde van het minnelijk traject en de beoordeling van het verzoek schuldsanering, heeft [verzoeker] tevens niet voldaan aan zijn actieve inlichtingenplicht.
De rechtbank zal de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen op grond van artikel 350 lid Pro 3, sub c, e en f Fw.
Gebleken is dat er geen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 vijfde Pro lid Fw niet van toepassing en zal deze schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en het salaris van de bewindvoerder vaststellen als hiernavolgend te bepalen.
Met betrekking tot het na betaling van de boedelkosten en -schulden resterende boedelactief, overweegt de rechtbank dat dit actief, indien aanwezig, door de bewindvoerder informeel onder de bekende schuldeisers zal worden verdeeld.

De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 3.078,03 (inclusief onkosten en omzetbelasting);
- stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het voor salaris beschikbare saldo van € 376,40 (stand 28 mei 2026);
- bepaalt dat de bewindvoerder het restant-actief, indien aanwezig, informeel onder de bekende schuldeisers zal verdelen.
Gewezen door mr. J.A.M. Egberink, lid van genoemde kamer, ter openbare terechtzitting van
8 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak moet kennisnemen. (Art. 351 jo Pro 361 Fw)