ECLI:NL:RBOVE:2026:4089

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
12153231 \ EJ VERZ 26-103
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:660a BWArt. 7:629 BWArt. 7:673 lid 9 onder a BWArt. 7:611 BWArt. 7:686a lid 1 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterechte loonsanctie wegens niet meewerken re-integratie leidt tot toewijzing wettelijke verhoging en rente

Verzoekster was van juli tot december 2025 in dienst bij Groentesnijbedrijf HDV en meldde zich in juli 2025 ziek. Zij gaf aan vanwege haar klachten niet fysiek aanwezig te kunnen zijn bij een gesprek over het plan van aanpak en verzocht om een videogesprek. De werkgever weigerde dit en legde een loonsanctie op wegens vermeend niet meewerken aan re-integratie.

De kantonrechter oordeelt dat verzoekster niet weigerde mee te werken, maar door haar fysieke beperkingen een videogesprek voorstelde, wat de werkgever onredelijk afwees. Ook na het gezamenlijk opstellen van het plan van aanpak bleef de loonstop onterecht gehandhaafd, mede omdat de werkgever niet tijdig de reden van de loonstop heeft medegedeeld.

Verzoekster vroeg ook een second opinion aan, maar de werkgever weigerde hieraan mee te werken, wat verwijtbaar is. Desondanks is er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, zodat een billijke vergoeding wordt afgewezen. De transitievergoeding en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging, rente, transitievergoeding, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging, rente, transitievergoeding, incassokosten en proceskosten, maar het verzoek om billijke vergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12153231 \ EJ VERZ 26-103
Beschikking van 13 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M. van Leussen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.V. GROENTESNIJBEDRIJF HDV,
gevestigd in Losser,
verwerende partij, hierna te noemen: Groentesnijbedrijf HDV,
gemachtigde: mr. P.A. Kerkhof.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 19, ontvangen op 23 maart 2026;
- het verweerschrift met producties 1 t/m 16;
- de aanvullende producties 20 t/m 24 van de zijde van [verzoekster] ;
- de aanvullende productie 17 van de zijde van Groentesnijbedrijf HDV;
- de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waar mr. Van Leussen pleitaantekeningen heeft overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag de beschikking zal volgen.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 24 uur per week bij Groentesnijbedrijf HDV in dienst geweest.
2.2.
Op 14 juli 2025 heeft [verzoekster] zich schriftelijk ziekgemeld.
2.3.
Op 29 juli 2025 is [verzoekster] bij de bedrijfsarts geweest. In het verslag van de bedrijfsarts staat:
“Belastbaarheid:
Er bestaan beperkingen wat betreft : duwen of trekken, tillen of dragen en frequent zware lasten hanteren tijdens het werk.
Advies:
In het eigen werk moet ze veel lopen, staan en ook veel fysiek werk doen met tillen. Vooral voor het laatste is ze nu beperkt. Hierdoor kan ze haar eigen werk in volle omvang niet duurzaam uitvoeren. Ik heb begrepen dat er ook ander aangepast werk is : Radijsjes en slabonen schoonmaken
Als ze dit onderhand kan doen (met de ellebogen dicht bij haar lichaam) zonder de tillen, is daar medisch geen bezwaar tegen en mag ze dat ook doen zonder urenbeperking. Het moet dan wel zo georganiseerd worden dat ze de kratten met voorraad niet zelf hoeft te tillen.
(…)”
2.4.
Op 1 augustus 2025 heeft [naam] , hoofd administratie bij Groentesnijbedrijf HDV, [verzoekster] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 4 augustus 2025 op locatie bij Groentesnijbedrijf HDV om het plan van aanpak in te vullen. [verzoekster] heeft daarop per e­mail geantwoord:
“(…) Op dit moment gaat het helaas nog niet goed met mij. Ik heb nog steeds veel pijnklachten en ik ben erg beperkt in wat ik kan. Mijn behandeling begint pas over ongeveer drie weken, en tot die tijd moet ik het echt rustig aan doen, zoals mijn arts mij heeft geadviseerd.
Daarom lukt het mij nu niet om aan een gesprek over het plan van aanpak deel te nemen. Ik hoop op een later moment, zodra er iets meer duidelijkheid is over mijn herstel, alsnog met jou in gesprek te kunnen gaan.”
[naam] heeft daarop per email als volgt gereageerd:
“(…) Dit is een formele stap in het proces en hoort in het proces van arbeidsongeschiktheid.
Er is in het advies niet bekend dat je niet mobiel bent en geen auto kunt rijden.
Ik verwacht wel dat je er bent want we moeten het invullen en beide ondertekenen.”
[verzoekster] heeft daarop geantwoord:
“Hoewel ik begrijp dat het gesprek over het plan van aanpak een formele stap is in het proces, ben ik fysiek nog onvoldoende hersteld om naar locatie te komen. Reizen en autorijden worden mij momenteel afgeraden vanwege de klachten.
Gezien de situatie wil ik vragen of het mogelijk is om het gesprek telefonisch of via videobellen te voeren. Op die manier kunnen we alsnog het plan bespreken, zonder dat dit mijn herstel belemmert. Zodra mijn behandelingen zijn gestart en mijn situatie verbetert, hoop ik ook fysiek aanwezig te kunnen zijn voor vervolggesprekken.
Laat je mij weten of een telefonische afspraak mogelijk is?”
[naam] heeft daarop gereageerd:
“Er moet ook getekend worden en dat kan niet telefonisch”
2.5.
[verzoekster] is op 4 augustus 2025 niet op het gesprek bij Groentesnijbedrijf HDV gekomen.
2.6.
In een brief van 5 augustus 2025 heeft Groentesnijbedrijf HDV aan [verzoekster] medegedeeld:
“Bij deze ontvangt u van ons een waarschuwing.
Aangezien u zonder goede opgaaf van redenen niet meewerkt aan de re-integratie zijn wij genoodzaakt uw salaris stop te zetten. Zodra u weer uw verplichtingen nakomt zullen wij het salaris weer uit gaan betalen.
(…)
Aangezien je niet bent verschenen op de afspraak op 4-8-2025 (mijn mail met uitnodiging op 01-08-2025) zijn wij als werkgever helaas genoodzaakt tot het opleggen van de maatregel/sanctie.
Omdat u niet meewerkt kunnen we niet voldoen aan de WVP richtlijnen die de wet ons beide oplegt. U bent als werknemer in gebreke zolang u niet meewerkt aan het tijdig uitvoeren van de stappen die horen bij deze richtlijnen.
Ik heb vakantie en kan u daarom uitnodigen voor een gesprek op maandag 11 augustus 2025 om 11 uur aan de industriestraat 5 te Losser om alsnog het plan van aanpak in te vullen.
De maatregel is van kracht totdat het plan van aanpak is opgesteld door ons beide is ondertekend.”
2.7.
Per brief van 19 augustus 2025 heeft Groentesnijbedrijf HDV [verzoekster] opnieuw uitgenodigd om op 21 augustus 2025 het plan van aanpak in te vullen.
2.8.
Op 21 augustus 2025 heeft [verzoekster] Groentesnijbedrijf HDV verzocht om een second opinion ten aanzien van het oordeel van de bedrijfsarts. Op 26 augustus 2025 is [verzoekster] nogmaals bij de bedrijfsarts geweest. Het advies van de bedrijfsarts is niet veranderd.
2.9.
Op 29 augustus 2025 heeft [verzoekster] nogmaals verzocht om een second opinion bij een andere bedrijfsarts, omdat zij het huidige advies niet volledig kan volgen of onderschrijven. [naam] reageert daarop per e-mail:
“De bedrijfsarts waar je deze week bent geweest heeft jou er op gewezen dat je een deskundigen oordeel kunt aanvragen bij het UWV. Hier kun je een tweede advies krijgen van een arts van het UWV. Deze aanvraag kun je doen op de site van het UWV.
Als werkgever ga ik geen nieuw spreekuur meer inzetten bij Vitaal Verder voor een nieuwe beoordeling. Ik twijfel niet aan de deskundigheid van de bedrijfsarts.”
Ook heeft Groentesnijbedrijf HDV [verzoekster] die dag per brief uitgenodigd voor een gesprek op 3 september 2025. Daarbij deelt Groentesnijbedrijf HDV [verzoekster] mee dat de loonstop van kracht blijft totdat [verzoekster] meewerkt aan de re-integratie.
2.10.
Op 3 september 2025 hebben partijen het plan van aanpak opgesteld en over de start van de re-integratiewerkzaamheden gesproken.
2.11.
Op 5 september 2025 heeft [verzoekster] het volgende aan Groentesnijbedrijf HDV gemaild:
“Ik was vandaag bij Visio en moet elke vrijdag daar naartoe. Ze hebben me geadviseerd dat ik het werk wel kan proberen, maar ik merk dat ik na de sessies veel pijnklachten heb.
Ik wil graag beginnen met het aangepaste werk, maar ik kan pas starten op 16 september, omdat ik volgende week meerdere medische afspraken heb. Daarnaast loopt er nog een tweede advies bij UWV, waardoor er mogelijk een wachttijd ontstaat.
Voor nu kan ik het aangepaste werk doen op dinsdag en donderdag, omdat ik op de andere dagen geen oppas voor mijn kinderen heb. Ik ga nog kijken of het mogelijk is om mijn andere dagen aan te passen zodat ik misschien meer beschikbaar kan zijn.”
2.12.
Op 9 september 2025 laat [verzoekster] aan Groentesnijbedrijf HDV weten dat zij contact op wil nemen met de bedrijfsarts om de aangepaste werkhervatting te bespreken.
2.13.
Op 18 september 2025 heeft [verzoekster] een aanvraag voor een deskundigenoordeel bij het UWV ingediend.
2.14.
Op 28 oktober 2025 heeft het UWV schriftelijk het deskundigenoordeel gegeven. Het UWV oordeelt dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn. Het UWV concludeert:
“Resumerend vind ik dat de werkgever onvoldoende doet als ze het verzoek van de werknemer om een second opinion afwijst. Het recht op een second opinion is wettelijke verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en werkgevers moeten hieraan meewerken. Het feit dat de werkgever aangeeft niet te twijfelen aan de deskundigheid van de bedrijfsarts, is geen geldige reden om een second opinion te weigeren.”
2.15.
Op 12 december 2025 heeft Groentesnijbedrijf HDV het achterstallige loon en het vakantiegeld over de maanden augustus 2025 tot en met december 2025 aan [verzoekster] betaald.
2.16.
De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is niet verlengd.

3.Het geschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na vermeerdering van haar verzoek – om:
II. Groentesnijbedrijf HDV te veroordelen om de wettelijke verhoging over het loon van augustus tot en met november 2025 van € 3.144,27 bruto aan [verzoekster] te betalen;
III. Groentesnijbedrijf HDV te veroordelen om de transitievergoeding van € 269,66 aan [verzoekster] te betalen;
IV. Groentesnijbedrijf HDV te veroordelen om de wettelijke rente over de bedragen onder II. en III. te betalen zoals vermeld onder 3.3. in het verzoekschrift, althans de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid van de loonsommen;
V. Groentesnijbedrijf HDV te veroordelen in de proceskosten;
VI. Groentesnijbedrijf HDV te veroordelen om een bedrag van € 6.500,00 aan billijke vergoeding op grond van artikel 7:673 lid 9 onder Pro a BW, althans schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW Pro, aan [verzoekster] te betalen;
VII. Groentesnijbedrijf HDV te veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten van € 689,43 (over het achterstallige loon) en € 40,45 (over de transitievergoeding) aan [verzoekster] te betalen.
3.2.
Groentesnijbedrijf HDV heeft verweer gevoerd. Groentesnijbedrijf HDV wil dat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Om het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging te kunnen beoordelen, is van belang of Groentesnijbedrijf HDV terecht is overgegaan tot het toepassen van een loonsanctie.
4.2.
Groentesnijbedrijf HDV heeft gesteld dat zij op 5 augustus 2025 is overgegaan tot het toepassen van het loonsanctie, omdat [verzoekster] niet wilde meewerken aan het opstellen van een plan van aanpak. Daarmee heeft [verzoekster] niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, aldus Groentesnijbedrijf HDV.
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat een arbeidsongeschikte werknemer op grond van artikel 7:660a lid 1 sub a tot en met c BW verplicht is om mee te werken aan zijn re-integratie. Onder die verplichtingen vallen onder meer het meewerken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak en het verrichten van passend werk (als de werkgever hem daartoe in staat stelt). Een werkgever kan vervolgens op grond van artikel 7:629 lid 3 BW Pro de betaling van het loon stopzetten, indien de werknemer voornoemde verplichtingen zonder deugdelijke grond niet nakomt. Op grond van artikel 7:629 lid 7 BW Pro kan een werkgever geen beroep meer doen op deze grond om het loon niet door te betalen, indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan van die grond is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.
4.4.
Anders dan Groentesnijbedrijf HDV van mening is, is de kantonrechter van oordeel dat er op 5 augustus 2025 geen sprake was van een situatie waarin [verzoekster] niet mee wilde werken aan het opstellen van een plan van aanpak. In haar reactie op de uitnodiging van Groentesnijbedrijf HDV voor een gesprek op 4 augustus 2025 schrijft [verzoekster] immers dat het haar nog niet lukt om naar locatie te komen en vraagt zij of het mogelijk is om het gesprek via videobellen te voeren om op die manier het plan van aanpak te bespreken zonder dat dit haar herstel belemmert. Ook geeft [verzoekster] aan dat ze hoopt spoedig fysiek aanwezig te kunnen zijn voor vervolggesprekken. Uit niets blijkt dat zij weigert mee te werken aan het opstellen van het plan van aanpak. De stelling van Groentesnijbedrijf HDV dat [verzoekster] verplicht was om naar kantoor te komen omdat het plan van aanpak moest worden ondertekend, faalt, omdat de eis van ondertekening van een plan van aanpak niet volgt uit artikel 7:660a lid 1 sub b BW. Daaruit volgt immers dat de werknemer verplicht is om mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak. Ondertekening valt niet onder het ‘opstellen’. Voorstelbaar is dat een werknemer volledig meewerkt maar uiteindelijk weigert het plan van aanpak te ondertekenen. De werknemer moet dan in beginsel de vrijheid hebben om dit laatste te weigeren, zonder dat zijn loon om die reden direct wordt stopgezet.
Groentesnijbedrijf HDV heeft, anders dan de gewenste ondertekening van het plan van aanpak, niets aangevoerd waarom het in dit geval niet mogelijk was om het plan met [verzoekster] via een videoverbinding te bespreken en op te stellen. De ondertekening had daarna gekund. Uit hetgeen Groentesnijbedrijf HDV ter zitting heeft aangevoerd blijkt dat haar handelen sterk is ingegeven door een groot wantrouwen jegens [verzoekster] en haar arbeidsongeschiktheid, mede doordat [verzoekster] zich al zo kort na het begin van haar dienstverband heeft ziekgemeld. Maar dat mag een werkgever er niet van weerhouden zich ten aanzien van de geldende regels zakelijk op te stellen en ook met de werknemer mee te denken.
Hierbij weegt de kantonrechter enerzijds mee dat [verzoekster] voldoende aannemelijk heeft gemaakt, onder meer door aan te tonen dat zij op basis van dezelfde klachten inmiddels door het UWV volledig arbeidsongeschikt is verklaard, dat de klachten die zij toen zei te ervaren reëel waren. Dat maakt dat haar verzoek om het gesprek via videoverbinding te laten plaatsvinden niet onacceptabel was. Anderzijds weegt de kantonrechter hierbij mee dat het Groentesnijbedrijf HDV zelf is geweest die eraan heeft bijgedragen dat spoedige duidelijkheid hierover – door het laten uitvoeren van een second opinion – uitbleef, alsmede dat hierdoor ook geen eind kwam aan de discussie tussen partijen. Op basis van datzelfde oordeel van het UWV dat [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt is, alsmede op basis van de medische stukken die [verzoekster] in het geding heeft gebracht, valt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit te sluiten dat een second opinion daadwerkelijk anders zou hebben geluid ten aanzien van de mogelijkheden van [verzoekster] om aangepast werk te verrichten (waarover hieronder meer). Een videogesprek en een second opinion hadden de re-integratie doen voortgaan, terwijl ook duidelijkheid zou zijn verkregen over de rechtmatigheid van de wijze waarop [verzoekster] zich opstelde. In plaats daarvan liet Groentesnijbedrijf HDV zich, zoals hiervoor beschreven, te veel leiden door haar wantrouwen jegens [verzoekster] .
Ook in de weken na 4 augustus 2025 blijkt niet dat [verzoekster] weigert om mee te werken aan een plan van aanpak. [verzoekster] betwist – reeds in reactie op de brief van 19 augustus 2025 – dat zij de uitnodiging voor een gesprek op 11 augustus 2025 heeft ontvangen. Op de uitnodiging voor een gesprek op 21 augustus 2025 geeft [verzoekster] op 20 augustus 2025 aan dat zij wegens pijnklachten niet kan komen. Niet is gebleken dat [verzoekster] niet mee wilde werken aan een plan van aanpak.
De loonstop van 5 augustus 2025 en de daaropvolgende weken is dus onterecht toegepast.
4.5.
Vervolgens heeft Groentesnijbedrijf HDV ook na het gezamenlijk opstellen van het plan van aanpak op 3 september 2025 heeft de loonstop gehandhaafd. Volgens Groentesnijbedrijf HDV verrichtte [verzoekster] vanaf dat moment immers zonder deugdelijke grond geen passende arbeid.
4.6.
Hierover overweegt de kantonrechter als volgt. Nu partijen op 3 september 2025 alsnog het plan van aanpak hebben opgesteld, verviel in ieder geval op dat moment de grond die Groentesnijbedrijf HDV aanvoerde voor de loonstop. De loonstop was immers opgelegd vanwege het niet meewerken aan het plan van aanpak. Dat de loonstop zou vervallen op het moment dat het plan van aanpak zou zijn opgesteld, bevestigt Groentesnijbedrijf HDV ook in haar brief van 5 augustus 2025. Desalniettemin liet Groentesnijbedrijf HDV de loonstop in stand. Ter zitting is verklaard dat de reden hiervoor was dat [verzoekster] weigerde om aangepaste werkzaamheden te verrichten.
De kantonrechter is het op zich met Groentesnijbedrijf HDV eens is dat [verzoekster] zich te weinig heeft ingespannen om de aangepaste werkzaamheden te verrichten. Zij heeft een te passieve houding aangenomen die ertoe heeft bijgedragen dat het na 3 september 2025 niet tot het verrichten van passende werkzaamheden is gekomen. Weliswaar is niet gebleken dat partijen op 3 september 2025 een concrete datum voor het starten van de passende arbeid hebben afgesproken, [verzoekster] heeft wel op 5 september 2025 gemaild dat zij niet op alle dagen oppas voor haar kinderen heeft. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter geen redelijke grond om passende werkzaamheden te weigeren. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om daarover in overleg te treden met Groentesnijbedrijf HDV om bijvoorbeeld andere dagen af te spreken. Daarnaast heeft [verzoekster] gemaild dat zij op 16 september 2025 kan beginnen met de passende werkzaamheden. Ook op die datum is zij echter niet met de passende werkzaamheden gestart. Volgens [verzoekster] wachtte zij op een akkoord van Groentesnijbedrijf HDV over de te werken dagen. Hoewel het ook op de weg van Groentesnijbedrijf HDV had gelegen om haar daartoe (in ieder geval eenmaal) aan te manen, had op dat punt van [verzoekster] een actievere houding mogen worden verwacht.
4.7.
Desalniettemin is de loonstop onrechtmatig in stand gebleven. Groentesnijbedrijf HDV heeft namelijk niet voldaan aan de hiervoor onder r.o. 4.3. aangehaalde mededelingseis uit artikel 7:629 lid 7 BW Pro. Groentesnijbedrijf HDV heeft immers nagelaten direct aan [verzoekster] mede te delen om welke reden de loonstop gehandhaafd bleef. Dat is weliswaar later alsnog gebeurd, maar artikel 7:629 lid 7 BW Pro vereist dat de werkgever de werknemer
onverwijldin kennis stelt nadat bij hem het vermoeden van het bestaan van die grond is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.
Ook het verlengen van de loonstop vanaf medio september 2025 was dus niet rechtsgeldig.
4.8.
Het voorgaande betekent dat Groentesnijbedrijf HDV het loon van [verzoekster] onterecht niet (tijdig) heeft uitbetaald. Zij is daarom de wettelijke verhoging over het loon verschuldigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen, omdat Groentesnijbedrijf HDV een verwijt valt te maken van het niet naleven van de wettelijke regels omtrent een loonstop. De wettelijke verhoging van 50% wordt dus toegewezen. Dat komt neer op een bedrag van (50% x € 6.288,54=) € 3.144,27.
4.9.
De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf 13 december 2025 tot de dag van volledige betaling.
4.10.
In het verzoekschrift heeft [verzoekster] ook de wettelijke rente over de niet tijdig betaalde loonsommen berekend. [verzoekster] heeft de rente echter niet, althans pas subsidiair (‘althans’) in het verzoek onder IV. verzocht. Het verzoek onder IV. kan niet anders worden gelezen. De rente over de niet tijdig betaalde loonsommen kan dan ook niet worden toegewezen.
De billijke vergoeding
4.11.
[verzoekster] heeft gesteld dat Groentesnijbedrijf HDV ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ten eerste heeft Groentesnijbedrijf HDV de betaling van het loon onterecht stopgezet. Ten tweede heeft Groentesnijbedrijf HDV haar afgehouden van een second opinion door een andere bedrijfsarts. Groentesnijbedrijf HDV heeft daarmee een verstoring van de arbeidsrelatie veroorzaakt, aldus [verzoekster] .
4.12.
Groentesnijbedrijf HDV heeft betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
4.13.
Hiervoor is vastgesteld dat Groentesnijbedrijf HDV onterecht een loonstop heeft toegepast. Dat is Groentesnijbedrijf HDV te verwijten. Wat betreft het verwijt van [verzoekster] dat Groentesnijbedrijf HDV haar heeft afgehouden van een second opinion, overweegt de kantonrechter als volgt.
[verzoekster] heeft op 21 augustus 2025 aangegeven een second opinion bij een andere bedrijfsarts te willen. Groentesnijbedrijf HDV heeft aangevoerd dat [verzoekster] in reactie op dat verzoek al een tweede afspraak met de bedrijfsarts heeft gekregen. Dat is echter geen second opinion. Als een afspraak met dezelfde bedrijfsarts wordt gemaakt, is het niet vreemd dat [verzoekster] dan dezelfde bedrijfsarts te spreken krijgt. De stelling van Groentesnijbedrijf HDV dat zij daar niets aan kan doen, is niet houdbaar. Op 29 augustus 2025 heeft [verzoekster] nogmaals gevraagd om een second opinion. Daarop heeft Groentesnijbedrijf HDV aangegeven dat er geen nieuwe afspraak gemaakt zal worden, omdat zij niet twijfelt aan de deskundigheid van de bedrijfsarts. Groentesnijbedrijf HDV geeft daarbij aan dat [verzoekster] een aanvraag voor een nieuwe beoordeling bij het UWV kan doen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Groentesnijbedrijf HDV [verzoekster] daarmee op het verkeerde been gezet wat betreft de mogelijkheid tot het aanvragen van een second opinion via de bedrijfsarts. Groentesnijbedrijf HDV heeft, net als [verzoekster] , de verantwoordelijkheid voor een deugdelijk verzuimproces en had [verzoekster] daarin beter moeten begeleiden. Partijen zijn het er over eens dat een second opinion in deze zaak behulpzaam zou zijn geweest, maar op deze manier heeft Groentesnijbedrijf HDV eraan bijgedragen dat het niet tot een second opinion is gekomen. Dat Groentesnijbedrijf HDV in het gesprek op 3 september 2025 alsnog heeft gezegd dat [verzoekster] een second opinion kon aanvragen bij de bedrijfsarts, wordt door [verzoekster] uitdrukkelijk betwist en er is geen verslag van het gesprek. Bovendien had [verzoekster] zich toen al, op advies van Groentesnijbedrijf HDV tot het UWV gewend. Door eraan bij te dragen dat het niet tot een second opinion bij een andere bedrijfsarts is gekomen, heeft Groentesnijbedrijf HDV gehandeld in strijd met haar verplichting uit artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit om zorg te dragen voor een second opinion. Door daarvoor geen zorg te dragen, heeft Groentesnijbedrijf HDV verwijtbaar gehandeld. Dat [verzoekster] daarna door de bedrijfsarts verkeerd is geïnformeerd over een second opinion of dat [verzoekster] niet zelf een second opinion heeft geregeld in plaats van op goedkeuring van Groentesnijbedrijf HDV te wachten, doet daar niet aan af.
4.14.
Op grond van artikel 7:673 lid 9 onder Pro a BW kan de kantonrechter, indien het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, een billijke vergoeding aan de werknemer toekennen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Groentesnijbedrijf HDV weliswaar verwijtbaar, maar niet
ernstigverwijtbaar gehandeld. Uit de feiten blijkt afdoende dat Groentesnijbedrijf HDV haar verplichtingen uit de Wet Verbetering Poortwachter correct wilde nakomen en de regie in het verzuimproces wilde houden. Hoewel zij daarin wat minder star had moeten zijn en meer maatwerk had kunnen toepassen, is dat onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij ook
ernstigverwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij moet namelijk worden meegewogen dat, zoals hiervoor al is overwogen, ook [verzoekster] eraan heeft bijgedragen dat de re-integratie niet succesvol werd, met name ten aanzien van haar afwachtende houding voor wat betreft het verrichten van aangepast werk (ongeacht wat een second opinion op dit punt had opgeleverd) en ten aanzien van de aanvraag om een second opinion. Groentesnijbedrijf HDV heeft immers ongeveer twee weken na het bericht van 29 augustus 2025 aan [verzoekster] medegedeeld dat [verzoekster] zelf alsnog een second opinion kon aanvragen. Weliswaar had [verzoekster] toen al het UWV om een deskundigenbericht verzocht maar het was haar naar eigen zeggen toen al duidelijk dat het UWV hierin – vanwege een gebrek aan verzekeringsartsen – uitsluitend zou oordelen over de re-integratie-inspanningen van Groentesnijbedrijf HDV. Dat zou dus geen second opinion opleveren.
Hoewel [verzoekster] dus in eerste instantie door Groentesnijbedrijf HDV op het verkeerde been is gezet, heeft zij ook zelf nagelaten zich voldoende actief op te stellen. Om die reden heeft ook zij bijgedragen aan de huidige situatie. Om die reden komt de kantonrechter tot het oordeel dat Groentesnijbedrijf HDV wel verwijtbaar, maar niet
ernstigverwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekster] . Daarom is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:673 lid 9 onder Pro a BW voor een billijke vergoeding, inhoudende dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg moet zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Om die reden wordt het verzoek om een billijke vergoeding afgewezen.
4.15.
Ook de vordering om betaling van schadevergoeding op basis van artikel 7:611 BW Pro zal worden afgewezen. Op grond van artikel 7:611 BW Pro kan een werkgever aansprakelijk zijn voor handelen in strijd met goed werkgeverschap, ook als dat niet heeft geleid tot ontslag van de werknemer. Nu de vordering bestaat uit schadevergoeding, zal [verzoekster] – op z’n minst – aannemelijk moeten maken dat zij door het handelen van Groentesnijbedrijf HDV schade heeft geleden. Dat heeft [verzoekster] niet gedaan. Zij heeft gesteld dat zij wegens stress bij de huisarts is geweest en dat haar psychische klachten – met name door de niet betaling van het loon – zijn verergerd. Welke schade [verzoekster] daar concreet door heeft geleden, heeft zij niet voldoende gesteld.
De transitievergoeding
4.16.
Groentesnijbedrijf HDV heeft erkend dat de transitievergoeding moet worden betaald. Het bedrag van € 269,66 zal worden toegewezen.
4.17.
De wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen vanaf 1 februari 2026 tot de dag van volledige betaling (artikel 7:686a lid 1 BW).
Buitengerechtelijke incassokosten
4.18.
[verzoekster] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er – voor zowel de wettelijke verhoging als voor de transitievergoeding – buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde bedragen van € 689,43 en € 40,45 komen beide voor toewijzing in aanmerking, nu de aanmaningen voor het loon en de wettelijke verhoging (die tijdens het dienstverband verschuldigd werden) en voor de transitievergoeding (die pas na het dienstverband verschuldigd werd) niet in één aanmaning konden plaatsvinden. Het gevorderde bedrag van in totaal € 729,88 zal dus worden toegewezen.
De proceskosten
4.19.
Groentesnijbedrijf HDV wordt in deze procedure grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [verzoekster] betalen. Deze worden begroot op:
griffierecht € 93,00
salaris gemachtigde € 865,00
nakosten
€ 144,00
totaal € 1.102,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Groentesnijbedrijf HDV om een bedrag van € 3.144,27 aan wettelijke verhoging aan [verzoekster] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 13 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt Groentesnijbedrijf HDV om een bedrag van € 269,66 aan transitievergoeding aan [verzoekster] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt Groentesnijbedrijf HDV om een bedrag van € 729,88 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [verzoekster] te betalen;
5.4.
veroordeelt Groentesnijbedrijf HDV in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 1.102,00;
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.W. van Tol en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.(SB)