ECLI:NL:RBOVE:2026:4042

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/08/340781 / HA ZA 25-395
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:404 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid fiscaal adviseur voor beroepsfouten zonder causaal verband met schade

Oveon B.V. vordert tegen [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2], fiscaal adviseur en bestuurder, een verklaring voor recht dat zij tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun adviserende verplichtingen en onrechtmatig hebben gehandeld, met schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 2] twee beroepsfouten heeft gemaakt: het nalaten om te waarschuwen voor zijn gebrek aan deskundigheid bij beoordeling van een vaststellingsovereenkomst en het doen van stellige uitspraken over de kans van slagen van een vordering.

Desondanks wijst de rechtbank de schadevergoeding af omdat Oveon niet heeft aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen deze fouten en de door haar geleden schade. De rechtbank benadrukt dat de advisering primair fiscaal was en dat van een fiscaal adviseur niet verwacht mag worden dat hij civielrechtelijke bepalingen inhoudelijk beoordeelt.

De rechtbank verklaart voor recht dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in haar contractuele verplichtingen en dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld, maar compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart tekortkoming en onrechtmatig handelen, maar wijst de schadevergoeding af wegens ontbreken van causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/340781 / HA ZA 25-395
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
OVEON B.V.,
te Urk,
eisende partij,
hierna te noemen: ‘Oveon’,
advocaten: mr. M.M.N.C. Schellekens en mr. M.C. Nass,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ‘[gedaagde 1] en [gedaagde 2]’ en ieder afzonderlijk: ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’,
advocaten: mr. V. Meijer en mr. M. Zinnemers.
Samenvatting
Tussen Oveon en [gedaagde 1] bestond een overeenkomst van opdracht (tot advisering). De opdracht werd feitelijk uitgevoerd door [gedaagde 2]. Volgens Oveon heeft [gedaagde 2] niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mag worden verwacht. Oveon betoogt dat [gedaagde 1] (als contractuele wederpartij) en [gedaagde 2] (als degene die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd) daarom zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en/of onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Zij vordert een verklaring voor recht met deze strekking en een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot vergoeding van de schade die zij stelt hierdoor te hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] bij de uitvoering van de opdracht twee beroepsfouten heeft gemaakt. De gevorderde verklaring voor recht wordt (in enigszins aangepaste vorm) toegewezen. Dat leidt echter niet tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding omdat het causaal verband tussen de beroepsfouten en de door Oveon gestelde schade niet komt vast te staan. Die vordering van Oveon wordt dus afgewezen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 28 oktober 2025 met producties 1 t/m 14;
  • de conclusie van antwoord van 24 december 2025 met producties 1 t/m 8;
  • productie 9 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 24 april 2026;
  • productie 14a t/m 21 van Oveon van 28 april 2026;
  • de akte houdende wijziging eis en overlegging producties van Oveon van
5 mei 2026 met producties 22 en 23;
  • de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken;
  • de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 19 mei 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
[gedaagde 1] is een belastingadvieskantoor. [gedaagde 2] is adviseur en tevens enig bestuurder van [gedaagde 1].
2.2
Eind 2022 zijn Oveon en [gedaagde 1] overeengekomen dat [gedaagde 1] Oveon zou adviseren over een voorgenomen herstructurering. In die tijd werd het bestuur van Oveon gevormd door: [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Deze drie waren tevens middellijk aandeelhouder in Oveon via hun holdings [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]), [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]). De aanleiding voor de voorgenomen herstructurering was een geschil tussen [naam 1] enerzijds en [naam 2] en [naam 3] anderzijds.
2.3
Oveon was eind 2022 op haar beurt één van de drie aandeelhouders in Sentium B.V. (hierna: Sentium). De andere twee aandeelhouders in Sentium waren [naam 4] en [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4]). Het bestuur van Sentium werd gevormd door [bedrijf 1], [naam 4] en [bedrijf 4].
2.4
Hieronder staat een grafisch overzicht van de aandeelhouders- en bestuurdersrelaties binnen Oveon en Sentium:
[Afbeelding]
Op 13 januari 2023 hebben [naam 2] en [naam 3] zich onttrokken als bestuurders van Oveon vanwege hun geschil met [naam 1]. Als gevolg daarvan ontstond voor Oveon de verplichting tot aanbieding van haar aandelen in Sentium aan [naam 4] en [bedrijf 4].
2.6
Op 24 januari 2023 vond hierover een aandeelhoudersvergadering plaats, waarbij namens Oveon [naam 1] als enig overgebleven bestuurder aanwezig was. Op verzoek van [naam 1] was ook [gedaagde 2] aanwezig.
2.7
De afspraken die tijdens deze aandeelhoudersvergadering zijn gemaakt, zijn in de dagen hierna vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst tussen Oveon, [naam 4] en [bedrijf 4]. Deze vaststellingsovereenkomst werd opgemaakt door de advocaat die [naam 4] en [bedrijf 4] bijstond. Voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zijn er verschillende concepten rondgestuurd. Op verzoek van [naam 1] heeft [gedaagde 2] deze concepten meegelezen.
2.8
In het eerste concept van de vaststellingsovereenkomst stond de volgende bepaling (hierna ook: artikel 6):
Artikel 6 Vrijwaring Pro
Na uitvoering van deze Overeenkomst verlenen Schol[de oude naam van Oveon, toevoeging rechtbank]
, [bedrijf 4] en [naam 4] elkaar volledige en finale kwijting en verklaren zij dat zij geen vorderingen meer op elkaar hebben op welke grond en onder welke titel dan ook.”
2.9
Op 31 januari 2023 is een nieuw concept rondgestuurd, met daarin een aantal wijzigingen en toevoegingen. In dit concept was door de advocaat van [naam 4] en [bedrijf 4] aan artikel 6 de Pro volgende uitzondering toegevoegd:
“Uitgezonderd hiervan is de vordering van de Vennootschap[Sentium, toevoeging rechtbank]
op Schol in verband met het onrechtmatig door [bedrijf 1] BV (handelend als bestuurder van de Vennootschap) betaalde bedrag groot EUR 37.950,-.”
De achtergrond van deze uitzondering was als volgt. Eind 2022 had [bedrijf 1] zonder overleg met [naam 4] en [bedrijf 4] een bedrag van € 52.800,00 overgeschreven van de bankrekening van Sentium naar de bankrekening van Oveon, ter overboeking van interim-dividend. Op 3 januari 2023 heeft Oveon hiervan € 14.850,00 terugbetaald. De uiteindelijke betaling bedroeg dus € 37.950,00.
2.1
Naar aanleiding van de toegevoegde uitzondering op artikel 6 heeft Pro [gedaagde 2] contact gezocht met de advocaat van [naam 4] en [bedrijf 4] en hem te kennen gegeven dat hij vond dat de toevoeging een “ontoelaatbare beperking van de vrijwaring” opleverde en dat hij wilde dat deze weer werd geschrapt. [gedaagde 2] heeft vervolgens aan [naam 1] laten weten dat hij dit met de advocaat van [naam 4] en [bedrijf 4] had besproken.
2.11
Op 1 februari 2023 heeft de advocaat van [naam 4] en [bedrijf 4] een nieuwe versie van de vaststellingsovereenkomst gedeeld. In deze versie luidde artikel 6 weer Pro zoals hierboven onder 2.8 is weergegeven. De toevoeging van 31 januari 2023 was dus weer verwijderd.
2.12
Kort hierna is de vaststellingsovereenkomst – met artikel 6 luidend Pro zoals hierboven is weergegeven onder 2.8 – ondertekend door [naam 1] (namens Oveon), [naam 4] en [bedrijf 4]. Sentium heeft de vaststellingsovereenkomst ondertekend ‘
voor kennisneming en acceptatie verplichtingen op grond van artikel 5’. Artikel 5 gaat Pro over de ontbinding van enkele overeenkomsten en over de beëindiging van de feitelijke samenwerking tussen Oveon en Sentium.
2.13
Kort hierna zijn [naam 2] en [naam 3] weer toegetreden als bestuurder van Oveon. [naam 1] is afgetreden als bestuurder en uiteindelijk ook uitgekocht als aandeelhouder.
2.14
Op 23 februari 2023 ontving Oveon een mail van Sentium, waarin Sentium het bedrag van € 37.950,00 dat [bedrijf 1] naar Oveon had overgeboekt, terugvordert. Volgens Sentium had deze betaling zonder rechtsgrond plaatsgevonden vanwege het ontbreken van een geldig aandeelhouders- en goedkeuringsbesluit. Na een uitwisseling van de nodige mails – waarin Oveon zich beroept op de kwijtingsbepaling uit de vaststellingsovereenkomst en Sentium betoogt daaraan niet gebonden te zijn – is Sentium in mei 2024 een gerechtelijke procedure tegen Oveon begonnen.
2.15
Op 14 juli 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland Oveon veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 37.950,00 aan Sentium, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. In het vonnis staat, samengevat en voor zover nu van belang, het volgende:
  • Het interim-dividend is, in strijd met de statuten, zonder geldig aandeelhouders- en goedkeuringsbesluit uitgekeerd. Sentium heeft het interim-dividend dus onverschuldigd aan Oveon betaald en Oveon moet, na aftrek van het bedrag dat zij reeds had terugbetaald, nog € 37.950,00 terugbetalen.
  • Sentium heeft Oveon geen finale kwijting verleend in de vaststellingsovereenkomst. Sentium was namelijk geen partij bij deze vaststellingsovereenkomst, behalve voor wat betreft de verplichtingen uit artikel 5 van Pro die overeenkomst. De kwijting is geregeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. Alleen Schol (de oude naam van Oveon), [naam 4] en [bedrijf 4] hebben elkaar in dat artikel finale kwijting verleend en verklaren daarin geen vorderingen meer op elkaar te hebben.
Oveon had [naam 4] en [bedrijf 4] in de procedure bij rechtbank Midden-Nederland in vrijwaring opgeroepen, daartoe stellende dat zij Oveon met artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst ook hadden gevrijwaard voor eventuele vorderingen van Sentium. In deze stelling is Oveon niet gevolgd. De rechtbank Midden-Nederland heeft geoordeeld dat Oveon het bedrag van € 37.950,00 niet kan verhalen op [naam 4] en [bedrijf 4]. Oveon is ook in de vrijwaringszaak in de proceskosten veroordeeld.
2.16
Oveon heeft vervolgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld op de grond dat zij ondeugdelijk hebben geadviseerd over de dividenduitkering vanuit Sentium en artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben iedere aansprakelijkheid afgewezen.
2.17
Partijen hebben vervolgens nog verschillende mails uitgewisseld waarin zij hun standpunten nader hebben toegelicht. Deze mails hebben niet geleid tot overeenstemming.

3.Het geschil

3.1
Oveon vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2], gezamenlijk of ieder afzonderlijk, zijn tekortgeschoten in de nakoming van de op hen rustende verbintenis(sen) jegens Oveon en/of te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2], gezamenlijk of ieder afzonderlijk, onrechtmatig jegens Oveon hebben gehandeld;
II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van
€ 106.996,32 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2
Oveon legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot advisering en/of onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar door niet te waarschuwen voor het ontbreken van een rechtsgrond voor de dividenduitkering aan Oveon en door ondeugdelijk te adviseren over artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. De door Oveon gestelde schade bestaat uit het volledige bedrag waartoe zij in de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld (in de hoofdzaak: hoofdsom, rente en proceskosten en in de vrijwaringszaak: proceskosten) en haar werkelijke advocaatkosten.
3.3
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Oveon, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Oveon, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Oveon in de kosten van deze procedure. Zij betwisten dat zij zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun contractuele verplichtingen en/of onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van Oveon. Voor zover wel sprake is geweest van een tekortkoming of onrechtmatig handelen, betwisten zij zowel het causale verband tussen de tekortkoming/het onrechtmatig handelen en de schade alsook de hoogte van de schade. Meer subsidiair voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat Oveon haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Het gaat in deze zaak om een overeenkomst van opdracht tussen Oveon en [gedaagde 1] die feitelijk is uitgevoerd door [gedaagde 2]. Oveon spreekt in deze procedure zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] aan. Oveon baseert haar vorderingen jegens [gedaagde 1] op wanprestatie. De vorderingen jegens [gedaagde 2] zijn gebaseerd op artikel 7:404 BW Pro en op onrechtmatig handelen.
4.2
De rechtbank stelt in dat verband het volgende voorop. Indien een vennootschap als opdrachtnemer jegens een opdrachtgever haar (contractuele of wettelijke) verplichtingen niet nakomt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de door de opdrachtgever geleden schade. Onder omstandigheden kan echter ook degene die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd persoonlijk aansprakelijk zijn. Dat is in de eerste plaats het geval indien – kort gezegd – de opdracht is verleend met het oog op specifiek deze persoon (artikel 7:404 BW Pro). Deze persoon is dan naast de opdrachtnemer jegens de opdrachtgever gebonden en hoofdelijk aansprakelijk. [1] Oveon heeft niet gesteld dat zij [gedaagde 1] de opdracht heeft verleend met het oog op specifiek [gedaagde 2]. Op deze grondslag kunnen de vorderingen tegen [gedaagde 2] dus sowieso niet worden toegewezen. Daarnaast kan degene die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd persoonlijk aansprakelijk zijn indien hij heeft gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm. Hiervoor gelden de in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde eisen. [2]
Beoordelingsmaatstaf: de zorgplicht van een beroepsbeoefenaar
4.3
Zowel bij de beoordeling van de door Oveon gestelde wanprestatie van [gedaagde 1] als bij de beoordeling van het door Oveon gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] geldt dat het optreden van [gedaagde 1] – en in het verlengde daarvan: het optreden van [gedaagde 2] – moet worden getoetst aan de norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar. In geschil is of hierbij moet worden uitgegaan van een
algemeen (civiel) juridischadviseur of van een
fiscaaladviseur als ‘maatman’.
4.4
De rechtbank volgt Oveon niet in haar stelling dat moet worden uitgegaan van een algemeen juridisch adviseur. Voorop staat dat niet in geschil is dat Oveon [gedaagde 1] eind 2022 heeft benaderd met het verzoek om financieel en fiscaal advies te geven over de voorgenomen herstructurering binnen Oveon. Aan [gedaagde 1] werd gevraagd om de aandelen van de betrokken vennootschappen ([bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3]) te waarderen en om te analyseren welke fiscale gevolgen de voorgenomen herstructurering zou hebben voor de in het verleden toegepaste Bedrijfsopvolgingsregeling. Toen kort daarna vanwege het aftreden van twee van haar bestuurders een aanbiedingsverplichting van haar aandelen in Sentium ontstond, heeft Oveon [gedaagde 1] gevraagd om haar ook bij te staan tijdens de onderhandelingen hierover en om in dat kader financieel advies te geven, namelijk over een redelijke prijs voor de aandelen.
4.5
Uit het voorgaande volgt dat tussen Oveon en [gedaagde 1] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen met betrekking tot louter fiscale en financiële advisering. Het was vervolgens [gedaagde 2] die deze opdracht feitelijk uitvoerde. Zijn optreden moet daarom worden getoetst aan de norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend
fiscaaladviseur. Anders dan Oveon betoogt, doet de omstandigheid dat [gedaagde 2] tijdens de uitvoering van deze opdracht uiteindelijk ook betrokken is geraakt bij een civielrechtelijke kwestie
artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst – hier niet aan af. Uitgangspunt is immers de aard en inhoud van de verleende opdracht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onweersproken aangevoerd dat [gedaagde 2] niet als algemeen (civiel) jurist is ingeschakeld door Oveon, dat [gedaagde 2] ook geen algemeen (civiel) jurist is en dat iedereen binnen Oveon daarvan op de hoogte was. Daar waar [gedaagde 2] betrokken is geraakt bij een vraagstuk dat zich buiten de grenzen van zijn vakgebied bevond, wordt de maatstaf daarom niet wat mag worden verwacht van een algemeen (of civiel) juridisch adviseur, maar wat mag worden verwacht van een fiscaal adviseur die wordt geconfronteerd met een vraagstuk dat zich buiten het eigen vakgebied bevindt.
4.6
De rechtbank ziet in hetgeen Oveon verder nog heeft aangevoerd geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Dat [gedaagde 2] in een publicatie op consultancy.nl een ‘ervaren jurist’ wordt genoemd, is voor de inhoud van de zorgplicht van [gedaagde 2] in relatie tot Oveon niet relevant, alleen al omdat deze publicatie niet van de hand van [gedaagde 2] zelf is, maar door een derde is geschreven. Voor zover Oveon zich erop beroept dat [gedaagde 2] zichzelf op LinkedIn omschrijft als ‘fiscaal adviseur en fiscaal jurist’, geldt dat dit juist aansluit bij de hierboven genoemde beoordelingsmaatstaf en dus evenmin aanleiding vormt om uit te gaan van een algemeen juridisch adviseur als maatman.
De verwijten van Oveon
4.7
De verwijten die Oveon [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maakt, hebben betrekking op de handelwijze van [gedaagde 2] in het kader van de dividenduitkering en in het kader van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Volgens Oveon heeft [gedaagde 2] de volgende beroepsfouten gemaakt:
  • [gedaagde 2] heeft tijdens de aandeelhoudersvergadering van Oveon van 3 januari 2023 niet gewaarschuwd dat aan de dividenduitkering vanuit Sentium geen (geldig) aandeelhouders- en goedkeuringsbesluit ten grondslag lag en dat Sentium het uitgekeerde bedrag daarom kon terugvorderen.
  • Bij het meelezen van de concept-vaststellingsovereenkomst tussen de aandeelhouders van Sentium (Oveon, [naam 4] en [bedrijf 4]) heeft [gedaagde 2] niet adequaat en zorgvuldig geadviseerd over artikel 6. Oveon betoogt primair dat [gedaagde 2] had moeten onderkennen dat de vordering van Sentium ook na schrapping van de toegevoegde uitzondering niet onder de aan Oveon verleende kwijting viel en dat hij vervolgens had moeten waarborgen dat er een kwijtingsbepaling tot stand zou komen waar deze vordering wél onder viel. Subsidiair betoogt Oveon dat [gedaagde 2] [naam 1] – als op dat moment enig overgebleven statutair bestuurder – had moeten waarschuwen dat hij de juridische consequenties van de formulering van artikel 6 niet Pro kon overzien en dat [gedaagde 2] [naam 1] had moeten adviseren om hierover juridisch advies in te winnen.
  • Toen Sentium eind februari 2023 (na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst) het uitgekeerde interim-dividend terugvorderde, heeft [gedaagde 2] bij Oveon ten onrechte het beeld doen ontstaan dat deze vordering ‘geen kans van slagen’ had en ‘kansloos’ was.
Geen beroepsfout op 3 januari 2023
4.8
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] geen beroepsfout heeft gemaakt door tijdens de aandeelhoudersvergadering van Oveon van 3 januari 2023 niet te waarschuwen voor het ontbreken van een rechtsgrond voor de dividenduitkering vanuit Sentium. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onweersproken aangevoerd dat [naam 1], [naam 2] en [naam 3] op 3 januari 2023 bij elkaar kwamen om te vergaderen over een mogelijke overdracht van de Oveon-aandelen van [naam 2] en [naam 3] aan [naam 1] in verband met het tussen hen bestaande geschil. Dit drietal had [gedaagde 2] gevraagd om hierbij aanwezig te zijn om als onafhankelijke derde de aandelen van [naam 2] en [naam 3] te waarderen. Tijdens de vergadering bracht [naam 3] plots ook de ontvangen dividenduitkering vanuit Sentium ter sprake, waarna [naam 1], [naam 2] en [naam 3] daar enige tijd over hebben gediscussieerd. Daarbij is ook de vraag opgeworpen of de uitkering conform de statuten en het dividendbeleid had plaatsgevonden. Uiteindelijk is in verband met het dividendbeleid besloten om een bedrag van € 14.850,00 terug te storten. Vast staat dat [gedaagde 2] zich niet heeft uitgelaten over de vraag of de dividenduitkering conform de statuten en/of het dividendbeleid had plaatsgevonden en dat hem ook niet is gevraagd om daarover advies te geven. Vast staat ook dat [gedaagde 2] niet bekend was met de statuten en het dividendbeleid. De rechtbank volgt Oveon niet in haar stelling dat [gedaagde 2] deze uit eigen beweging had moeten raadplegen en vervolgens had moeten waarschuwen voor het ontbreken van de vereiste besluitvorming. Van een fiscaal adviseur als [gedaagde 2] mag niet worden verwacht dat hij spontaan advies geeft over een dergelijke niet-fiscale kwestie die hem bij de uitvoering van zijn opdracht toevallig ter ore komt.
Wel een beroepsfout bij de advisering over de vaststellingsovereenkomst
4.9
In het kader van het tweede verwijt dat Oveon [gedaagde 2] maakt, stelt de rechtbank het volgende voorop. Partijen zijn het erover eens dat de vordering van Sentium op Oveon noch in de formulering van artikel 6 mét de in overweging 2.9 geciteerde toevoeging, noch in de uiteindelijke formulering van artikel 6 zónder deze toevoeging onder de reikwijdte van de aan Oveon verleende kwijting valt, omdat Sentium geen partij is bij dit artikel. Vast staat ook dat noch [naam 1] – als toen enig overgebleven statutair bestuurder van Oveon – noch [gedaagde 2] dit ten tijde van de totstandkoming en ondertekening van de vaststellingsovereenkomst heeft onderkend. Indien [gedaagde 2] een ter zake deskundig juridisch adviseur was geweest, had Oveon van hem mogen verwachten dat hij dit wél zou onderkennen. Het handelen van [gedaagde 2] moet echter, zo is hiervoor overwogen, worden getoetst aan de norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend fiscaal adviseur en anders dan Oveon betoogt, kan van een fiscaal adviseur niet worden verwacht dat hij een bepaling over kwijting inhoudelijk kan beoordelen en de juridische consequenties van een gekozen formulering kan overzien. Het gevolg hiervan is dat Oveon van [gedaagde 2] niet mocht verwachten dat hij zou onderkennen dat de vordering van Sentium ook na schrapping van de toevoeging niet onder artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst viel. De rechtbank volgt Oveon dus niet in haar primaire stelling op dit punt.
4.1
De rechtbank volgt Oveon wel in haar subsidiaire stelling. Daartoe wordt het volgende overwogen. Van iedere beroepsbeoefenaar – en dus ook van [gedaagde 2] – mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de grenzen van zijn eigen deskundigheid en onderkent wanneer van hem iets wordt gevraagd wat er toe kan leiden dat hij zich buiten deze grenzen moet begeven. In een dergelijk geval zal hij zijn opdrachtgever nadrukkelijk moeten uitleggen waartoe zijn deskundigheid zich beperkt en deze opdrachtgever moeten adviseren om zich elders te laten voorlichten over de aspecten die daarbuiten vallen. Wat dit betreft heeft [gedaagde 2] niet gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht en dus een beroepsfout gemaakt. Toen [naam 1] – als de op dat moment enig overgebleven statutair bestuurder van Oveon – hem vroeg om mee te lezen met de vaststellingsovereenkomst, had [gedaagde 2] zich moeten realiseren dat daarin ook niet-fiscale kwesties zouden zijn geregeld. Hij had [naam 1] vervolgens moeten waarschuwen dat hij niet over de noodzakelijke deskundigheid beschikte om die inhoudelijk te beoordelen. Dit heeft [gedaagde 2] echter nagelaten. Hij heeft de vaststellingsovereenkomst zonder voorbehoud in het geheel meegelezen en daar her en der opmerkingen bij geplaatst als hem iets opviel. Dat laatste heeft hij ook gedaan toen hij stuitte op de toegevoegde uitzondering op de kwijting uit artikel 6, wat ertoe leidde dat deze toevoeging weer werd geschrapt. [gedaagde 2] dácht toen naar eigen zeggen dat de vordering van Sentium (weer) onder artikel 6 viel Pro, maar hij heeft zich onvoldoende gerealiseerd – en [naam 1] er (opnieuw) niet op gewezen – dat hij niet de deskundigheid had om dat te beoordelen en om de juridische consequenties van de (uiteindelijke) formulering van de kwijting te overzien. Hij was zich er naar eigen zeggen wel van bewust dat het voor Oveon van belang kon zijn waarvoor wel en waarvoor geen finale kwijting zou worden verleend. Daarin had [gedaagde 2] des te meer aanleiding moeten zien om [naam 1] (nadrukkelijk) te waarschuwen voor zijn gebrek aan deskundigheid op dit punt en om hem te adviseren om zich over de reikwijdte van de kwijting elders te laten voorlichten.
4.11
Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat hij op enig moment wel aan [naam 1] heeft gevraagd of het handig zou zijn om ook een advocaat te laten meekijken. Dit is echter niet te rijmen met hetgeen [gedaagde 2] eerder in de procedure en eerder tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, namelijk dat hij dacht dat de vordering van Sentium na het schrappen van de uitzondering wél onder artikel 6 viel Pro en dat hij daarom geen aanleiding zag om op dit punt méér te doen of te adviseren. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hierover bovendien niets concreets aangevoerd, zoals wanneer [gedaagde 2] dit precies zou hebben gevraagd, wat hiervoor de aanleiding was of wat toen precies is besproken. De rechtbank gaat hier daarom aan voorbij.
4.12
De conclusie is dat [gedaagde 2] zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de grenzen van zijn deskundigheid. Daarmee heeft hij een beroepsfout gemaakt. Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – onder verwijzing naar het vonnis van rechtbank Midden-Nederland – betogen dat Oveon wist dat [gedaagde 2] alleen fiscaal adviseur is en dat het haar eigen verantwoordelijkheid was om op dit punt advies in te winnen bij het juiste type adviseur, overweegt de rechtbank nog het volgende. Dat rechtbank Midden-Nederland
in de verhouding tussen Oveon en Sentiumheeft geoordeeld dat het voor risico van Oveon komt dat zij geen (algemeen) jurist heeft ingeschakeld, betekent niet dat
in de verhouding tussen Oveon en [gedaagde 2]hetzelfde geldt. In laatstgenoemde verhouding kan het [gedaagde 2] wel degelijk worden verweten dat hij [naam 1] (als bestuurder van Oveon) niet op de grenzen van zijn deskundigheid heeft gewezen. Dat [naam 1] wist dat [gedaagde 2] alleen fiscaal adviseur is, doet niet af aan de professionele verantwoordelijkheid van [gedaagde 2] om hem voor te lichten over waar de grenzen van zijn deskundigheid precies liggen.
Wel een beroepsfout door zich uit te laten over de kans van slagen van de vordering van Sentium
4.13
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] ook een beroepsfout heeft gemaakt door zich uit te laten over de kans van slagen van de vordering van Sentium. Toen Oveon hem liet weten dat Sentium het uitgekeerde interim-dividend terugvorderde, had [gedaagde 2] wederom moeten onderkennen dat sprake was van een juridisch vraagstuk dat buiten de grenzen van zijn vakgebied en deskundigheid viel. Dit had voor hem aanleiding moeten zijn om zich te onthouden van het geven van zijn eigen mening hierover. Door echter zelf tegenover Oveon (en ook tegenover de advocaat van Sentium) stellige uitspraken te doen over de kans van slagen van de vordering en Oveon zelfs af te raden een advocaat te raadplegen, heeft [gedaagde 2] opnieuw niet gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht.
De gevorderde verklaringen voor recht
4.14
De conclusie is dat [gedaagde 2] bij de uitvoering van de opdracht twee beroepsfouten heeft gemaakt. Dit levert een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op van [gedaagde 1], als contractuele wederpartij van Oveon. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot [gedaagde 1] daarom in zoverre toewijzen dat zij voor recht zal verklaren dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen jegens Oveon, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.13 van dit vonnis.
4.15
Als feitelijk uitvoerder van de opdracht heeft [gedaagde 2] – door bovengenoemde beroepsfouten te maken – zijn professionele zorgplicht geschonden. [gedaagde 2] heeft daarmee onrechtmatig – want: in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm – gehandeld jegens Oveon. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot [gedaagde 2] daarom ook toewijzen, in zoverre dat zij voor recht zal verklaren dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens Oveon heeft gehandeld, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.13 van dit vonnis.
Geen causaal verband tussen de beroepsfouten en de door Oveon gestelde schade
4.16
De vervolgvraag is of de beroepsfouten van [gedaagde 2] tot de door Oveon gestelde schade hebben geleid. De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van dit causale verband rusten op Oveon. Oveon is er niet in geslaagd voldoende omstandigheden te stellen waaruit een causaal verband tussen de beroepsfouten van [gedaagde 2] en de door haar gestelde schade kan worden afgeleid. Dit wordt hierna toegelicht.
Beroepsfout 1: de advisering rondom de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst
4.17
Hiervoor is overwogen dat [gedaagde 2] zich ervan bewust was dat voor Oveon van belang kon zijn waarvoor wel of geen finale kwijting zou worden verleend. Mede gelet daarop is geoordeeld dat [gedaagde 2] een beroepsfout heeft gemaakt door [naam 1], als enig statutair bestuurder van Oveon op dat moment, niet te waarschuwen voor zijn gebrek aan kennis op dit punt en door hem niet te adviseren om zich over artikel 6 te Pro laten voorlichten door een jurist of advocaat. In het kader van het causale verband tussen deze beroepsfout en de door Oveon gestelde schade is echter de vraag of de reikwijdte van de kwijtingsbepaling voor [naam 1], als toen enig overgebleven bestuurder van Oveon, ook zodanig van belang was dat hij dat advies had opgevolgd.
4.18
Oveon heeft tijdens de mondelinge behandeling alleen verklaard te vermoeden dat [naam 1] de vaststellingsovereenkomst in haar huidige vorm niet zou hebben ondertekend als hij had geweten dat de vordering van Sentium niet onder artikel 6 viel Pro. [naam 1] zou dan volgens Oveon waarschijnlijk een hogere prijs voor de aandelen hebben gewild of hebben bedongen dat alsnog ook door Sentium kwijting aan Oveon zou worden verleend. [gedaagde 2] wordt echter niet verweten dat hij [naam 1] niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat de vordering van Sentium niet onder artikel 6 viel Pro (wat tot wetenschap bij [naam 1] had geleid). [gedaagde 2] is immers, zoals hiervoor is overwogen, geen juridisch adviseur. De beroepsfout die [gedaagde 2], als fiscaal adviseur, heeft gemaakt, is dat hij [naam 1] niet heeft geadviseerd om een ter zake deskundig jurist te raadplegen. Dit had alleen tot wetenschap bij [naam 1] geleid, als [naam 1] dit advies zou hebben opgevolgd. Dat [naam 1] dat zou hebben gedaan, is door Oveon niet gesteld, terwijl [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat [naam 1] dat niet zou hebben gedaan, omdat hij een groot belang had bij een snelle totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegelicht dat [naam 1] uit het gemeenschappelijke kantoorgebouw van Oveon en [naam 4] was gezet vanwege een hoogopgelopen conflict tussen [naam 1] en [naam 4] en haar medewerkers. [naam 1] was erop gebrand om zo snel mogelijk weer toegang te krijgen tot het kantoor en had daartoe bedongen dat in de vaststellingsovereenkomst zou worden opgenomen dat [naam 4] en haar medewerkers onmiddellijk zouden vertrekken uit het pand, zodat híj daar weer toegang toe zou krijgen. De overeenkomst bevatte ook al het andere wat [naam 1] tijdens de onderhandelingen had bedongen. Kwijting van Oveon was voor [naam 1] geen voorwaarde en is door hem ook op geen enkel moment tijdens de onderhandelingen ter sprake gebracht, zo hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder verwijzing naar het gespreksverslag van de onderhandelingen aangevoerd. Omdat [naam 1] zo gericht was op snelheid en omdat alles wat hij tijdens de onderhandelingen had bedongen al in de vaststellingsovereenkomst stond, had hij de ondertekening daarvan (en daarmee het vertrek van [naam 4] en haar medewerkers) niet willen vertragen om over de – voor hem niet belangrijke – reikwijdte van de kwijting van Oveon advies in te winnen, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Oveon heeft dit alles niet weersproken en ook niets concreets naar voren gebracht waaruit kan volgen dat [naam 1] een advies om een ter zake deskundig jurist of advocaat te raadplegen over de kwijtingsbepaling desondanks zou hebben opgevolgd. Het gevolg hiervan is dat het causale verband tussen de beroepsfout van [gedaagde 2] en de door Oveon gestelde schade niet komt vast te staan.
Beroepsfout 2: de uitlatingen over de kans van slagen van de vordering van Sentium
4.19
Oveon heeft niet gesteld dat de tweede beroepsfout van [gedaagde 2] (het zich uitlaten over de kans van slagen van de vordering van Sentium) tot de door haar gestelde schade heeft geleid. Dit is de rechtbank ook niet gebleken, te meer nu Oveon tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij zich in maart 2023, dus kort nadat Sentium had laten weten het uitgekeerde interim-dividend terug te gaan vorderen, al door een advocaat had laten voorlichten over haar juridische positie in het kader van deze vordering van Sentium, ondanks dat [gedaagde 2] haar dit had afgeraden.
Conclusie
4.2
De vordering van Oveon tot schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat het causale verband tussen de beroepsfouten van [gedaagde 2] en de door Oveon gestelde schade niet is komen vast te staan. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten volgt dit lot en zal daarom ook worden afgewezen.
De proceskosten
4.21
Partijen zijn over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen jegens Oveon, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.13 van dit vonnis,
5.2
verklaart voor recht dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens Oveon heeft gehandeld, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.13 van dit vonnis,
5.3
wijst de vorderingen van Oveon voor het overige af,
5.4
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840.
2.Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 en Hoge Raad 18 september 2025, ECLI:NL:HR:2015:2745.