ECLI:NL:RBOVE:2026:4030

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
11604900 \ CV EXPL 25-493
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling nutsvoorzieningen en verrekening voorschotten in huurovereenkomst

De kantonrechter van de Rechtbank Overijssel heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een maatschap en een huurder over de afrekening van kosten voor gas en elektriciteit gedurende de huurperiode van twee jaar.

De maatschap vorderde betaling van de kosten voor nutsvoorzieningen, waarbij het exacte verbruik over een deel van de periode niet kon worden vastgesteld. De kantonrechter schatte het verbruik aan de hand van de methoden van de Huurcommissie, waaronder de graaddagenmethode voor gas en Nibud-normen voor elektriciteit. Vervolgens werden de voorschotten die de huurder had betaald in mindering gebracht, evenals bedragen voor huurprijsvermindering en borg.

De huurder werd veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van €3.739,93, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, en een bedrag van €548,85 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast werd de huurder veroordeeld in de proceskosten. De vordering in reconventie werd buiten beschouwing gelaten omdat de voorwaarde daarvoor niet was vervuld.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van €3.739,93 plus rente en incassokosten voor nutsvoorzieningen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11604900 \ CV EXPL 25-493
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: de maatschap,
gemachtigde: [gemachtigde] , werkzaam bij deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar,
tegen
[partij B],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. G.J. Hollema.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 december 2025
- de “akte uitlating over voorwaardelijke eis in reconventie tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens vermeerdering eis in conventie” van de maatschap
- de antwoordakte van [partij B] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie
De periode van 1 mei tot en met 9 augustus 2022
2.1
In voormeld tussenvonnis is de maatschap in de gelegenheid gesteld bij akte een specificatie van de kosten voor gas en stroom over deze periode over te leggen. Zij heeft daarop laten weten daartoe niet in staat te zijn.
2.2
In haar antwoordakte heeft [partij B] herhaald dat de door haar in deze periode betaalde voorschotbedragen meer dan dekkend moeten zijn geweest voor de door haar verbruikte hoeveelheid energie.
2.3
Nu het exacte verbruik van [partij B] in de periode van 1 mei tot 9 augustus 2022 niet vastgesteld kan worden, ziet de kantonrechter aanleiding om dit verbruik te schatten met gebruikmaking van de door de Huurcommissie gebruikte methoden (zoals vermeld in haar “Beleidsboek servicekosten”, versie januari 2025).
Gas
2.4
Voor gas gaat de Huurcommissie in beginsel uit van de landelijke verbruiksnormen en tarieven van het Nibud, waarbij zij indien het gaat om een kortere periode dan een jaar gebruik maakt van de zogenoemde graaddagenmethode. Bij deze methode wordt ervan uitgegaan dat er pas gestookt wordt als het kouder is dan 18º C. Dit is de stookgrens. Het aantal graaddagen geeft aan hoeveel graden de werkelijke temperatuur kouder is geweest dan deze stookgrens.
2.5
In deze zaak betekent dit dat wordt uitgegaan van een gemiddeld gasverbruik in 2022 van 1.550 m3 (rekening houdend met het feit dat sprake is van een aangrenzende stal, waarmee de woning geen (geheel) vrijstaande woning is), een gemiddeld gastarief van € 1,77 per m3 en een bedrag van € 237,84 aan vastrecht per jaar. In 2022 zijn in totaal 2512,12 graaddagen geregistreerd, waarvan 99,76 in mei, 35,52 in juni, 15,12 in juli en 8 in augustus.
2.6
Rekening houdend met het feit dat over de hele maand augustus 2022 8 graaddagen zijn geregistreerd en het in deze zaak gaat over de periode tot en met 9 augustus zal uitgegaan worden van een totaal aantal graaddagen van (99,76 + 35,52 + 15,12 + 2,32 =) 152,72. Dit levert een geschat verbruik op van 152,72/2.512, 12e deel van 1.550 m3 =
94,23 m3 op. De verbruikskosten bedragen daarom 94,23 m3 × € 1,77 = € 166,79. De vaste kosten bedragen € 237,84 over het hele jaar. Over de periode van 1 mei tot en met
9 augustus 2022 gaat het om 101/365e deel van € 237,84 = € 65,81.
Elektriciteit
2.7
Volgens het Beleidsboek hanteert de Huurcommissie voor de jaren 2022 en 2023 de gegevens van het Nibud die respectievelijk in juli 2022 en juli 2023 zijn gepubliceerd om rekening te houden met de gestegen energieprijzen. Deze prijs bestaat uit een tarief per kWh elektriciteit, een bedrag aan vastrecht en een bedrag aan belastingteruggave.
2.8
Voor elektriciteit wordt uitgegaan van een gemiddeld jaarverbruik in 2022 van 1.800 kWh bij één bewoner en van 2.810 kWh bij twee bewoners. Nu de zoon van [partij B] om de week bij haar verbleef, zal voor het verbruik per jaar worden uitgegaan van het gemiddelde tussen deze twee hoeveelheden (2.305 kWh). Verder wordt uitgegaan van een tarief van € 0,3988 per kWh, een vastrecht van € 306,00 en een bedrag van € 742,98 aan belastingteruggave voor dit jaar. Over de in het geding zijnde periode gaat het om een geschat verbruik van (101/365e deel van 2.305 =) 637,82 kWh tegen € 0,3988 per kWh, resulterend in een bedrag van € 254,36. Voor het vastrecht wordt uitgegaan van (101/365e deel van € 306,00 =) € 84,67 en voor de belastingteruggave van (101/365e deel van € 742,98 =) € 205,59.
2.9
Gelet op het voorgaande komen de door [partij B] in verband met dit geschatte verbruik verschuldigde bedragen neer op (€ 166,79 + € 65,81 =) € 232,60 voor gas en
(€ 254,36 + € 84,67 - € 205,59 =) € 133,44 voor elektriciteit; in totaal € 366,04.
De periode van 10 augustus 2022 tot 1 mei 2024
2.1
De vordering van de maatschap ziet op de volgende periodes:
  • 10 augustus 2022 tot 10 augustus 2023 (met door Eneco in rekening gebrachte kosten voor gas en stroom van in totaal € 3.562,05)
  • 10 augustus 2023 tot 25 september 2023 (waarin haar verbruikskosten € 185,14 waren)
  • 25 september 2023 tot 25 november 2023 (waarin zij aan Coteq € 720,05 moest betalen en aan Enexis € 629,70)
 december 2023 (met (volgens Essent) € 440,86 aan kosten voor stroom en € 501,95 voor gas)
 januari 2024 (stroom € 538,89 en gas € 696,22)
 februari 2024 (stroom € 405,47 en gas € 477,51)
 maart 2024 (stroom € 361,38 en gas € 410,72) en
 april 2024 (stroom € 275,17 en gas € 332,78).
Totale kosten over de gehele huurperiode en voorschotten
2.11
Uit het voorgaande volgt dat [partij B] over de gehele huurperiode van twee jaar in totaal € 9.903,93 aan kosten (de som van de hiervoor onder 2.9 en 2.10 vermelde bedragen) voor stroom en gas verschuldigd is. In die twee jaar zou zij volgens de maatschap in de maand november 2023 geen voorschot hebben betaald, reden waarom zij bij akte haar eis heeft vermeerderd. [partij B] heeft zich niet verzet tegen de eiswijziging en heeft evenmin betwist dat het voorschot (uiteindelijk) niet is voldaan. Nu partijen er verder vanuit gaan dat in de overige 23 maanden telkens een voorschot van € 233,00 is betaald, strekt op voormeld bedrag van € 9.903,93 een bedrag van (23 × € 233,00 =) € 5.359,00 in mindering, resulterend in een bedrag van € 4.544,93.
Andere in mindering te brengen bedragen
2.12
Van laatstgenoemd bedrag moet ook een bedrag van € 405,00 in verband met huurprijsvermindering en een bedrag van € 400,00 (in plaats van € 300,00) aan borg worden afgetrokken. Uit de door de maatschap bij haar akte overgelegde productie blijkt immers dat [partij B] op 17 mei 2022 een bedrag van € 1.308,00 aan huur en borg heeft betaald, terwijl de huurprijs € 675,00 bedroeg en het te betalen voorschot kosten nutsvoorzieningen
€ 233,00. Dit resulteert in een door [partij B] te betalen hoofdsom van € 3.739,93.
Wettelijke rente
2.13
De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, nu de maatschap niets heeft gesteld omtrent (de datum van) het verzuim.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.14
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het
Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Hoewel de hoogte van de toe te wijzen hoofdsom zou leiden tot een bedrag van € 603,78 (inclusief btw, aangezien de maatschap te kennen heeft gegeven de btw niet te kunnen verrekenen), zal een bedrag van € 548,85 worden toegewezen. In de door de maatschap overgelegde wordt immers (slechts) melding gemaakt van dat bedrag aan incassokosten (“exclusief btw”), zonder daarbij ook aanspraak te maken op (een bepaald bedrag aan) btw.
2.15
De kantonrechter merkt nog op dat zij het in artikel 25.2 van de toepasselijke “algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte” (ROZ-model 2017) opgenomen beding met betrekking tot (incasso)kosten niet ambtshalve heeft getoetst, nu niet is gebleken dat de maatschap in de verhouding tot [partij B] moet worden aangemerkt als handelaar in de zin van de consumentenrichtlijn [1] .
Proceskosten
2.16
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de maatschap worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,12
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.409,12
in reconventie
2.17
Zoals in het tussenvonnis van 9 december 2025 al is vermeld (overweging 4.2), is de vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat [partij B] “per saldo meer van de maatschap heeft te vorderen dan de maatschap van haar heeft gevorderd”. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, blijft het in reconventie gevorderde buiten beschouwing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
veroordeelt [partij B] om aan de maatschap te betalen een bedrag van € 3.739,93 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [partij B] om aan de maatschap te betalen een bedrag van € 548,85 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.409,12, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Richtlijn 93/12/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten