ECLI:NL:RBOVE:2026:403

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
C/08/320373 / HA ZA 24-352
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 lid 2 BWArt. 6:85 BWArt. 6:87 lid 1 BWArt. 7:755 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding en herstel gebreken woning na aannemingsovereenkomst

De zaak betreft een geschil tussen een eigenaar van een woning en een aannemer over gebreken aan een uitgevoerde uitbouw en verbouwing ten behoeve van een kapsalon. De eigenaar vordert schadevergoeding en herstel van gebreken, terwijl de aannemer betaling van meerwerk eist.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de gebreken niet wordt betwist en dat de aannemer in verzuim is geraakt door het niet deugdelijk uitvoeren van herstelwerkzaamheden. Voor deze gebreken wordt vervangende schadevergoeding toegewezen. Voor betwiste gebreken krijgt de eigenaar de gelegenheid om te reageren op het deskundigenrapport van de aannemer.

Daarnaast wordt vertragingsschade toegekend voor de periode waarin de aannemer in verzuim was, omdat de eigenaar de huur van een andere bedrijfsruimte moest voortzetten. De vordering van de aannemer tot betaling van meerwerk wordt slechts deels toegewezen voor de nieuwe meterkast en het tegelwerk, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de eigenaar tijdig is gewaarschuwd voor prijsverhogingen.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en geeft partijen gelegenheid tot nadere reactie op de rapporten en begrotingen.

Uitkomst: De rechtbank wijst vervangende schadevergoeding toe voor niet betwiste gebreken en beperkt de toewijzing van meerwerk aan de nieuwe meterkast en het tegelwerk.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/320373 / HA ZA 24-352
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van

1.[partij A 1],2. [partij A 2],

beiden wonende in [woonplaats 1],
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna samen en in enkelvoud te noemen: [partij A 3],
advocaat: mr. M.H. Hogeman te Zutphen,
tegen
[partij B], handelend onder de naam
[partij B],
wonende en zaakdoende in [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. M. de Groot te Leusden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 augustus 2024;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte met aanvullende producties van de zijde van [partij A 3];
- de akte met aanvullende productie van de zijde van [partij B];
- de mondelinge behandeling van 28 april 2025, waar beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[partij A 3] is eigenaar van een woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Sinds 2018 huurt hij elders een ruimte ten behoeve van zijn kapsalon.
2.2.
Eind 2021, begin 2022 hebben [partij A 3] en [partij B] afgesproken dat [partij B] werkzaamheden aan de woning zou uitvoeren. [partij B] zou een uitbouw realiseren en de garage vergroten en verbouwen ten behoeve van het realiseren van een kapsalon.
2.3.
Omstreeks juni 2022 is [partij B] gestart met de werkzaamheden.
2.4.
Onder meer op 13 juli 2023 heeft [partij A 3] [partij B] gesommeerd om herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de kozijnen, de tegels en de lekkage aan het dak. Op 29 augustus 2023 heeft [partij A 3] [partij B] nogmaals gesommeerd om de kozijnen, de tegels en de afwerking (“kitwerk, voegwerk, scheve tegels, veel viezigheid etc.”) te herstellen. Verder meldt [partij A 3] in deze aanmaning dat [partij B] de lekkage aan het dak heeft hersteld.
2.5.
Op 6 september 2023 heeft [partij B] een factuur voor meerwerk ten bedrage van € 23.885,40 (inclusief btw) aan [partij A 3] gestuurd.
2.6.
Op 28 september 2023 heeft Expertise Bureau Noord (hierna: EBN) in opdracht van [partij A 3] de woning onderzocht. [partij B] is uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn, maar is niet aanwezig geweest. In zijn rapport van 30 oktober 2023 beschrijft EBN verschillende gebreken. De herstelkosten worden in het rapport begroot op € 52.181,53.
2.7.
Op 3 november 2023 heeft [partij A 3] [partij B] aangeschreven en gesommeerd om binnen vier weken de resterende werkzaamheden en de herstelwerkzaamheden, door [partij A 3] opgesomd in een lijst van 75 gebreken, gebaseerd op het rapport van EBN, uit te voeren.
2.8.
Op 22 maart 2024 heeft [partij B] aangegeven: “
alle gebreken zoals vermeld in het rapport te herstellen.” [partij B] heeft daarna opnieuw werkzaamheden aan de woning verricht.
2.9.
Zowel op 19 maart 2024 als op 3 mei 2024 heeft [partij A 3] melding gemaakt van een nieuwe lekkage.
2.10.
Op 24 juni 2024 heeft EBN de uitgevoerde (herstel)werkzaamheden (nogmaals) bekeken. [partij B] is daarvoor niet uitgenodigd. EBN heeft de herstelkosten in zijn rapport van 23 juli 2024 begroot op € 60.324,57.
2.11.
Op 25 juni 2024 heeft [partij A 3] aan [partij B] laten weten dat hij geen nakoming van de overeenkomst meer wenst, maar vervangende schadevergoeding.
2.12.
Op 7 november 2024 heeft TOP Expertise B.V. (hierna: TOP Expertise) in opdracht van [partij B] de woning onderzocht. In het rapport van 21 januari 2025 komt TOP Expertise tot een herstelkostenraming van € 35.774,87.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A 3] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1.
primair:
[partij B] zal veroordelen om een bedrag van € 60.324,57 aan [partij A 3] te betalen;
subsidiair:
[partij B] zal veroordelen om de gebreken te herstellen overeenkomstig het rapport van EBN, onder begeleiding van EBN dan wel een nader te noemen deskundige, waarbij binnen twee weken na dit vonnis een aanvang wordt gemaakt met die werkzaamheden, waarna deze worden afgerond binnen een termijn van vier weken nadien, althans binnen een ander te bepalen aantal werkdagen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per werkdag, of een gedeelte daarvan, tot een maximum van € 25.000,00;
alsmede een bedrag van € 1.500,00 zal begroten ten behoeve van deskundigenbegeleiding door EBN of een nader te noemen deskundige en [partij B] zal veroordelen dit bedrag binnen 14 dagen na dit vonnis aan [partij A 3] te voldoen;
meer subsidiair:
[partij B] zal veroordelen om de gebreken te herstellen overeenkomstig het rapport van EBN, waarbij binnen twee weken na dit vonnis een aanvang wordt gemaakt met die werkzaamheden, waarna deze worden afgerond binnen een termijn van vier weken nadien, althans binnen een ander te bepalen aantal werkdagen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per werkdag, of een gedeelte daarvan, tot een maximum van € 25.000,00;
2. [partij B] zal veroordelen om een bedrag van € 11.937,44 aan [partij A 3] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;
3. [partij B] zal veroordelen om een bedrag van € 2.126,58 aan [partij A 3] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;
4. [partij B] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
3.2.
[partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A 3], met veroordeling van [partij A 3] in de proceskosten.
in reconventie
3.3.
[partij B] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij A 3] zal veroordelen tot:
betaling van het meerwerk van € 19.981,40;
betaling van de proceskosten;
betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.
3.4.
[partij A 3] voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de proceskosten.

4.De beoordeling

in conventie
Het verzoek van [partij A 3] om te mogen reageren op het rapport van TOP Expertise
4.1.
[partij B] heeft voorafgaand aan de zitting het deskundigenrapport van TOP Expertise in het geding gebracht. Ter zitting heeft [partij A 3] verzocht om nog een akte te mogen nemen waarin hij kan reageren op het rapport van de zijde van [partij B]. De rechtbank zal [partij A 3] daartoe in de gelegenheid stellen, met inachtneming van wat hierna is bepaald en met dien verstande dat de posten die tussen partijen niet meer in geschil zijn in dit tussenvonnis al worden beoordeeld, zodat de omvang van de te nemen akte wordt beperkt.
De gebreken
4.2.
Tussen partijen bestaat verschil van mening over de gemaakte afspraken en over het bestaan van en de aansprakelijkheid voor verschillende gebreken. [partij A 3] heeft zijn (primaire) vordering gebaseerd op het rapport en de kostenbegroting van EBN van 23 juli 2024. [partij B] heeft verweer gevoerd aan de hand van het rapport van TOP Expertise van 21 januari 2025. De rechtbank zal in haar beoordeling dan ook uitgaan van de in deze rapporten genoemde gebreken en bijbehorende begrotingen.
4.3.
De kostenbegroting van EBN ziet er als volgt uit:
1. exterieur
  • metselwerk aanpassen PM
  • metselwerk – herstel scheurvorming € 303,00
  • voegwerk kleurverschil PM
  • lood in achtergevel vervangen € 1.923,75
  • koudebrugonderbreking PM
  • kozijnen uitnemen en aansluitingen verbeteren € 1.340,00
  • beschadigde kozijnen vervangen incl. plaatsen € 15.000,00
  • kantplanken plaatsen/aanpassen € 1.004,00
  • overstek voorzijde vervangen € 689,40
  • boeiboord vervangen € 155,25
  • rooster toilet aanpassen € 92,00
- isolatie op het dak aanbrengen, incl. nieuwe dakbedekking € 5.600,00
doorvoeren dakranden en uitlopen
2. interieur
- plafond aanbouw en kapsalon vervangen, incl. verwijderen € 3.353,00
isolatie
  • saus en schilderwerk plafonds € 1.610,00
  • saus en schilderwerk kapsalon wanden € 1.840,00
  • vloertegels kapsalon vervangen, incl. slopen en egaliseren € 8.840,00
  • vloertegels keuken vervangen incl. egaliseren PM
  • verlichting/elektra afwerken stelpost
totaal directe kosten € 42.456,40
algemene bouwplaatskosten € 2.122,82
algemene kosten € 3.120,55
winst en risico € 2.384,99
car € 175,30
btw 21% € 9.696,94
btw 9%
€ 367,57
totaal € 60.324,57
4.4.
De door [partij B] ingeschakelde TOP Expertise heeft de volgende begroting van de herstelkosten opgemaakt:
1. exterieur
  • kozijnen uitnemen en aansluitingen verbeteren € 1.340,00
  • beschadigde kozijnen vervangen incl. plaatsen € 15.000,00
  • lood in achtergevel vervangen € 1.111,50
  • kantplank plaatsen / aanpassen € 564,75
  • overstek voorzijde vervangen € 689,40
  • boeiboord vervangen € 155,25
2. interieur
- plafond aanbouw en kapsalon vervangen, incl. folie € 3.353,00
aanbrengen
  • stuc- en sauswerk plafonds € 1.610,00
  • herstel vloertegel kapsalon € 164,00
  • herstel plinttegels kapsalon € 885,12
  • kitwerk tussen vt en pt
totaal € 24.975,43
algemene bouwplaatskosten € 1.248,77
algemene kosten € 1.835,69
winst en risico € 1.402,99
car € 103,12
btw
€ 6.208,86
totaal € 35.774,87
Gebreken die ten grondslag liggen aan de vordering
4.5.
De primaire vordering van [partij A 3] bestaat uit een optelsom van de kosten die expliciet zijn benoemd in de kostenraming van het rapport van EBN van 23 juli 2024. In datzelfde rapport staan ook een aantal posten, waar geen concreet bedrag aan gekoppeld is, maar waar alleen de verwijzing PM bij staat. Gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag, begrijpt de rechtbank de primaire vordering van [partij A 3] zo dat deze alleen ziet op de posten waar in de kostenraming van EBN een concreet bedrag bij vermeld staat en niet ook ziet op de zogenaamde PM-posten.
Gebreken die niet worden betwist
4.6.
Uit de rapporten van EBN en TOP Expertise blijkt dat partijen het over het bestaan van een aantal gebreken eens zijn. Die gebreken zal de rechtbank eerst bespreken.
De hiernavolgende gebreken en bijbehorende kosten komen in beide kostenbegrotingen overeen, waarmee zowel het bestaan van het gebrek als de herstelkosten voor dat gebrek dus tussen partijen vast komen te staan:
  • kozijnen uitnemen en aansluitingen verbeteren € 1.340,00
  • overstek voorzijde vervangen € 689,40
  • boeiboord vervangen € 155,25
  • plafond aanbouw en kapsalon vervangen, incl. folie € 3.353,00
aanbrengen
- stuc- en sauswerk plafonds
€ 1.610,00
totaal € 7.147,65
Verzuim en vervangende schadevergoeding
4.7.
De posten boeiboord vervangen, plafond aanbouw en kapsalon vervangen en stuc-en sauswerk plafonds komen in beide rapporten van EBN voor. Ten aanzien van deze posten geldt het volgende. [partij A 3] heeft [partij B] meerdere malen gesommeerd om het overeengekomen werk en de herstelwerkzaamheden uit te voeren en af te maken. Na een aantal eerdere sommaties, die zagen op delen van het werk, heeft [partij A 3] [partij B] op 3 november 2023 aangeschreven en gesommeerd om binnen vier weken
alleresterende werkzaamheden en de herstelwerkzaamheden, door [partij A 3] opgesomd in een lijst van 75 gebreken, uit te voeren. Door deze (herstel)werkzaamheden na die aanmaning niet (deugdelijk) uit te voeren, is [partij B] in verzuim geraakt. De omzettingsverklaring van 25 juni 2024 is dan ook geldig uitgebracht en vanaf dat moment is [partij B] vervangende schadevergoeding verschuldigd geraakt.
4.8.
De posten kozijnen uitnemen en aansluitingen verbeteren en overstek voorzijde vervangen komen alleen in het laatste rapport van EBN van 23 juli 2024 voor. Ook ten aanzien van deze gebreken is echter sprake van verzuim. Uit artikel 6:82 lid 2 BW Pro volgt namelijk dat als een schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Dat laatste heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorgedaan. Na het eerste rapport van EBN, heeft [partij B] op 22 maart 2024 aangegeven de gebreken uit het rapport te zullen herstellen. Vervolgens heeft [partij B] diverse werkzaamheden aan de woning verricht. Toen EBN de woning in juni 2024 opnieuw bezocht, concludeerde zij (en later ook TOP Expertise) dat een deel van de gebreken nog niet verholpen was en dat er sprake was van nieuwe gebreken. Dit samenstel van feiten en omstandigheden maakt dat [partij A 3] uit de houding en het handelen van [partij B] redelijkerwijs mocht afleiden dat [partij B] niet meer in staat was om de gebreken te herstellen en zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst na te komen. Een verdere termijn voor nakoming zou dan ook zinloos zijn. [partij A 3] mocht dus volstaan met een schriftelijke mededeling waarin hij [partij B] voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk stelde. Deze mededeling heeft hij gedaan per e-mail van 25 juni 2024. Vanaf dat moment verkeerde [partij B] dus ook ten aanzien van deze posten in verzuim.
4.9.
Dit maakt dat het bedrag van € 7.147,65 (in het eindvonnis) in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt.
Gebreken die worden betwist
4.10.
Aan de hand van het rapport van TOP Expertise heeft [partij B] de volgende gebreken betwist (het bestaan ervan, dan wel de hoogte van de herstelkosten):
  • lood in de achtergevel vervangen;
  • beschadigde kozijnen vervangen incl. plaatsen;
  • kantplanken plaatsen/aanpassen;
  • scheurvorming in het metselwerk;
  • aanpassen rooster op het toilet;
  • isolatie op dak aanbrengen, inclusief nieuwe dakbedekking doorvoeren aan de dakranden en uitlopen;
  • saus- en schilderwerk wanden kapsalon;
  • vervangen vloertegels kapsalon;
  • verlichting / elektra afwerken.
4.11.
Niet in geschil is dat diverse kozijnen beschadigd zijn. Uit de rapporten van EBN en TOP Expertise en het verhandelde ter zitting blijkt dat de discussie zich toespitst op de vraag of [partij B] deze beschadigingen heeft veroorzaakt. [partij A 3] zal in de gelegenheid worden gesteld om zich daarover bij akte uit te laten.
4.12.
Ten aanzien van het lood in de achtergevel en de kantplanken heeft [partij B] aan de hand van het rapport van TOP Expertise erkend dat sprake is van een gebrek, maar de hoogte van de herstelkosten betwist. Zoals hiervoor is overwogen, zal [partij A 3] de gelegenheid krijgen om ten aanzien van deze posten te reageren op de kostenraming van TOP Expertise.
4.13.
Wat betreft de scheurvorming in het metselwerk, het vervangen van de vloertegels in de kapsalon, het saus- en schilderwerk aan de wanden van de kapsalon en de gestelde noodzaak van het aanbrengen van isolatie op het dak (inclusief nieuwe dakbedekking doorvoeren aan de dakranden en uitlopen), geldt dat [partij A 3] ten aanzien van deze posten mag reageren op de betwisting van [partij B] zoals deze uit het rapport van TOP Expertise naar voren komt.
4.14.
Wat betreft het rooster op het toilet en het afwerken van de verlichting en de elektra, heeft [partij A 3] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gebrek aan het uitgevoerde werk. Uit het door [partij A 3] overgelegde rapport volgt namelijk niet dat ten aanzien van deze posten sprake is van gebreken en [partij A 3] heeft dat ook niet op een andere manier onderbouwd. Deze posten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
4.15.
[partij A 3] zal in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de posten uit het rapport van TOP Expertise [partij B] zoals vermeld onder 4.11, 4.12 en 4.13. Daarnaast verlangt de rechtbank een meer gespecificeerde begroting van de kosten van de in 4.11, 4.12 en 4.13 genoemde posten.
Verzuim en vervangende schadevergoeding
4.16.
Ook voor deze (gestelde) gebreken geldt dat, voor zover de rechtbank in het eindvonnis tot de vaststelling van deze gebreken komt, [partij B] in verzuim is geraakt door de ingebrekestelling van 3 november 2023, dan wel de mededeling van 25 juni 2024. Gelet op de omzettingsverklaring van 25 juni 2024 is [partij B] ook voor deze (gestelde) gebreken in het werk vervangende schadevergoeding verschuldigd.
Aanvullende schadevergoeding voor het moeten voortzetten van de huur
4.17.
Verder heeft [partij A 3] betaling gevorderd van een bedrag van € 11.937,44 aan schadevergoeding wegens het niet in gebruik kunnen nemen van de nieuwe kapsalon. Volgens [partij A 3] heeft hij de kapsalon niet op tijd in gebruik kunnen nemen, doordat [partij B] de (herstel)werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd. [partij A 3] stelt dat hij daardoor de huur van de bedrijfsruimte die hij als kapsalon gebruikt, heeft moeten voortzetten en dus langer huur heeft moeten betalen. [partij B] moet deze vertragingsschade vergoeden, aldus [partij A 3].
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A 3], ook in het licht van de betwisting door [partij B], voldoende gesteld en onderbouwd dat hij de gehuurde kapsalon langer heeft moeten huren doordat de (herstel)werkzaamheden aan de kapsalon door [partij B] niet (tijdig) zijn afgerond. Uit de door [partij A 3] overgelegde verklaring van de verhuurster van de bedrijfsruimte blijkt dat [partij A 3] en de verhuurster al een beëindiging van de huurovereenkomst per eind 2022 waren overeengekomen. De verhuurster verklaart dat zij en [partij A 3] hebben afgesproken “
dat de eerder afgesproken beëindiging geen gestand zal worden gedaan en dat de heer en mevrouw [partij A 3] nog langer in het gehuurde kunnen blijven, uiteraard met betaling van de maandelijks verschuldigde huurpenningen.”
[partij A 3] heeft de problemen die zijn ontstaan door de niet (tijdige) afronding van de werkzaamheden ook aan [partij B] medegedeeld en hem gesommeerd om de werkzaamheden af te ronden. Onder andere in het Whatsappbericht van 18 mei 2023 schrijft [partij A 3] dat de werkzaamheden moeten worden afgerond omdat hij “
de winkel naar huis moet verhuizen”. Het (langer) moeten huren van een andere bedrijfsruimte is naar het oordeel van de rechtbank dus een gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [partij B] als bedoeld in artikel 6:74 BW Pro.
4.19.
[partij A 3] heeft recht op schadevergoeding vanaf de datum waarop [partij B] in verzuim is geraakt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is [partij B] ten aanzien van het merendeel van deze gebreken in verzuim geraakt door de (herstel)werkzaamheden niet (volledig en deugdelijk) uit te voeren binnen de termijn van vier weken, zoals gegeven in de ingebrekestelling van 3 november 2023. Het verzuim is vervolgens ingetreden vanaf de dag na de termijn van vier weken, dus vanaf 2 december 2023.
Na de omzettingsverklaring van 25 juni 2024 is de oorspronkelijke verbintenis tot nakoming omgezet in een verbintenis tot betaling van vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 lid 1 BW Pro). Daarmee is de oorspronkelijke verbintenis (tot het uitvoeren van (herstel)werkzaamheden) teniet gegaan en is het verzuim van [partij B] ten aanzien van deze oorspronkelijke verbintenis geëindigd. Artikel 6:85 BW Pro stelt buiten kijf dat vertragingsschade, in dit geval de huur van een vervangende bedrijfsruimte, alleen verschuldigd is over de periode van verzuim. Weliswaar is [partij B] na de omzettingsverklaring terstond in verzuim geraakt met de nakoming van zijn verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding, maar deze verbintenis is een andere verbintenis dan de oorspronkelijke verbintenis (het verrichten van (herstel)werkzaamheden) en dat verzuim staat daarom ook los van het verzuim dat vereist is voor toewijzing van de vertragingsschade (de huurpenningen die [partij A 3] langer heeft moeten betalen). De rechtbank zal de vertragingsschade dan ook toewijzen over de periode waarin [partij B] met de oorspronkelijke verbintenis in verzuim was, dus vanaf 2 december 2023 tot en met 25 juni 2024. Dat komt, gelet op het door [partij A 3] overgelegde overzicht van huurbetalingen, neer op een bedrag van € 4.226,44. Dit bedrag zal in het eindvonnis worden toegewezen.
4.20.
De wettelijke rente over het bedrag van € 4.226,44 is verschuldigd vanaf het moment dat de (vertragings-)schade geleden wordt, in dit geval het moment waarop de respectievelijke huurtermijnen zijn betaald. Dit betekent dat de wettelijke rente in ieder geval verschuldigd is vanaf de door [partij A 3] gevorderde datum, de dag van de dagvaarding. Bij eindvonnis zal de wettelijke rente dus worden toegewezen vanaf 16 augustus 2024.
Conclusie in conventie
4.21.
Zoals hiervoor is vermeld, zal [partij A 3] in de gelegenheid worden gesteld om binnen een termijn van vier weken te reageren op de posten uit het rapport van TOP Expertise vermeld onder 4.11, 4.12 en 4.13 en om de begroting van de kosten van de in 4.11, 4.12 en 4.13 genoemde posten nader te specificeren. Daarna krijgt [partij B] vier weken de tijd om op de akte van [partij A 3] te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in reconventie
4.22.
In reconventie vordert [partij B] betaling van meerwerk, dan wel aanvullend overeengekomen werkzaamheden, voor een bedrag van € 19.981,40. Volgens [partij B] heeft hij een tiental extra werkzaamheden uitgevoerd die aanvankelijk niet zijn overeengekomen. Het gaat dan volgens [partij B] om:
  • Renovatie oude woning, deel oud keuken. Twee muren gebouwd en gestukt. Inclusief materiaal;
  • Compleet nieuwe electragroep voor de nieuwe keuken gezet naar de meterkast;
  • Vervanging meterkast door een nieuwe meterkast; (…)
  • Werkzaamheden WC; tegels gezet, stucwerk plafond, montage wc pot en reservoir. Inclusief timmerwerkzaamheden, ventilatiebuizen geplaatst;
  • Warme en koude waterleiding naar de keuken en warme waterleiding naar de bovenverdieping geplaatst. Warme en koude waterleiding naar de barbershop en koude waterleiding naar de wc geplaatst;
  • Plaatsen van electragroep en kabel voor de airco;
  • Tegelwerk barbershop Inclusief tegels, plinten, voeg, lijm en kitwerk met snijverlies 45m2. Op verzoek van klant op afschot gelegd;
  • Aanschaf en plaatsen van kantoordeur en wc deurkozijn;
  • Inspectiekosten volgens offertenummer 22-003.”
Tussen partijen is mondeling overeengekomen dat [partij A 3] daarvoor een vergoeding verschuldigd is, aldus [partij B].
4.23.
Hoewel partijen van inzicht verschillen over de hoogte van de overeengekomen aanneemsom, is niet in geschil dat partijen een vaste prijs voor de werkzaamheden zijn overeengekomen.
4.24.
Wanneer een vaste prijs is afgesproken, kan de aannemer alleen een verhoging van de prijs voor meerwerk vorderen, indien hij de opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging heeft gewaarschuwd, tenzij de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen (artikel 7:755 BW Pro). Nu [partij A 3] heeft betwist dat sprake is van meerwerk en ook dat [partij B] voor extra kosten heeft gewaarschuwd, zal [partij B] dus moeten stellen en mogelijk moeten bewijzen dat sprake is van meerwerk en dat hij [partij A 3] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging, dan wel dat [partij A 3] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.25.
[partij A 3] heeft erkend dat hij meerwerkkosten verschuldigd is voor de nieuwe meterkast en het tegelwerk in de kapsalon. De bedragen van € 1.290,00 en € 4.500,00 komen dus voor toewijzing in aanmerking.
4.26.
Wat betreft de overige gefactureerde werkzaamheden, heeft [partij B] naar het oordeel van het rechtbank in het licht van [partij A 3] betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om tot het oordeel te komen dat hij [partij A 3] gewaarschuwd heeft voor een prijsverhoging. [partij B] heeft weliswaar gesteld dat partijen op enig moment mondeling zijn overeengekomen dat voor de aanvullende werkzaamheden een vergoeding verschuldigd was, maar [partij A 3] heeft dit steevast ontkend. [partij A 3] wijst er bovendien op dat elke schriftelijke vastlegging van deze afspraken, zoals een offerte, prijsindicatie of begroting, ontbreekt. Daar komt bij dat [partij B] volgens [partij A 3] ten aanzien van bepaalde werkzaamheden, het plaatsen van een electragroep en kabels voor de airco, mondeling zelfs heeft aangegeven dat daar geen meerprijs voor verschuldigd was. Gelet op deze betwisting, had van [partij B] verwacht mogen worden dat hij zijn stelling verder toe zou lichten, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer en hoe deze afspraken over een eventuele prijsverhoging gemaakt zijn. Nu hij dit niet heeft gedaan, komt niet vast te staan dat hij [partij A 3] voor een prijsstijging heeft gewaarschuwd.
4.27.
Dat [partij A 3] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen, is niet gesteld en volgt ook niet uit de feiten en omstandigheden in deze zaak. Juist gelet op de onduidelijkheid tussen partijen over gemaakte afspraken, zoals onder meer blijkt uit offertes die zijn opgesteld maar die niet de werkelijke werkzaamheden weergeven en de steeds wisselende afspraken over welk werk er uitgevoerd zou worden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat [partij A 3] de noodzaak van een prijsverhoging voor deze werkzaamheden had moeten begrijpen. Te meer nu vaststaat dat [partij A 3] zelf heeft meegeholpen bij het plaatsen van een electragroep en kabel voor de airco én al andere met deze werkzaamheden samenhangende kosten, zoals de kosten voor het inbouwreservoir, voor zijn eigen rekening heeft genomen.
4.28.
De vordering tot het betalen van meerwerk komt dan ook enkel voor toewijzing in aanmerking voor zover het de nieuwe meterkast en het tegelwerk in de kapsalon betreft. Dat komt neer op een bedrag van (€ 1.290,00 + € 4.500,00 =) € 5.790,00. [partij B] heeft niet betwist dat [partij A 3] daarvan reeds € 1.000,00 heeft voldaan. Er zal in het eindvonnis dan ook een bedrag van € 4.790,00 worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de veertiende dag na de datum van het eindvonnis tot de dag van volledige betaling.
4.29.
Iedere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
stelt [partij A 3] in de gelegenheid om op een termijn van vier weken, dus op de rol van
woensdag 25 februari 2026, te reageren op de posten uit het rapport van TOP Expertise zoals vermeld onder 4.11, 4.12 en 4.13 en om een meer gespecialiseerde begroting van deze posten over te leggen;
5.2.
stelt [partij B] vier weken na de akte van [partij A 3] in de gelegenheid om te reageren op de akte van [partij A 3];
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
5.4.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.(SB)