ECLI:NL:RBOVE:2026:4045

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
08.034675.26 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 5 WVW 1994Art. 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van schuld bij verkeersongeval met zwaar letsel

Op 2 december 2025 reed verdachte als buschauffeur in Dedemsvaart weg vanaf een stilstaande positie en raakte daarbij een voetganger die zwaar lichamelijk letsel opliep. De officier van justitie stelde dat verdachte door onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een aanmerkelijke schuld had en het ongeval had veroorzaakt.

De verdediging voerde aan dat er slechts sprake was van een enkele verkeersfout en dat verdachte geen verwijt kon worden gemaakt gezien de omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat het niet waarnemen van de voetganger en het niet verlenen van voorrang onvoldoende bewijs vormde voor aanmerkelijke schuld. Ook de stelling dat verdachte extra maatregelen had moeten nemen, zoals uitstappen en om de bus lopen, werd verworpen.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gevaar veroorzaken op de weg concludeerde de rechtbank eveneens dat het gedrag van verdachte niet concreet gevaarscheppend was. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde. De zitting vond plaats op 25 juni 2026 en het vonnis werd uitgesproken op 9 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van schuld aan het verkeersongeval met zwaar letsel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.034675.26 (P)
Datum vonnis: 9 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C.C. Wijburg, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte
(primair)een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan zwaar lichamelijk letsel is toegebracht aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), althans (subsidiair) door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 2 december 2025 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, een bus voor personenvervoer, op het terrein van het lijnbusstation naast de Hoofdvaart, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij met zijn lijnbus stilstond op het terrein van het lijnbusstation en/of eventuele passagiers/voetgangers aldaar aanwezig konden en/of mochten zijn om op-/in te stappen en/of
- nadat hij een scherm had bediend,
- (vrijwel) direct is weggereden en/of voor het wegrijden geen of onvoldoende gelegenheid en/of tijd heeft genomen om zich ervan te vergewissen dat er geen andere verkeersdeelnemers aanwezig waren in de nabijheid van zijn bus en/of op de voorgenomen rijrichting van zijn bus en/of
- niet of onvoldoende heeft opgelet op het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse voor en/of tijdens het wegrijden en/of draaien met de bus en/of
- in strijd met artikel 54 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een bijzondere manoeuvre heeft uitgevoerd, te weten wegrijden, zonder daarbij het overige verkeer voor te laten gaan, immers heeft hij bij het wegrijden en/of draaien een voetganger aangereden en/of overreden,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 december 2025 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, als bestuurder van een voertuig, een bus voor personenvervoer, op het terrein van het lijnbusstation naast de Hoofdvaart, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij met zijn lijnbus stilstond op het terrein van het lijnbusstation en/of eventuele passagiers/voetgangers aldaar aanwezig konden en/of mochten zijn om op-/in te stappen en/of
- nadat hij een scherm had bediend,
- (vrijwel) direct is weggereden en/of voor het wegrijden geen of onvoldoende gelegenheid en/of tijd heeft genomen om zich ervan te vergewissen dat er geen andere verkeersdeelnemers aanwezig waren in de nabijheid van zijn bus en/of op de voorgenomen rijrichting van zijn bus en/of
- niet of onvoldoende heeft opgelet op het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse voor en/of tijdens het wegrijden en/of draaien met de bus en/of
- in strijd met artikel 54 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een bijzondere manoeuvre heeft uitgevoerd, te weten wegrijden, zonder daarbij het overige verkeer voor te laten gaan, immers heeft hij bij het wegrijden en/of draaien een voetganger aangereden en/of overreden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen maatregelen heeft getroffen om ondanks de duisternis en het slechte zicht zich ervan te vergewissen dat er geen andere weggebruikers aanwezig waren en dus sprake is van aanmerkelijke schuld.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat geen sprake is van meer dan één verkeersfout en dat daarnaast verdachte, gelet op de gegeven omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, geen verwijt kan worden gemaakt.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Feiten
Op 2 december 2025 om 17.43 uur reed verdachte als bestuurder van een lijnbus op de busremise aan de Hoofdvaart in Dedemsvaart. Verdachte is vanuit stilstaande positie weggereden en heeft daarbij een voetganger, [slachtoffer] , niet opgemerkt en aan hem geen voorrang verleend. Verdachte en [slachtoffer] kwamen in botsing met elkaar waarbij [slachtoffer] meerdere breuken aan zijn bekken en een enkelbreuk heeft opgelopen.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
Voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994) moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.
De verkeersfout die verdachte kan worden aangerekend, is dat hij geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] . Op het moment van de aanrijding was de duisternis reeds ingetreden. Uit de camerabeelden volgt dat de bus de lichtbundel van de straatverlichting tevens blokkeerde. [slachtoffer] droeg donkere kleding en kwam in een afwijkende lijn, uit een donkere hoek, richting de bus gelopen. Toen [slachtoffer] richting de bus kwam lopen, was deze al rijdende. Verdachte zag [slachtoffer] niet, ondanks dat hij wel, voordat hij vanuit stilstand wegreed, heeft gekeken om te controleren of er andere weggebruikers waren. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het enkele niet waarnemen van [slachtoffer] , en het vervolgens niet verlenen van voorrang aan [slachtoffer] , in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om te concluderen dat bij verdachte sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Het feit, dat verdachte buschauffeur van beroep is en sprake is van de zogeheten Garantenstellung, maakt dit niet anders.
De officier van justitie rekent het verdachte aan dat hij ondanks het slechte zicht geen maatregelen heeft getroffen voordat hij wegreed om zich ervan te verzekeren dat er geen andere weggebruikers waren. Volgens de officier van justitie had verdachte bijvoorbeeld uit moeten stappen en om de lijnbus heen moeten lopen. De rechtbank volgt deze redenering niet en vindt dat een dergelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet van een buschauffeur verwacht kan worden.
Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan hem een schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW Pro kan worden gemaakt, is niet gebleken. De rechtbank zal de verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
Bij de beoordeling of verdachte gevaar in de zin van artikel 5 WVW1994 heeft veroorzaakt moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar of hinder op de weg is veroorzaakt of kon worden veroorzaakt. Uitsluitend de constatering dat verdachte in strijd met een geldende verkeersregel heeft gereden is hiervoor onvoldoende. De concrete handelingen moeten worden bezien in het licht van de omstandigheden van het geval.
De rechtbank realiseert zich dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met ernstige gevolgen voor [slachtoffer] . Echter, uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat het ongeval het gevolg was van concreet gevaarscheppend gedrag van verdachte, zoals dat nodig is om tot een veroordeling voor overtreding van artikel 5 WVW Pro te kunnen komen. De enkele omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] niet heeft gezien en heeft aangereden, is hiervoor in dit geval niet voldoende, temeer nu de rechtbank niet van overtuigd is dat [slachtoffer] voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.

4.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en
spreekthem daarvan
vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. ter Haar, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Buiten staat
Mr. De Ruiter en mr. Kuil zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.