ECLI:NL:RBOVE:2026:4038

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
C/08/331361 / HA RK 25-23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 186 RvArt. 202 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vervanging deskundige in civiele procedure over constructieve veiligheid en hersteladvies

In deze civiele procedure heeft verzoeker verzocht om vervanging van de door de rechtbank benoemde deskundige Elfrink, die een voorlopig deskundigenbericht heeft uitgebracht over de constructieve veiligheid van een vloerwandaansluiting, de deugdelijkheid van een hersteloplossing en de schadebegroting.

Verzoeker stelde dat het rapport van Elfrink op onjuiste feitelijke uitgangspunten berust, geen eigen onderzoek bevat, procedurele onregelmatigheden kent en een ondeugdelijk herstelvoorstel bevat. De rechtbank overwoog dat de vraag of het rapport gevolgd moet worden aan de bodemrechter is voorbehouden en dat het verzoek tot vervanging een herhaling van zetten betreft die in strijd is met de goede procesorde, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het rapport zodanige gebreken vertoont dat de bodemrechter het niet zal volgen.

De rechtbank oordeelde dat Elfrink een zelfstandig en op eigen deskundigheid gebaseerd oordeel heeft gegeven, uitgebreid is ingegaan op de bezwaren en dat de vermeende feitelijke onjuistheden onvoldoende zijn onderbouwd om vervanging te rechtvaardigen. Ook het herstelvoorstel werd niet als ondeugdelijk aangemerkt, mede omdat Elfrink meerdere herstelmaatregelen heeft voorgesteld en de kostenramingen toelichtte.

Verder werden de procedurele bezwaren verworpen, omdat de gang van zaken tijdens de schouw en de conceptfase niet tot schending van de gedragscode of het beginsel van hoor en wederhoor leidden. Het meer subsidiaire verzoek tot aanvullend onderzoek werd eveneens afgewezen. Verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten van verweerster.

Uitkomst: Het verzoek tot vervanging van de deskundige wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: C/08/331361 / HA RK 25-23
Beschikking van 30 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaten: mrs. M.B. Breedijk, C.AM. Luttikhuis en W. ten Tusscher,
tegen
[verweerster] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. W.M.J.M. Heijltjes.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift tot vervanging deskundige met producties,
- het verweerschrift met producties,
- de aanvullende producties van beide partijen,
- de mondelinge behandeling van 8 juni 2026, waarbij beide partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij ook gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
Bij beschikking van 25 augustus 2025 heeft deze rechtbank, locatie Almelo, op verzoek van [verzoeker] een voorlopig deskundigenbericht gelast en daartoe ing. P.B.J.M. Elfrink (hierna: Elfrink) benoemd om de in de beschikking opgenomen vraagstelling te beantwoorden.
2.2
Op 26 januari 2026 heeft Elfrink zijn concept-rapport uitgebracht. Beide partijen hebben de gelegenheid gehad om te reageren op het concept-rapport en hebben daarvan gebruik gemaakt.
2.3
Bij brief van 16 maart 2026 heeft de rechtbank het definitieve rapport alsmede de eindnota ad € 14.870,90 van Elfrink ontvangen.
2.4
Van de zijde van [verzoeker] is bij bericht van eind maart 2026, aangevuld begin april 2026, bezwaar gemaakt tegen de eindnota van Elfrink. Elfrink heeft gereageerd op dit bezwaar.
2.5
Op 27 maart 2026 is namens [verzoeker] (ook) een verzoekschrift tot vervanging van Elfrink ingediend. Medio april 2026 heeft [verweerster] een verweerschrift ingediend.
2.6
Bij beschikking van 1 mei 2026 heeft de rechtbank de kosten van Elfrink, bestaande uit loon en schadeloosstelling, op een totaalbedrag van € 14.870,90,-, inclusief btw, begroot en bepaalt dat de griffier dit bedrag uit het gestorte voorschot betaalt.

3.Het verzoek en het verweer

3.1
Het verzoek van [verzoeker] strekt (kort gezegd)
primairtot vervanging van Elfrink, met handhaving van de in de bij beschikking van 25 augustus 2025 geformuleerde vraagstelling, althans een in goede justitie te formuleren vraagstelling, althans
subsidiairtot een aanvul-lend onderzoek door een tweede onafhankelijke deskundige, gericht op de punten waarop het rapport aantoonbaar op onjuiste feitelijke uitgangspunten berust, te weten (a) de con-structieve veiligheid van de vloerwandaansluiting, (b) de deugdelijkheid van de voorgestel-de hersteloplossing en (c) de begroting van de schade, althans
meer subsidiairom Elfrink op te dragen alsnog een eigen verificatieberekening uit te voeren op basis van de bij de schouw vastgestelde feitelijke waarden, en het rapport niet als definitief te accepteren alvorens Elfrink gemotiveerd heeft gereageerd op de in de reactie van 6 maart 2026 [1] aangevoerde bezwaren, dit alles met veroordeling van [verweerster] in de kosten van dit verzoek, althans een in goede justitie te nemen beslissing.
3.2
[verweerster] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
3.3
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
4.1
Op grond van artikel 202 lid Pro 1, derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn de bepalingen die gelden voor het gewone deskundigenbericht (artikel 186 -192 Rv) van overeenkomstige toepassing op het voorlopig deskundigenbericht. Dit betekent dat voor zover de bepalingen van het gewone deskundigenbericht niet in strijd zijn met de aard van het voorlopig deskundigenbericht, het voorlopig deskundigenbericht op dezelfde wijze verloopt als een gewoon deskundigenbericht.
4.2
Artikel 186 Rv Pro luid voor zover van belang als volgt:
“(…)
4. Als een deskundige de benoeming niet aanneemt of zijn taak niet naar behoren zal kunnen volbrengen of weigerachtig is dit te doen, kan de rechter ambtshalve of op verzoek van een of beide partijen, na overleg met partijen, een andere deskundige in zijn plaats benoemen.
5. De rechter kan, op verzoek van een partij of ambtshalve, aan de deskundigen het geven van een nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling bevelen. Pas nadat de deskundigen hiertoe in de gelegenheid zijn gesteld, kan de rechter, na overleg met partijen, een of meer andere deskundigen benoemen, tenzij de rechter een nadere toelichting of aanvulling niet zinvol acht."
Artikel 186 lid 4 Rv Pro
4.3
Voor zover [verzoeker] het verzoek baseert op artikel 186 lid 4 Rv Pro wijst de rechtbank dit verzoek af. Reden daarvoor is dat het verzoek tot vervanging van de deskundige is ingediend nadat het definitieve rapport van Elfrink is ontvangen door de rechtbank. Dit betekent dat een situatie als bedoeld in artikel 186 lid 4 Rv Pro niet meer aan de orde is.
Artikel 186 lid 5 Rv Pro
4.4
Voor zover [verzoeker] de rechtbank verzoekt een andere deskundige te benoemen op grond van artikel 186 lid 5 Rv Pro overweegt de rechtbank als volgt.
4.5
[verzoeker] verlangt in deze zaak in feite dat er (primair) een geheel nieuw deskundigen-onderzoek, waarbij dezelfde vraagstelling wordt voorgelegd, althans (subsidiair) een aanvullend deskundigenonderzoek door een andere bouwkundige deskundige wordt gelast. Het primaire verzoek is gegrond op de stelling dat het door Elfrink uitgevoerd voorlopig deskundigenonderzoek niet bruikbaar zou zijn. Redenen daarvoor zijn volgens [verzoeker] (kort gezegd) dat (1) het rapport van Elfrink niet op een eigen onderzoek en zelfstandig oordeel is gebaseerd, (2) op onjuiste feitelijke uitgangspunten berust, (3) tot stand is gekomen met procedurele onregelmatigheden en (4) een ondeugdelijk herstelvoorstel bevat. Het subsidiaire verzoek is gebaseerd op het betoog dat het rapport van Elfrink aantoonbaar op onjuiste feitelijke uitgangspunten berust.
4.6
De rechtbank stelt voorop dat in deze zaak niet de beantwoording van de vraag voorligt of Elfrink al dan niet in zijn bevindingen moet worden gevolgd. Beantwoording van die vraag is immers voorbehouden aan de bodemrechter. In een bodemprocedure geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel zal de bodemrechter, in een geval waarin de opinie van andere, door een van partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. [2]
4.7
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het verzoek tot benoeming van een andere deskundige om de in de beschikking van 25 augustus 2025 opgenomen vraagstelling te beantwoorden een herhaling van zetten die in beginsel in strijd met de goede procesorde moet worden geacht. Dat kan anders zijn als de verzoekende partij (in dit geval [verzoeker] ) aannemelijk maakt dat aan (de totstandkoming van) het deskundigenbericht van Elfrink zodanige bezwaren kleven dat met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de bevindingen van hem niet zal volgen. Het enkele feit dat [verzoeker] tegen het deskundigenbericht van Elfrink specifieke, door een andere (partij-) deskundige, ondersteunde, bezwaren aanvoert ter betwisting van de juistheid van de in het deskundigenbericht vervatte bevindingen, volstaat derhalve niet. Bedacht moet worden dat de bodemrechter, indien hij de bezwaren gegrond acht, veelal de mogelijkheid heeft om alsnog een nader deskundigenonderzoek te gelasten. [3]
4.8
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond van het wettelijk kader zal de rechtbank de door [verzoeker] aangevoerde gronden beoordelen.
Geen eigen onderzoek en zelfstandig oordeel van de deskundige
4.9
De rechtbank is van oordeel dat niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de bevindingen van Elfrink niet volgt met als reden dat Elfrink een rapport heeft uitgebracht zonder eigen onderzoek te verrichten dan wel zich een zelfstandig oordeel te vormen. Voor zover [verzoeker] betoogt dat het de opdracht aan Elfrink was om de twee tegengestelde constructieve beoordelingen van ArtConV Ingenieursbureau (hierna: ArtConV) (van de zijde van [verweerster] ) en die van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) (van de zijde van [verzoeker] ) met een eigen toets te beslechten, volgt de rechtbank hem hierin niet. De in de beschikking van 25 augustus 2025 opgenomen vraagstelling is hoofdzakelijk gebaseerd op de in het verzoek tot voorlopig deskundigen-bericht opgenomen voorgestelde vragen, met dien verstande dat de rechtbank sommige vragen enigszins heeft geherformuleerd en één vraag niet heeft opgenomen. In de voorge-stelde vragen van [verzoeker] is geen specifieke vraag opgenomen die ziet op het verrichten van een eigen (controle)berekening/toets van de constructieve beoordelingen van ArtConV en [bedrijf] en naar het oordeel van de rechtbank ligt een dergelijke constructieve (controle-) berekening ook niet besloten in de uiteindelijk geformuleerde vraagstelling. In dit verband kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat Elfrink een constructieve controleberekening in zijn, ook aan partijen toegestuurde, begroting reeds onder “exclusief” heeft geplaatst. Voorafgaande aan de definitieve benoeming van Elfrink was [verzoeker] ervan op de hoogte dat Elfrink meende dat een constructieve controleberekening niet in de (begroting van de) opdracht was opgenomen. Als [verzoeker] dat wel had gewenst had het op zijn weg gelegen om daar voorafgaand aan de definitieve benoeming van de deskundige en bij de aan hem voorgelegde vraagstelling (expliciet) aandacht voor te vragen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat een voorlopig deskundigenonderzoek verschilt van een gewoon deskundigenonderzoek. Een voorlopig deskundigenonderzoek dient tot het vergaren en veiligstellen van bewijs ten behoeve van een partij die een procedure overweegt. Zo kan een voorlopig deskundigenonderzoek ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen. Een gewoon deskundigenonder-zoek wordt door een rechter in een lopende procedure gelast en dient primair ter voor-
lichting van een rechter. Dat maakt dat de rol van de rechter bij een voorlopig deskundigen-bericht anders is dan bij een gewoon deskundigenbericht.
4.1
Los van het vorenstaande heeft [verzoeker] binnen het hiervoor geschetste kader niet aannemelijk weten te maken dat het definitieve rapport van Elfrink een zelfstandig en een op eigen deskundigheid gebaseerd oordeel ontbeert op grond waarvan het aannemelijk moet worden geacht dat de bodemrechter het rapport terzijde zal schuiven. Elfrink heeft de relevante stukken uit het dossier bestudeerd en uitgelegd welke normen, richtlijnen en gebruiken hij bij zijn beoordeling heeft betrokken. Hij heeft een schouw van de kelder verricht en heeft zijn waarnemingen, metingen en bevindingen bij de beantwoording van de vragen betrokken. Het is aan een deskundige op welke wijze hij zijn onderzoek inricht om de aan hem voorgelegde vraagstelling te beantwoorden. Het staat een deskundige vrij om bij zijn beoordeling de door partijen ingebrachte rapporten van partij-deskundigen te betrekken. Elfrink heeft dat ook gedaan. In zijn rapport besteedt Elfrink uitgebreid aandacht aan de rapporten van [bedrijf] en ArtConV. Dat een door de rechtbank ingeschakelde deskundige op bepaalde onderdelen (gemotiveerd) de visie, standpunten of aannames van een of meerdere partij-deskundigen al dan niet deelt, betekent niet dat er geen zelfstandige oordeelsvorming heeft plaatsgevonden.
Feitelijke onjuistheden
4.11
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de concept-rapportage van Elfrink een reeks meetbare, verifieerbare feitelijke onjuistheden (onder meer ten aanzien van vloerdikte, opstort, ophogingsconstructie, overlapping, extra stekken, fotomateriaal, kimband, verticale stootvoegen, dorpels en de drainage) bevat. Deze onjuistheden staan niet op zichzelf maar elke afwijking werkt in dezelfde richting. In alle gevallen wijst de feitelijke situatie in de richting van een constructie die minder draagkrachtig en minder waterdicht is dan het concept-rapport aanneemt. Dit werpt de vraag op of de kelder in zijn huidige toestand de constructieve veiligheid biedt die de bewoner ervan mag verwachten. Elfrink heeft nagelaten de feitelijke onjuistheden in zijn definitieve rapportage te corrigeren, aldus [verzoeker] .
4.12
De rechtbank constateert dat Elfrink in zijn definitieve rapport uitgebreid en gemotiveerd is ingegaan op de door [verzoeker] vermelde gestelde feitelijke onjuistheden in de reactie op het concept-rapport. Uit de (ongeveer 20 pagina’s tellende) reactie van Elfrink volgt (kort gezegd) dat hij in hetgeen namens [verzoeker] hierover naar voren is gebracht geen aanleiding ziet om tot andere bevindingen en conclusies te komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan thans niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een ontoereikende motivering door Elfrink, zodanig dat dat een benoeming van een andere deskundige rechtvaardigt. Dat [verzoeker] het niet eens is met de visie en de conclusies van Elfrink vormt een onvoldoende reden om een andere deskundige te benoemen.
Ondeugdelijk herstelvoorstel
4.13
[verzoeker] stelt dat er een andere deskundige moet worden benoemd omdat het advies van Elfrink ter zake het herstel ondeugdelijk is. Daarvoor draagt [verzoeker] de volgende argumenten aan. De producent van het voor injectie benodigde materiaal heeft verklaard dat het waterdicht injecteren van de onderhavige constructie niet mogelijk is. Daarnaast is injectie in het verleden meerdere keren zonder succes toegepast. Het herstelvoorstel van Elfrink gaat voorbij aan de constructieve oorzaak van de lekkages. De eerder mislukte injectiepogingen bevestigen dit. Het herstelvoorstel mist een deugdelijke analyse van de vraag welk herstel nodig is om de constructie in een toestand te brengen die aan de daaraan te stellen eisen voldoet doordat de constructieve oorzaak van de lekkages niet in het herstel-voorstel is betrokken. Een herstelvoorstel dat de oorzaak van het gebrek onbesproken laat en uitsluitend op symptoombestrijding is gericht, kan niet dienen als grondslag voor de begroting van de schade. De ontoereikendheid van het herstelvoorstel van Elfrink wordt ook geïllustreerd door het verschil in raming van integraal herstel. Top Expertises raamt de kosten van deugdelijk herstel op € 735.340,- (inclusief btw), terwijl het herstelvoorstel van Elfrink wordt geraamd op € 7.000,- (exclusief btw). Elfrink heeft de keuze voor injectie als herstelmethode volgens [verzoeker] ontoereikend gemotiveerd en handhaaft in zijn definitieve rapport ten onrechte het herstelvoorstel. [verweerster] kan zich niet vinden in de kritiek van [verzoeker] op het hersteladvies van Elfrink en verwijst daarbij onder meer naar het rapport van [naam 3] van 18 september 2024.
4.14
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bodemrechter het rapport van Elfrink terzijde zal schuiven omdat het daarin opgenomen herstelvoorstel als ondeugdelijk moet worden gekwalificeerd. De rechtbank stelt vast dat Elfrink in zijn rapport niet enkel het injecteren als herstelmaatregel heeft genoemd. Volgens Elfrink is herstel mogelijk door een combinatie van maatregelen, namelijk:
  • injecteren van watervoerende scheuren en stortnaden met daarvoor geëigende hars‑ of gelmaterialen, uitgevoerd door een gespecialiseerd bedrijf;
  • het alsnog aanbrengen van structurele drainage‑ en interceptiesystemen, waaronder
interceptiedrains, perceelsdrains en eventueel ringdrains;
- het gebruik van verzamelputten met pompsystemen, waar vrije afvoer niet mogelijk is.
Daarbij heeft Elfrink tevens opgemerkt dat de herstelkosten minder goed zijn vast te stellen. Elfrink vermeldt (schattenderwijs) het bedrag van € 7.000,- (excl. btw), aan injectiekosten, maar dat is niet het enige bedrag dat wordt vermeld. Zo wordt er (onder andere) ook een globale kostenindicatie gegeven met betrekking tot (mogelijke) aanvullende dan wel corri-gerende drainage- en interceptievoorzieningen van € 15.000,- tot € 38.000,-. Elfrink heeft daarbij afdoende toegelicht waarom dit een globale kostenindicatie betreft. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar bladzijde 83 en 84 van het deskundigenbericht van Elfrink. De rechtbank stelt tevens vast dat [verzoeker] in de conceptfase al naar voren heeft gebracht dat er in zijn ogen sprake was van een ondeugdelijk hersteladvies. Elfrink heeft daarop uitgebreid en gemotiveerd gereageerd en daarbij ook het rapport van Top Expertises betrokken. Voor zover door [verzoeker] is aangevoerd dat Elfrink niet is ingegaan op de mededeling van [naam 2] , de producent van het injectiemateriaal, dat het waterdicht injecteren in de gegeven omstan-digheden niet mogelijk is, overweegt de rechtbank dat zij vooralsnog niet inziet waarom Elfrink niet de opmerking kon maken dat in het dossier een concrete, verifieerbare onder-bouwing ontbreekt waaruit blijkt dat injecteren als techniek in dit geval technisch onmoge-lijk is of dat het toegepaste injectiemateriaal intrinsiek ondeugdelijk of ongeschikt zou zijn. In voornoemde reactie van [verzoeker] wordt immers niet concreet verwezen naar een bijlage/ productie met een mededeling/verklaring van [naam 2] en ook uit het overzicht van bijlagen/ producties bij voornoemde reactie blijkt niet dat een dergelijke mededeling/verklaring is overgelegd aan Elfrink. In het onderhavige verzoekschrift wordt gesteld dat de mededeling van [naam 2] zich in het dossier bevindt, maar (opnieuw) ontbreekt een concrete verwijzing naar een productie/bijlage met een verklaring/mededeling van [naam 2] . Uit de productielijst bij het onderhavig verzoekschrift blijkt hiervan evenmin. Dat [verzoeker] het niet eens is met bevindingen van Elfrink ter zake het herstel vormt op zichzelf geen reden om deze bevindingen als ondeugdelijk te kwalificeren en een andere deskundige te benoemen.
Procedurele onregelmatigheden
4.15
[verzoeker] betoogt dat er sprake is van procedurele onregelmatigheden en wijst daarbij op de gang van zaken tijdens de schouw en de gebrekkige conceptfase.
4.16
De gang van zaken tijdens de schouw, meer in het bijzonder de onaangekondigde aanwezigheid van een adviseur, de heer [naam 1] aan de zijde van [verweerster] (hierna: [naam 1] ), rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat er een andere deskundige moet worden benoemd. Van de zijde van [verzoeker] is dit aspect ook naar voren gebracht in de reactie op het concept-rapport en de deskundige heeft hierop gereageerd. Ook van de zijde van [verweerster] is hierop gereageerd in het verweerschrift. [verzoeker] heeft niet (voldoende) weersproken dat hij niet heeft geprotesteerd tegen de aanwezigheid van [naam 1] . Als [verzoeker] er wel bezwaar tegen had dat [naam 1] de schouw bijwoonde, had het op zijn weg gelegen om daar op dat moment of na toezending van het gespreksverslag bezwaar tegen te maken, te meer nu hij tijdens de schouw werd bijgestaan door twee advocaten. Dat Elfrink [naam 1] enkele (technische) vragen heeft gesteld doet aan het voorgaande niet af.
4.17
De rechtbank stelt vast dat Elfrink (zeer) uitgebreid en gemotiveerd is ingegaan op de reacties van partijen naar aanleiding van de door hem gemaakte concept-rapportage. Met inachtneming van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat, anders dan [verzoeker] meent, niet geconcludeerd kan worden dat de deskundige niet heeft voldaan aan de Gedrags-code voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken (hierna: de Gedragscode) of dat het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen. Daarbij wordt ook in ogenschouw genomen dat de reacties van partijen als bijlagen bij het rapport zijn gevoegd. Dit is niet ongebruikelijk.
4.18
De rechtbank stelt vast dat het e-mailbericht van 2 januari 2026 van Elfrink niet alleen naar de advocaat van [verweerster] is gestuurd, maar ook naar de advocaten van [verzoeker] . Bij e-mailbericht van 13 maart 2026 heeft Elfrink richting de advocaat van [verweerster] , met in cc de advocaten van [verzoeker] , gereageerd op het e-mailbericht van diezelfde dag van de advocaat van [verweerster] . Uit het e-mailbericht van Elfrink blijkt dat hij het verzoek met memo terzijde schuift. De deskundige kan een partij uitstel verlenen om te reageren op (bijvoorbeeld) een gespreksverslag of een verzoek. Niet kan worden geconcludeerd dat de handelwijze van de deskundige ter zake in strijd is met de Gedragscode dan wel de Leidraad deskundigen in civiele zaken (hierna: de Leidraad). Bovendien heeft [verzoeker] dit aspect ook niet in de concept-fase aan de orde gesteld. Betreffende het (slot)verzoek van [verzoeker] aan Elfrink om alvorens het rapport definitief te maken kenbaar te maken of en in hoeverre hij bereid is zijn rapport (kort gezegd) te rectificeren op onderdelen behoeft in beginsel geen (andere) reactie van de deskundige te volgen (dan hij heeft gegeven). Ook anderszins kan niet worden geconcludeerd dat de conceptfase gebrekkig is verlopen of dat de Gedragscode en/of de Leidraad is geschonden.
4.19
Gelet op de gehele gang van zaken tijdens het deskundigentraject en het rapport van Elfrink bestuderend is de rechtbank van oordeel dat niet de conclusie kan worden getrokken dat Elfrink geen onafhankelijk advies heeft uitgebracht dan wel dat hij de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt dan wel dat er sprake is geweest van een ongelijke behandeling van partijen door Elfrink.
De nader ingebrachte memo’s
4.2
[verzoeker] heeft in verband met het onderhavige verzoekschrift een memo van ABT van 12 mei 2026 in het geding gebracht. [verweerster] heeft in reactie daarop een memo van ArtConV van 29 mei 2026 en een productietekening van de fabrikant van de Alvon wanden overgelegd.
4.21
In het licht van het vorenoverwogene en gelet op het geschetste toetsingskader staat de aard van de onderhavige procedure een beoordeling van de nader ingebrachte rapporten, in het bijzonder het rapport van ABT, in relatie tot het deskundigenbericht van Elfrink, in de weg. Het is immers de bodemrechter die de vraag moet beantwoorden of Elfrink in zijn bevindingen moet worden gevolgd.
Tussenconclusie
4.22
Met inachtneming van het vorenoverwogene acht de rechtbank de bezwaren van [verzoeker] afzonderlijk en ook in onderlinge samenhang bezien dan ook niet van voldoende gewicht om op dit moment een andere deskundige te benoemen. Hetgeen overigens is aangevoerd door [verzoeker] leidt niet tot een andersluidende conclusie. Dit betekent dat het primaire en subsidiaire verzoek worden afgewezen.
Het meer subsidiaire verzoek
4.23
Het meer subsidiaire verzoek zal de rechtbank ook afwijzen. Reden daarvoor is dat Elfrink in zijn rapport uitgebreid heeft gemotiveerd en onderbouwd dat er geen sprake is van constructieve onveiligheid, maar van een BGT [4] ‑vraagstuk waarvoor proportionele herstel-maatregelen volstaan. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank op dit moment geen meerwaarde in een aanvullend onderzoek door Elfrink in de vorm van het uitvoeren van een verificatie-berekening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Elfrink uitgebreid en gemotiveerd gereageerd op de reactie van [verzoeker] op zijn concept-rapport, zodat daarin ook geen reden is gelegen het meer subsidiaire verzoek in zoverre toe te wijzen.
Slotsom
4.24
Op grond van het voorgaande is de slotsom dat het verzochte door [verzoeker] wordt afgewezen. Nu [verzoeker] in het ongelijk wordt gesteld moet hij de proceskosten van [verweerster] betalen. Deze kosten worden begroot op € 1.495,- (€ 1.306,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II van € 653,-) en de nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)).

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzochte door [verzoeker] af,
5.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.495,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2026.

Voetnoten

1.Productie 3 van [verzoeker] bij dit verzoekschrift.
2.vgl. o.a. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921.
3.vgl. HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5448.
4.BGT staat voor bruikbaarheidsgrenstoestand.