Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:402

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
12015634 \ CV EXPL 25-4104
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling van onbetaalde facturen en aansprakelijkheid bestuurder in overeenkomst van opdracht

Eisers, twee besloten vennootschappen, hebben werkzaamheden verricht voor gedaagde vennootschap op basis van een overeenkomst van opdracht. Gedaagde vennootschap heeft de facturen niet betaald, waarop eisers betaling vorderen. Tevens vorderen eisers betaling van de facturen van de bestuurder van de vennootschap, stellende dat deze aansprakelijk is.

Gedaagde partijen hebben geen conclusie van antwoord ingediend binnen de gestelde termijn, waardoor de kantonrechter de vorderingen toewijst. De kantonrechter wijst ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toe, gebaseerd op artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

De rechter veroordeelt zowel de vennootschap als de bestuurder tot betaling van de hoofdsommen, wettelijke handelsrente, en incassokosten, waarbij betaling door één van hen de ander bevrijdt. Tevens worden de proceskosten aan de gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde vennootschap en bestuurder worden veroordeeld tot betaling van onbetaalde facturen, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12015634 \ CV EXPL 25-4104
Vonnis van 27 januari 2026
in de zaak van

1.de besloten vennootschap [eiser 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1],
2. De besloten vennootschap
[eiser 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
gemachtigde: mr. W. Meijs,
tegen

1.de besloten vennootschap [gedaagde 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 3],
hierna te noemen: [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
procederend in persoon.

1.Waar deze zaak over gaat

[eiser 1] en [eiser 2] hebben in het kader van een overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] werkzaamheden uitgevoerd tegen betaling. [gedaagde 1] hebben de facturen niet betaald. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen daarom betaling van deze facturen van [gedaagde 1]. Daarnaast vorderen [eiser 1] en [eiser 2] betaling van de facturen van [gedaagde 2], omdat hij volgens [eiser 1] en [eiser 2] als bestuurder aansprakelijk is voor betaling. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen conclusie van antwoord ingediend binnen de termijn. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] toe, omdat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 1 december 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De beoordeling

3.1.
De bij dagvaarding voorgeschreven termijn en andere formaliteiten zijn in acht genomen.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen conclusie van antwoord ingediend tegen de vorderingen. De kantonrechter zal geen acht slaan op de e-mail van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 18 januari 2026, omdat deze e-mail buiten de termijn voor het nemen van een proceshandeling is verstuurd. De vorderingen worden als na te melden toegewezen, omdat zij de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
3.4.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Deze vorderingen moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 879,31 respectievelijk een bedrag van € 671,54 worden toegewezen ten aanzien van [gedaagde 1]. Ten aanzien van [gedaagde 2] zal een bedrag van € 879,31 respectievelijk € 671,54 worden toegewezen.
3.5.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] toewijzen in de zin dat betaling van de hoofdsom inclusief wettelijke (handels)rente door een van gedaagden de andere gedaagde bevrijdt van betaling van deze kosten.
3.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
247,46
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
543,00
(1 punt × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.386,46
3.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 11.831,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 10.430,75 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 2] niet aan zijn veroordeling onder 4.5. voldoet,
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 6.693,48, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 5.930,76 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 2] niet aan zijn veroordeling onder 4.6. voldoet,
4.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 879,31 aan buitengerechtelijke kosten,
4.4.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 671,54 aan buitengerechtelijke kosten,
4.5.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 11.205,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.430,75 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 1] niet aan haar veroordeling onder 4.1. voldoet,
4.6.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 6.358,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.930,76 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 1] niet aan haar veroordeling onder 4.2. voldoet,
4.7.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 879,31 aan buitengerechtelijke kosten,
4.8.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 671,54 aan buitengerechtelijke kosten,
4.9.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 2.386,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.10.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. (hg)