ECLI:NL:RBOVE:2026:4160

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1767
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen kapvergunning voor uitbreiding hoogspanningstation Ommen

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzoek van twee omwonenden om een voorlopige voorziening tegen een kapvergunning die is verleend aan Enexis voor het kappen van zes bomen ten behoeve van de uitbreiding van het hoogspanningstation Ommen Dante.

De eisers vrezen gezondheidsrisico's door straling en een verslechtering van hun uitzicht en hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan en de kapvergunning. De voorzieningenrechter beoordeelt uitsluitend de rechtmatigheid van de kapvergunning en de belangen die daarmee samenhangen, zonder de lopende beroepsprocedures tegen het bestemmingsplan mee te wegen.

Het college van burgemeester en wethouders heeft de kapvergunning herroepen en opnieuw beoordeeld, waarbij is vastgesteld dat slechts zes bomen vergunningplichtig zijn en dat deze niet beschermingswaardig zijn volgens het actuele bomenbeleidsplan. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom de kap noodzakelijk en proportioneel is en dat er geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

Gezien het beperkte aantal te kappen bomen, de herplantplicht en het tijdsbestek waarin de kap moet plaatsvinden, weegt het belang van Enexis bij uitvoering van het project zwaarder dan de belangen van de eisers. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en mogen de bomen worden gekapt.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de kapvergunning wordt afgewezen, waardoor de kap van zes bomen kan doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1767
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats],
hierna: [eiser 1] en [eiser 2],
(gemachtigde: mr. D.J. Meijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Ommen,
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. M.W. Nijendaal).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Enexis Netbeheer B.V.uit ’s-Hertogenbosch,
hierna: Enexis.

1.Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de kapvergunning die is verleend aan Enexis ten behoeve van het uitbreiden van het hoogspanningstation Ommen Dante. [eiser 1] en [eiser 2] willen voorkomen dat de bomen worden gekapt voordat definitief vaststaat dat de uitbreiding door kan gaan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Zij benadrukt dat slechts de kapvergunning in deze uitspraak ter beoordeling staat en ziet op basis van wat daartegen is aangevoerd en de belangen van partijen geen aanleiding de verleende vergunning in afwachting van de uitspraak op het beroep te schorsen.

2.Inleiding

2.1.
Aan de Kievitstraat 1 in Ommen heeft Enexis hoogspanningstation Ommen Dante. Omdat het station verouderd is en om de energievoorziening in de toekomst te kunnen blijven garanderen wil Enexis het station uitbreiden met twee nieuwe middenspanningsstations. Deze worden geplaatst op het terrein ten noorden van het bestaande station.
2.2.
Om dit te realiseren is het bestemmingsplan herzien en is het bestemmingsplan ‘Wonen Ommen, herziening Kievitstraat 1 Ommen’ (hierna: bestemmingsplan) door de raad op 19 juni 2025 gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan is inmiddels in werking getreden. Daarnaast heeft Enexis vanwege de aanwezigheid van voortplantings- of rustplaatsen van de egel en bunzing op het terrein een omgevingsvergunning flora- en fauna aangevraagd bij en ontvangen van de provincie en heeft het bij het Waterschap – zo is gebleken op zitting – een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit ontvangen. Ook heeft Enexis bij het college een omgevingsvergunning voor de bouw van beide stations aangevraagd, welke procedure nog loopt, en Enexis heeft een vergunning aangevraagd en ontvangen voor de kap van meerdere bomen op het terrein ten behoeve van de realisatie van het project. Om de kapvergunning gaat het in deze uitspraak.
2.3.
[eiser 1] en [eiser 2] wonen tegenover het terrein waarop het station is gevestigd. Zij willen niet dat dit project van Enexis gerealiseerd wordt. Zij zijn bang dat er meer straling zal vrijkomen met mogelijk gezondheidsrisico’s en ze vrezen voor een verslechtering van hun uitzicht. Zij hebben om die reden ook beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. Dit beroep loopt nog bij de Afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State (hierna: de Afdeling). Ook hebben zij beroep ingesteld tegen de verleende kapvergunning. Daarnaast zullen zij – zoals op zitting is aangekondigd – rechtsmiddelen instellen tegen andere verleende of nog te verlenen vergunningen.
2.4.
Omdat Enexis van de kapvergunning gebruik kan maken voordat onherroepelijk vaststaat dat het project kan worden uitgevoerd en beslist is op het beroep tegen de kapvergunning, hebben [eiser 1] en [eiser 2] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
Enexis heeft aangegeven dat de bomen gekapt zullen worden in september/oktober 2026.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] en [eiser 2], bijgestaan door [naam 1], de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2], de gemachtigde van het college en namens Enexis [naam 2], [naam 3] en [naam 4].

3.Totstandkoming van het besluit

3.1.
Om het project te realiseren zal Enexis op het terrein ongeveer 950m2 groen moeten kappen, zoals volgt uit het rapport van Eco Reest van 13 augustus 2025. Voor een aantal bomen is gebleken dat een omgevingsvergunning is vereist en Enexis heeft daarvoor een aanvraag ingediend bij het college.
3.2.
Met het besluit van 2 september 2025 heeft het college aan Enexis een kapvergunning verleend voor het kappen van negen bomen in verband met de uitbreiding van het hoogspanningstation aan de Kievitstraat 1 in Ommen.
3.3.
Het college heeft aan deze vergunning verschillende voorschriften verbonden. Deze hielden – samengevat – in dat aan Enexis een herplantplicht werd opgelegd waaraan voor 31 mei 2026 moest worden voldaan en dat binnen één jaar gebruik moest worden gemaakt van de vergunning. Ook was als voorschrift opgenomen dat de bomen pas mogen worden gekapt als alle toestemmingen die nodig zijn voor het project onherroepelijk waren geworden. Dit laatste hield (onder meer) in dat alle omgevingsvergunningen, meldingen en andere besluiten die waren aangevraagd moesten zijn afgerond met een positief resultaat. Daartegen mochten geen bezwaar- of beroepsprocedures meer lopen.
3.4.
Tegen dit besluit is door [eiser 1] en [eiser 2] bezwaar gemaakt. Ook Enexis heeft bezwaar gemaakt.
3.5.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om een eventuele kap te voorkomen (ZWO 25/2836). Met de uitspraak van 17 november 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen, omdat een spoedeisend belang ontbrak. In de uitspraak is gewezen op het voorschrift dat erop ziet dat alle toestemmingen onherroepelijk moeten zijn geworden. Op zitting is destijds door het college bevestigd dat daaronder ook het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Wonen Ommen, herziening Kievitstraat 1 Ommen’ viel. Nu daartegen beroep was ingesteld bij de Afdeling ontbrak om die reden naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang.
3.6.
In de bezwaarprocedure is het college teruggekomen op dit voorschrift en heeft het college aangegeven dat dit gewijzigd zal worden naar: de omgevingsvergunning mag worden gebruikt zodra het bestemmingsplan voor de uitbreiding in werking is getreden. Het college vindt namelijk dat het anders zal leiden tot onuitvoerbaarheid van het project.
3.7.
Omdat het bestemmingsplan ten tijde van de bezwaarprocedure in werking is getreden, heeft dit tot gevolg gehad dat – anders dan ten tijde van het primaire besluit en de voorlopige voorziening – direct mocht worden overgegaan tot de kap van de bomen.
3.8.
De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het besluit te herroepen, gezien de terechte bezwaren gericht tegen de herplantplicht, de geldigheidsduur van de vergunning en de onderbouwing van het maatschappelijk belang. Daarnaast heeft de commissie het college in overweging gegeven in de beslissing op bezwaar mee te nemen dat met het terugkomen op het eerder gestelde voorschrift het vertrouwen van [eiser 1] en [eiser 2] is geschaad.
3.9.
Met de beslissingen op bezwaar van 21 april 2026 heeft het college het besluit van 2 september 2025 herroepen en de aanvraag opnieuw beoordeeld, mede op basis van een nieuw bomenbeleidsplan van de gemeente Ommen voor 2026-2036 (hierna: bomenbeleidsplan) en het omgevingsplan. Uit ‘bijlage 7 – advies kapaanvraag nieuwe beoordeling’ (hierna: bijlage zeven) volgt hoe het college deze beoordeling heeft gemaakt. Het heeft na veldonderzoek geconstateerd dat twee van de negen bomen feitelijk niet aanwezig zijn op het terrein en één te klein is om vergunningplichtig te zijn. Daarmee geldt dat voor slechts zes bomen een vergunningplicht geldt. Daarnaast is het college tot de conclusie gekomen dat onder het hernieuwde bomenbeleid de zes bomen niet kunnen worden aangemerkt als beschermingswaardig, dat de kap noodzakelijk en proportioneel is en het college heeft opnieuw afgewogen waarom het maatschappelijk belang zwaarder dient te wegen dan het belang van behoud van de bomen. Het college is uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat voor zes bomen een kapvergunning kan worden verleend met een (aangepaste) herplantplicht. Dit heeft het als zodanig opgenomen in de beslissingen op bezwaar.

4.Beoordeling door de voorzieningenrechter

4.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.2.
De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser 1] en [eiser 2] in de kern willen dat Enexis pas uitvoering geeft aan het voorgenomen project wanneer onherroepelijk vaststaat dat dit mag. De voorzieningenrechter begrijpt ook dat zij in dat kader om deze voorlopige voorziening hebben verzocht. Zolang niet definitief vaststaat dat het project gerealiseerd mag worden, willen zij voorkomen dat aan deze kapvergunning uitvoering wordt gegeven. De bomen zouden dan immers mogelijk nodeloos worden gekapt.
4.3.
De voorzieningenrechter wil echter benadrukken dat wat hier voorligt de omgevingsvergunning is die is verleend voor de kap van meerdere bomen bij het hoogspanningstation. De voorzieningenrechter zal de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning (voorlopig) beoordelen en beoordelen of de belangen van partijen die samenhangen met deze omgevingsvergunning aanleiding geven het besluit te schorsen. Dat de mogelijkheid bestaat dat het bestemmingsplan of overige vergunningen in de toekomst (gedeeltelijk) zullen worden vernietigd is daarom geen reden om over te gaan tot schorsing van deze omgevingsvergunning.
4.4.
Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat zij voorlopig uitgaat van zes bomen waarvoor de vergunningplicht geldt. Het college heeft dat in bijlage zeven toegelicht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben op zitting gesteld dat dit niet klopt, maar een nadere onderbouwing daarvan ontbreekt.
4.5.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat hetgeen [eiser 1] en [eiser 2] aanvoeren niet kan leiden tot het oordeel dat de beslissing op bezwaar onrechtmatig is. Het college heeft bij zijn heroverweging gebruik gemaakt van het actuele bomenbeleidsplan. Daarin is in paragraaf 4.6. opgenomen dat – kort weergegeven – een hernieuwde lijst moet worden samengesteld van beschermingswaardige bomen. In paragraaf 5.4. onder punt 6 van ‘Bomen binnen de Bebouwingscontour houtkap’ wordt vermeld dat in de tijdelijke situatie dat een dergelijke lijst ontbreekt altijd eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een beschermingswaardige boom en wordt uitgelegd dat bomen in Beleidsklasse I worden opgenomen in de lijst. Uit bijlage zeven volgt dat het college deze beoordeling heeft gemaakt en hoe het tot de conclusie is gekomen dat de bomen niet beschermingswaardig zijn. Dat het gebied voorheen onder het oude bomenbeleid was aangemerkt als een beschermingswaardig vlakelement laat daarmee vooralsnog onverlet dat het college in het huidige besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van beschermingswaardige bomen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben tegen deze beoordeling noch tegen het bomenbeleidsplan andere gronden ingebracht. Daarnaast heeft het college in bijlage zeven naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom de kap noodzakelijk en proportioneel is en een afweging gemaakt ten aanzien van het wel of niet behouden van de bomen.
4.5.1.
Ook komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel of het verbod van reformatio in peius. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht waarom het voorschrift waarbij alle toestemmingen definitief moesten zijn niet past binnen het systeem van de wet. De voorzieningenrechter kan het college hierin volgen. Daarbij komt dat in bezwaar sprake is van een volledige heroverweging en het besluit door het college is herroepen. Daarnaast geldt in dit geval het verbod van reformatio in peius niet, omdat ook Enexis bezwaar heeft gemaakt en de strekking van dat bezwaar (onder meer) was om het voorschrift te schrappen. [1] [eiser 1] en [eiser 2] zijn daarmee met de beslissing op bezwaar ten gunste van Enexis in een nadeligere positie gebracht.
4.6.
Verder weegt voor de voorzieningenrechter mee dat Enexis te maken heeft met een kort tijdsbestek waarin zij de bomen kunnen kappen ten behoeve van de realisatie van het project. In de omgevingsvergunning flora- en fauna is de periode waarin Enexis het projectgebied ongeschikt mag maken beperkt tot september en oktober. De kap van de bomen kan dus enkel in deze periode plaatsvinden. Omdat Enexis in april 2027 wil starten met de realisatie van de gebouwen, hecht zij er belang aan dat zij in september en oktober de bomen kan kappen. Daarnaast gaat het hier om slechts zes bomen die aan de noordkant van het terrein verspreid staan. Voor de voorzieningenrechter laat dit beperkte aantal en de wijze waarop ze zijn gepositioneerd de belangen die [eiser 1] en [eiser 2] naar voren hebben gebracht om de kap te voorkomen, de vrees voor straling, de verslechtering van het uitzicht en het houden van natuur, minder zwaar wegen dan de belangen van Enexis bij het voortzetten van de kap. Daar komt bij dat er aan Enexis een herplantplicht is opgelegd. Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd dat het jaren duurt voordat nieuwe bomen hun volle formaat hebben bereikt, weegt de voorzieningenrechter mee dat de standaard voorwaarden herplantplicht van toepassing zijn verklaard door het college.
4.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen komt de voorzieningenrechter daarmee tot het oordeel dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, die gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

5.Conclusie en gevolgen

5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de zes bomen gekapt mogen worden.
5.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3135.