ECLI:NL:RBOVE:2026:4159

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1916
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaarprocedure tegen last onder bestuursdwang

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht eiseres op 10 juli 2025 om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente de tankplaats zou verzegelen. Dit naar aanleiding van een last onder bestuursdwang die op 24 februari 2026 was opgelegd.

Het college stelde de controle en mogelijke verzegeling uit tot 27 juli 2026. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig een bezwaarschrift had ingediend tegen het besluit van 24 februari 2026. Het enkel overleggen van een kopie van het bezwaarschrift en de stelling dat dit per reguliere post was verzonden, was onvoldoende bewijs.

Omdat geen bezwaarprocedure liep tegen het besluit, was niet voldaan aan het formele connexiteitsvereiste voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter deed daarom zonder zitting uitspraak en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingediend bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1916
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats],
hierna: [eiseres],
(gemachtigde: mr. M.A.G. Slots),
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. K. Helmens - van Westenberg).

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiseres]. [eiseres] heeft de voorzieningenrechter daartoe op 10 juli 2025 verzocht omdat het college mogelijk op 13 juli 2025 de tankplaats waarover het bedrijf beschikt zou verzegelen. Dit vanwege de last onder bestuursdwang die op 24 februari 2026 is opgelegd en naar aanleiding waarvan het college een controle wilde uitvoeren.
1.2.
Naar aanleiding van het verzoek heeft het college besloten de controle en (mogelijke) verzegeling van de tankplaats uit te stellen tot 27 juli 2026.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom doet de voorzieningenrechter ook uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.2.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op 28 februari 2026 per reguliere post een bezwaarschrift heeft ingediend. Zij heeft daarvan een kopie overgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat hij nooit een bezwaarschrift heeft ontvangen gericht tegen het besluit van 24 februari 2026.
2.3.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het bezwaarschrift heeft verzonden. Het overleggen van een (digitale) kopie van het bezwaarschrift en de stelling dat deze per reguliere post is verzonden is daartoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende. Er kan op basis daarvan niet worden aangenomen dat het bezwaarschrift daadwerkelijk is verstuurd dan wel bij het college is afgeleverd. Dat het college had kunnen verwachten dat [eiseres] bezwaar zou maken maakt dit niet anders. Evenmin leidt de stelling van [eiseres] dat zij na verzending niet meer iets heeft gehoord van het college waaruit bleek dat het bezwaarschrift niet zou zijn ontvangen en daarom geen aanleiding zag te veronderstellen dat het het college niet had bereikt ergens toe. Het is aan [eiseres] om aannemelijk te maken dat zij het bezwaarschrift (tijdig) heeft verzonden. Het is de voorzieningenrechter voorts niet gebleken dat [eiseres] inmiddels alsnog een bezwaarschrift bij het college heeft ingediend.
2.4.
De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat tegen het besluit geen bezwaarprocedure loopt. Daardoor wordt niet voldaan aan het formele connexiteitsvereiste. Om die reden is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
3.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra , griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.