ECLI:NL:RBOVE:2026:4004

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
08.219493-25 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 157 SrArt. 57 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot ontploffing en brandstichting met voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf

Op 20 juli 2025 heeft verdachte samen met een ander geprobeerd brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van woningen, waarbij gevaar voor goederen en personen ontstond. De rechtbank acht bewezen dat verdachte open vuur in aanraking bracht met zwaar vuurwerk en brandbare materialen, wat leidde tot brand en schade aan woningen en eigendommen.

Tijdens de zitting op 22 juni 2026 heeft verdachte de feiten bekend en is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank baseert haar oordeel op verklaringen, aangiftes, forensisch onderzoek en foto’s van de schade. De strafbaarheid van de feiten is vastgesteld op grond van artikel 45 en Pro 157 Sr.

De rechtbank houdt rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die nog minderjarig is, en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Verdachte heeft spijt betuigd, heeft geen strafblad en werkt mee aan hulpverlening. Daarom legt de rechtbank een maand voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van één jaar op, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden, en een onvoorwaardelijke werkstraf van 25 uur.

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat verdachte heeft verklaard deze reeds te hebben voldaan in het kader van mediation. De rechtbank bepaalt dat ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 6 juli 2026 door een meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één maand voorwaardelijke jeugddetentie met proeftijd van één jaar en een onvoorwaardelijke werkstraf van 25 uur.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.219493-25 (P)
Datum vonnis: 6 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.De toelichting op dit vonnis

De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welke strafbare feiten [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 22 juni 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman mr. D.P. Poppe, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [aangever 1] gevraagde schadevergoeding.
[verdachte] heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en een brandstichting. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: één maand voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 25 uren met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat [verdachte] de jeugddetentie nu niet hoeft uit te zitten, op voorwaarde dat hij binnen één jaar niet weer een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd. De werkstraf moet [verdachte] wel direct uitvoeren.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat [verdachte] op 20 juli 2025 in [plaats] samen met een ander geprobeerd heeft brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen waardoor goederen in gevaar zijn gebracht (
feit 1) en opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht waardoor personen en/of goederen in gevaar zijn gebracht (
feit 2).
De verdenking luidt voluit:
feit 1hij op of omstreeks 20 juli 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten aan een caravan en/of een of meerdere auto’s (in de directe nabijheid van meerdere woningen) te duchten was, open vuur in aanraking heeft gebracht met (zwaar) vuurwerk, althans explosief materiaal, en/of een daaraan vast getapte spuitbus met brandbare en/of ontvlambare inhoud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2hij op of omstreeks 20 juli 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met (zwaar) vuurwerk, althans explosief materiaal, en/of een daaraan vast getapte fles met brandbare en/of ontvlambare inhoud, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een deel van de woning (waaronder de dakgoot en/of de dakkapel en/of gevel) gelegen aan de [adres 1] en/of een of meerdere afvalcontainers (waaronder een papiercontainer) en/of een schutting van de woning gelegen aan de [adres 2], te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor
[aangever 1] (geboren: [geboortedatum 2]-1984) en/of de andere bewoners van de woning gelegen aan de [adres 1] te duchten was.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [1] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. [verdachte] heeft deze feiten bekend. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsman geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering – met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
feit 1
1. de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van
22 juni 2026;
2. een proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] van 20 juli 2025 (pagina’s 41 en 42), inclusief de als bijlage gevoegde foto’s (pagina 44 tot en met 46);
3. een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ([adres 3] [plaats]) van 30 juli 2025, met proces-verbaalnummer PL0600-2025345051-4;
feit 2
1. de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van
22 juni 2026;
2. een proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] van 20 juli 2025 (pagina’s 47 en 48), inclusief de als bijlagen gevoegde foto’s (pagina’s 49 tot en met 51);
3. een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] van 20 juli 2025 (pagina’s 52 tot en met 54), inclusief de als bijlage gevoegde foto’s (pagina’s 58 tot en met 74);
4. een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ([adres 1] [plaats]) van 23 juli 2025, met proces-verbaalnummer PL0600-2025344986-29, inclusief de als bijlagen gevoegde foto’s.
3.2
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 1hij op 20 juli 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten aan een caravan en een auto te duchten was, open vuur in aanraking heeft gebracht met vuurwerk en een daaraan vast getapete spuitbus met brandbare inhoud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2hij op 20 juli 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur in aanraking te brengen met vuurwerk en/of een daaraan vast getapete fles met brandbare inhoud, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten een deel van de woning (waaronder de dakgoot, de dakkapel en de gevel) gelegen aan de [adres 1], afvalcontainers (waaronder een papiercontainer) en een schutting van de woning gelegen aan de [adres 2], te duchten was en- levensgevaar voor een ander, te weten voor [aangever 1] (geboren: [geboortedatum 2]-1984) en de andere bewoners van de woning gelegen aan de [adres 1], te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 45 en Pro 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De motivering van de straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot één maand voorwaardelijke jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 50 uren met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte], zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
[verdachte] heeft ongeveer een jaar geleden samen met [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]) Thunderkings met tape vastgemaakt aan een spuitbus met roestreiniger en daarnaast aan een fles terpentine. Dat bewerkte vuurwerk hebben ze aangestoken en tussen een caravan en een auto gegooid en in een steeg in de nabijheid van woningen in een papiercontainer. [verdachte] mag van geluk spreken dat de caravan en de auto niet beschadigd zijn geraakt. In de steeg is wel brand ontstaan waardoor afvalcontainers, een schutting en een deel van een woning zijn verbrand. Het ging om een brand die vrij snel kon worden geblust, maar dit had ook anders kunnen aflopen. In zijn algemeenheid kan een brand zich snel verspreiden en een onbeheersbaar karakter krijgen. Brandstichting is dan ook een (potentieel) bijzonder destructief en gevaarzettend feit en kan leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden. Het is gelukkig bij een beperkte brand gebleven maar de bewoners die hun woning hebben moeten ontvluchten in de vroege ochtend, zijn enorm geschrokken en hebben – blijkt ook uit het mediationverslag – tot op de dag van vandaag last van de gebeurtenissen. [verdachte] heeft met zijn deelname aan de brandstichting goederen en mensenlevens in gevaar gebracht.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van 30 april 2026. Hieruit volgt dat [verdachte] niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast het adviesrapport van de Raad van 27 mei 2026 gelezen en geluisterd naar de toelichting die de jeugdreclasseringswerker en de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting hebben gegeven. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] en zijn ouders op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden hebben verteld.
[verdachte], een inmiddels 17-jarige jongen, woont bij zijn moeder, is net klaar met school (havo), wil verder studeren. Hij werkt momenteel fulltime bij een transportbedrijf. Hij heeft op de zitting gezegd dat hij spijt heeft van zijn domme actie, waar hij op dat moment niet goed over had nagedacht. Hij is erg geschrokken van de gevolgen en heeft geleerd van zijn fout. [verdachte] heeft zijn leven behoorlijk goed op orde, maar met het oog op zijn toekomst is de rechtbank van oordeel dat hulp door een instantie als Accare noodzakelijk is. Zo kan [verdachte] door onder andere systeemtherapie, waar ook zijn ouders aan mee zullen moeten werken, zich als persoon, in het bijzonder op emotioneel vlak, in positieve zin verder te ontwikkelen. De Raad adviseert naast een taakstraf in de vorm van een werkstraf een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen, om de kans op nieuwe delicten in de toekomst te verminderen. [verdachte] wil wel meewerken aan de uitvoering van dit advies, maar hij vraagt zich sterk af of hulp van een instantie als Accare nut heeft. De rechtbank is van oordeel dat dit zonder meer in het belang van [verdachte] is.
De strafoplegging
Omdat [verdachte] minderjarig is, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat het inmiddels bijna een jaar geleden is dat [verdachte] zich aan de bewezen verklaarde feiten schuldig heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat het positief is dat [verdachte] heeft gezegd dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan, vier dagen heeft vastgezeten, de schorsingsvoorwaarden en de afspraken met de jeugdreclassering nakomt en zijn schooldiploma heeft gehaald. [verdachte] heeft daarnaast het mediationtraject met de bewoners van de woning die brandschade opliep positief afgerond, wat de rechtbank in strafmatigende zin meeweegt. Hoewel de aard en de ernst van de gepleegde feiten zonder meer onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen, ziet de rechtbank vanwege de persoon van [verdachte] en in het bijzonder ook de stappen die [verdachte] richting de bewoners heeft ondernomen om zijn verantwoordelijkheid te nemen, geen meerwaarde in de oplegging van onvoorwaardelijke jeugddetentie. De feiten die [verdachte] heeft gepleegd zijn naar het oordeel van de rechtbank wel zo erg dat hij de gevolgen van zijn daden moet voelen en dat ook in de richting van andere jongeren duidelijk moet zijn dat dit soort feiten niet wordt getolereerd. De rechtbank acht daarom een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, en een flink aantal dagen voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur op zijn plaats.
De rechtbank acht, alles afwegend, passend en geboden om aan [verdachte] op te leggen een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 25 uren met aftrek van het voorarrest, en één maand voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van één jaar. Dit betekent dat [verdachte] de jeugddetentie nu niet hoeft uit te zitten, als hij zich aan de voorwaarden houdt. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomt weer de fout ingaat en hem daar de benodigde hulp voor te geven, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafgedeelte de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. Als [verdachte] tijdens de proeftijd van één jaar een strafbaar feit pleegt of een van de bijzondere voorwaarden niet naleeft, moet hij alsnog de jeugddetentie uitzitten. Als tijdens de proeftijd duidelijk wordt dat voor ondersteuning en hulp door een instantie als Accare een langere proeftijd nodig is, dan kan verzocht worden om de proeftijd te verlengen. De rechtbank zal de jeugdreclassering de opdracht geven toezicht te houden op de naleving door [verdachte] van de opgelegde bijzondere voorwaarden en hem ten behoeve daarvan te begeleiden. De werkstraf is onvoorwaardelijk, wat betekent dat [verdachte] die nu wel moet uitvoeren.

7.De vordering van de benadeelde partij

Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij in het kader van mediation zijn deel van de door de benadeelde partij [aangever 1] gevraagde schadevergoeding al heeft betaald. [aangever 1] was ter zitting niet aanwezig, zodat de rechtbank het niet bij [aangever 1] heeft kunnen navragen. Het levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op om nu alsnog bij [aangever 1] te verifiëren of de door hem gevraagde schadevergoeding daadwerkelijk is betaald. De rechtbank zal [aangever 1] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding en bepalen dat hij en [verdachte] ieder de eigen kosten dragen, die ten aanzien van de vordering zijn gemaakt.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde artikelen en de artikelen 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77gg Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
1 (één) maand;
- bepaalt dat deze jeugddetentie
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de
proeftijd van 1 (één) jaarde volgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte (zich) gedurende de proeftijd (of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt):
  • meldt bij de jeugdreclassering op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan de aanwijzingen die de jeugdreclassering hem in dat kader geeft;
  • meewerkt aan (andere) door de jeugdreclassering noodzakelijk gevonden ondersteuning of verwijzing naar (andere) hulpverleningsinstanties zoals Accare of een soortgelijke instantie, als dit gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt gevonden;
- draagt aan de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering, met als verantwoordelijke gemeente Zwartewaterland (AST106), op om
toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- veroordeelt verdachte daarnaast tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, voor de duur van
25 (vijfentwintig) uren;
- beveelt, voor het geval verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de tijd van
12 (twaalf) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
de vordering van de benadeelde partij
- bepaalt dat de
benadeelde partij [aangever 1]in het geheel
niet-ontvankelijkis in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen, die ten aanzien van de vordering zijn gemaakt;
opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. G.M.J. Vijftigschild en
mr. P.M.F. Schreurs, rechters, allen ook kinderrechter, in tegenwoordigheid van
mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
Buiten staat
mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met nummer PL0600-2025345305 van 22 juli 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.