ECLI:NL:RBOVE:2026:4026

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
12091622 \ CV EXPL 26-156
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:751 BWArt. 7:758 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen na stilzwijgende aanvaarding van werk bij aannemingsovereenkomst

Eiser, handelend als onderaannemer, verrichtte herstel- en vervangingswerkzaamheden aan een vloer in opdracht van gedaagde, de hoofdaannemer. Na betaling van de factuur voor week 15 in 2025, weigerde gedaagde de facturen van week 16 en 17 te betalen, stellende dat het werk gebrekkig was en kosten onterecht in rekening waren gebracht.

De kantonrechter oordeelde dat het werk stilzwijgend was aanvaard omdat gedaagde het werk niet binnen een redelijke termijn had gekeurd of gebreken had gemeld, waardoor hij gehouden is tot betaling van de facturen minus de kosten voor eten, die niet waren overeengekomen. Betwisting van uren en kilometers was onvoldoende gemotiveerd en de kosten van de werkmannen mochten volgens de wet en overleg in rekening worden gebracht.

De rechter wees de vordering toe tot betaling van € 12.647,58, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten van € 901,48, beslagkosten van € 1.152,57 en proceskosten van € 1.549,54. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van de onbetaalde facturen, rente, incassokosten, beslagkosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12091622 \ CV EXPL 26-156
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,h.o.d.n. [bedrijf 1] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.L. IJwema,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [bedrijf 2] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] als onderaannemer werkzaamheden verricht. [gedaagde] heeft twee facturen voor de werkzaamheden niet betaald, omdat het werk volgens hem niet goed is verricht en [eiser] kosten in rekening brengt die niet zijn overeengekomen. [eiser] vordert in deze procedure betaling van de facturen. De kantonrechter oordeelt dat het werk (stilzwijgend) door [gedaagde] is aanvaard en hij daarom gehouden is om de facturen te betalen, op de kosten die [eiser] daarop in rekening brengt voor eten na. Ook moet [gedaagde] wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten betalen. De motivering van deze beslissing volgt hierna.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord.
1.2
De mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig [eiser] , bijgestaan door mr. M.L. IJwema. [gedaagde] was niet aanwezig. Hij heeft een dag later aan de rechtbank laten weten dat hij verhinderd was.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
[eiser] en [gedaagde] hebben meerdere keren samengewerkt bij verschillende projecten, waarbij [gedaagde] optrad als hoofdaannemer en [eiser] als onderaannemer.
2.2
Van week 15 tot en met week 17 van 2025 heeft [eiser] werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] verricht die zagen op het herstellen/vervangen van een vloer in de [locatie]. De werkzaamheden zijn door [eiser] uitgevoerd samen met twee werkmannen ([naam 1] en [naam 2]) die hij meenam.
2.3
Op 14 april 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur voor de werkzaamheden in week 15 gestuurd. Deze factuur is door [gedaagde] betaald.
2.4
[eiser] heeft op 22 april 2025 de factuur van week 16 en op 28 april 2025 de factuur van week 17 aan [gedaagde] gestuurd. Deze facturen heeft [gedaagde] niet betaald.
2.5
[eiser] heeft op 25 april 2025 de werkzaamheden afgerond.
2.6
Vervolgens heeft [eiser] nog andere werkzaamheden voor [gedaagde] verricht. De facturen voor die werkzaamheden heeft [gedaagde] betaald.
2.7
[eiser] heeft [gedaagde] vanaf 20 mei 2025 een aantal keren via Whatsapp gevraagd om de facturen van week 16 en 17 te betalen. Daarop werd door [gedaagde] niet inhoudelijk gereageerd.
2.8
[eiser] heeft een incassobureau ingeschakeld om [gedaagde] tot betaling te bewegen. [gedaagde] heeft op 8 augustus 2025 naar het incassobureau gemaild dat [eiser] de werkzaamheden niet volgens de gemaakte afspraken heeft uitgevoerd en dat hij geen aanleiding heeft gehad om eerder expliciet te wijzen op de gebrekkige uitvoering, omdat hij hoopte dat de problemen nog verholpen zouden worden. Daarnaast schrijft [gedaagde] dat hij het niet correct vindt dat hij wordt aangesproken om personen te betalen die vallen onder de verantwoordelijkheid van [eiser] . Over de openstaande vordering schrijft hij dat hij niet volledig zal betalen zolang de kwaliteit van het geleverde werk niet is vastgesteld.
2.9
Vervolgens heeft [eiser] zich tot zijn advocaat gewend. Die heeft met [gedaagde] verder gediscussieerd over of de werkzaamheden volgens de overeenkomst zijn uitgevoerd en over of [gedaagde] de facturen (volledig) moet betalen.
2.1
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op verzoek van [eiser] op
13 januari 2026 verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van
€ 16.520,00. Op 15 januari 2026 is er conservatoir derdenbeslag gelegd op een bankrekening van [gedaagde] .

3.Het geschil

3.1
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.707,58, vermeerderd met rente en kosten.
3.2
[gedaagde] voert verweer.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
De vraag die in deze zaak centraal staat is of [gedaagde] de facturen van week 16 en week 17 van 2025 van [eiser] moet betalen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Moet [gedaagde] voor de werkzaamheden betalen?
4.2
Niet in geschil is dat [gedaagde] [eiser] de opdracht heeft gegeven tot herstellen/vervangen van een vloer in de [locatie]. Dit kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk, zoals bedoeld in artikel 7:750 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.3
Artikel 7:758 lid 1 BW Pro bepaalt dat als de (onder)aannemer (in dit geval [eiser] ) te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever (in dit geval [gedaagde] ) het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, de opdrachtgever geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na oplevering is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW Pro).
4.4
[gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat hij de facturen niet hoeft te betalen, omdat het werk door [eiser] niet goed is verricht. Volgens hem is de afwerking van de vloer erg slordig, is er niet goed schoon geblazen en de coating daardoor niet mooi geworden. Dat verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] heeft gesteld dat hij de betreffende werkzaamheden op 25 april 2025 heeft afgerond en hij dat aan [gedaagde] heeft gemeld, die hem vervolgens een nieuwe opdracht heeft gegeven. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Niet gebleken is dat [gedaagde] de werkzaamheden van [eiser] na afloop heeft gekeurd, bij [eiser] heeft geklaagd over gebreken en [eiser] vervolgens de mogelijkheid tot herstel heeft gegeven. [gedaagde] maakt pas op 8 augustus 2025 voor het eerst in zijn e-mail aan het incassobureau kenbaar dat het werk volgens hem gebrekkig is uitgevoerd. Naar oordeel van de kantonrechter is dat te laat en moet geacht worden dat [gedaagde] het werk toen al stilzwijgend had aanvaard. Dat betekent dat het werk is opgeleverd. De punten waar [gedaagde] nu over klaagt, had hij met een opleveringskeuring kunnen ontdekken. Dat hij geen opleveringskeuring heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. Hij kan [eiser] voor die punten niet meer aansprakelijk houden en is verplicht om voor de verrichtte werkzaamheden te betalen.
Moet [gedaagde] de facturen (geheel) betalen?
4.5
[eiser] stelt dat partijen voor aanvang van de werkzaamheden mondeling afspraken hebben gemaakt over de door [gedaagde] te betalen prijs. Wat partijen daarover zijn overeengekomen, blijkt volgens hem uit de overzichten die bij zijn facturen zitten. [gedaagde] betwist dat hij alle kosten die daarin genoemd worden moet betalen. Volgens hem heeft [eiser] niet volgens afspraak gefactureerd, nu er posten zijn meegenomen voor eten, er te veel kilometers in rekening zijn gebracht, het aantal gewerkte uren te hoog is en [eiser] ook de kosten van zijn werkmannen in rekening brengt. De kantonrechter zal die punten hierna bespreken.
Kosten voor eten
4.6
[eiser] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] eten zou betalen als voor de werkzaamheden in een hotel overnacht moest worden. Op de overzichten bij de facturen valt af te lezen dat alleen in week 17 twee keer € 30,00 voor eten door [eiser] in rekening is gebracht. [gedaagde] betwist dat zij dat zijn overeengekomen. [eiser] heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat over het eten afspraken met [gedaagde] zijn gemaakt. De kantonrechter zal daarom de kosten voor het eten afwijzen.
Aantal uren en kilometers
4.7
[gedaagde] heeft niet concreet gemaakt wat er volgens hem niet klopt aan het aantal uren en kilometers dat door [eiser] in rekening wordt gebracht. Hij heeft er enkel op gewezen dat er camerabeelden zouden zijn van wanneer [eiser] en zijn werkmannen bij het werk aankwamen en weer vertrokken, maar hij heeft de camerabeelden niet in het geding gebracht. Daarmee heeft [gedaagde] zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd, zodat de kantonrechter uitgaat van het aantal uren en kilometers dat op de overzichten bij de facturen van [eiser] staat.
Kosten van de werkmannen
4.8
[gedaagde] betwist dat [eiser] de kosten van de werkmannen ([naam 1] en [naam 2]) in rekening mocht brengen. [eiser] heeft volgens [gedaagde] zelf besloten om de werkmannen mee te nemen, zonder dat daar toestemming voor is gegeven.
4.9
De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] als onderaannemer op grond van artikel 7:751 BW Pro bevoegd was om werkmannen in te schakelen om het werk onder zijn leiding af te maken. Daar had [eiser] geen toestemming van [gedaagde] voor nodig. In de door [eiser] in het geding gebrachte WhatsAppcorrespondentie valt te lezen dat partijen over het meenemen van de werkmannen overleg hebben gevoerd. Daaruit blijkt dat [gedaagde] zelfs een aantal keren [eiser] heeft gevraagd om werkmannen mee te nemen. Op de factuur van week 15 van 2025 zijn de kosten van de werkmannen van die week ook meegenomen. Die factuur is door [gedaagde] , zonder protest, volledig betaald. [gedaagde] heeft niet toegelicht wat volgens hem is afgesproken over (de kosten van) de werkmannen en wat er volgens hem te veel in rekening is gebracht. Doordat hij dat heeft nagelaten, heeft hij de verschuldigdheid van de kosten van de werkmannen onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] ook de in rekening gebrachte kosten van de werkmannen moet betalen.
Conclusie
4.1
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] gehouden om de facturen van week 16 en week 17 van 2025 van [eiser] te betalen, op de kosten die in rekening zijn gebracht voor eten na. Dat komt in totaal neer op een bedrag van € 12.647,58.
Rente
4.11
Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente is geen verweer gevoerd, waardoor dit zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.12
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 901,48 worden toegewezen.
Beslag
4.13
Aangezien de vorderingen van [eiser] worden toegewezen, bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen grond voor opheffing van de gelegde conservatoire beslagen. [gedaagde] zal gelet op het bepaalde in artikel 706 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden veroordeeld in de beslagkosten. De beslagkosten worden vastgesteld op € 379,57 voor kosten deurwaardersexploten, € 341,00 voor griffierecht en € 432,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 432,00), totaal € 1.152,57.
Proceskosten
4.14
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
129,54
- griffierecht
412,00
(€ 753,00 - € 341,00)
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.549,54

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.647,58, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 901,48 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.152,57,
5.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.549,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.