ECLI:NL:RBOVE:2026:4161

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
12231800 \ CV EXPL 26-1678
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:119 BWArt. 143 lid 2 Rv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing en schorsing van executie bankbeslag in faillissementszaak

In deze zaak vordert eiser de staking en schorsing van de executie van een verstekvonnis, alsmede opheffing van het gelegde executoriale bankbeslag. Het verstekvonnis betreft een veroordeling tot betaling van een gebruiksvergoeding en incassokosten in het kader van het faillissement van de vader van eiser, waarbij de curator is benoemd.

Eiser stelt dat de executie misbruik van bevoegdheid oplevert en beroept zich op het Zeester-arrest en het restitutierisico. De curator voert aan dat het verzet van eiser tegen het verstekvonnis te laat is ingesteld, waardoor het vonnis onherroepelijk is en de strengere maatstaf van het Ritzen/Hoekstra-arrest geldt.

De rechtbank oordeelt dat het verzet van eiser niet tijdig is ingesteld, mede gelet op de kennis van het verstekvonnis door de advocaat van eiser en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die dit zouden rechtvaardigen. De curator heeft bovendien toegezegd het loonbeslag te schorsen, waardoor eiser niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen ten aanzien van het loonbeslag.

Ten aanzien van het bankbeslag is geen sprake van misbruik van bevoegdheid, noch van evidente juridische of feitelijke misslagen in het verstekvonnis. Het bedrag van het beslag is beperkt en er is geen noodtoestand aannemelijk gemaakt. De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser tot staking en schorsing van executie en opheffing van bankbeslag af wegens ontbreken van misbruik van bevoegdheid en niet-tijdig verzet.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12231800 \ CV EXPL 26-1678
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Dufour,
tegen
MR. M. LOEF Q.Q. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[bedrijf 1],
te Deventer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de curator,
gemachtigde: mr. C. ter Braack.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze zaak betreft een executiegeschil waarin [eiser] vordert de executie van het tussen partijen gewezen verstekvonnis primair te staken, subsidiair te schorsen en meer subsidiair te bepalen dat de executie (vanwege het restitutierisico) slechts tegen zekerheidsstelling door de boedel mag plaatsvinden, alsmede opheffing van de gelegde beslagen. De curator voert als verweer dat het gevorderde op basis van het Ritzen/Hoekstra-arrest moet worden afgewezen. De kantonrechter volgt dit verweer. Van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de curator is niet gebleken.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juni 2026 met 11 producties;
- de e-mail van [eiser] van 30 juni 2026 met productie 12;
- de conclusie van antwoord in kort geding met 8 producties;
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, ter gelegenheid waarvan partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Tot slot is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Bij vonnis van 20 augustus 2024 is de heer [naam] , de vader van [eiser] , door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard, waarbij mr. Loef als curator is benoemd. Tot de boedel behoren twee woningen in [plaats 1] en [woonplaats] . In de [woonplaats] woning verblijft (onder meer) [eiser] .
3.2.
Onder andere bij brief van 8 oktober 2025 heeft de curator [eiser] gesommeerd tot betaling van (onder andere) € 15.500 ten titel van gebruiksvergoeding voor de woning in [woonplaats] .
3.3.
Op verzoek van (de advocaat van) [eiser] heeft (de advocaat van) de curator op
2 maart 2026 een concept dagvaarding toegezonden. Naar aanleiding van dit concept heeft [eiser] op 9 maart 2026 vragen gesteld die de curator op 10 maart 2026 heeft beantwoord.
3.4.
Bij betekende dagvaarding van 16 maart 2026 heeft de curator gevorderd dat [eiser] een bedrag van € 15.500 (exclusief rente) betaalt voor het gebruik van de woning in [woonplaats] , alsmede een bedrag van € 934 (exclusief rente) aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze dagvaarding is aan [eiser] in persoon betekend. [eiser] is in die procedure niet verschenen.
3.5.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 24 maart 2026 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 16.434, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 15.500 vanaf 16 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de veertiende dag na betekening van dat vonnis tot de dag van volledige betaling (hierna: het verstekvonnis) [1] .
3.6.
Bij e-mail van 31 maart 2026 bericht de advocaat van [eiser] aan de advocaat van de curator dat hij van de griffie heeft begrepen dat er een verstekvonnis is gewezen tegen [eiser] , en vraagt hij om een kopie van dat vonnis. Hij merkt op dat als het vonnis een veroordeling tegen [eiser] bevat, hij dan verzet zal instellen.
3.7.
Bij e-mail van 1 april 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan de rechtbank bericht dat een verstekvonnis is gewezen en dat na ontvangst van het vonnis verzet zal worden ingesteld.
3.8.
Bij e-mail van 9 april 2026 heeft de griffie een afschrift van het verstekvonnis aan beide partijen toegezonden.
3.9.
Bij e-mail van 14 april 2026 heeft (de advocaat van) de curator (de advocaat van) [eiser] verzocht om aan de veroordelingen van het verstekvonnis te voldoen. Aan dit verzoek heeft [eiser] geen gevolg gegeven.
3.10.
Op 8 mei 2026 is het verstekvonnis aan [eiser] betekend met gelijktijdig bevel tot betaling van het bedrag van € 18.669,10 P.M. binnen twee dagen. Aan dit bevel heeft [eiser] niet voldaan.
3.11.
Op 13 mei 2026 heeft de curator ten laste van [eiser] executoriaal beslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank N.V. Dit bankbeslag heeft doel getroffen tot het bedrag van
€ 1.048,46.
3.12.
Op 19 mei 2026 is [eiser] tegen het verstekvonnis in verzet gegaan.
3.13.
Op 3 juni 2026 heeft de curator ten laste van [eiser] executoriaal (loon)beslag laten leggen onder de werkgever van [eiser] , [bedrijf 2] B.V.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(Ia) primair de executie van het verstekvonnis zal staken;
(Ib) subsidiair de executie van het verstekvonnis zal schorsen totdat bij eindvonnis op het geschil zal zijn beslist;
(Ic) meer subsidiair zal bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidsstelling door de boedel mag plaatsvinden;
(II) het gelegde executoriale (repeterende) beslag zal opheffen;
(III) de curator zal veroordelen in de proces- en nakosten.
4.2.
Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, ten grondslag dat executie van het verstekvonnis misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro oplevert. Daartoe voert [eiser] aan dat hij tegen het verstekvonnis in verzet is gegaan en dat de curator bij de executie geen rekening heeft gehouden met zijn belangen die bovendien zwaarder wegen dan die van de curator. [eiser] beroept zich op het Zeester-arrest [2] . Daarnaast wijst [eiser] op het restitutierisico en beroept hij zich in dat verband op een tweetal hofarresten [3] .
4.3.
De curator voert als primair verweer dat het verzet van [eiser] evident tardief is ingesteld, zodat het verstekvonnis onherroepelijk is en de strenge maatstaf van het arrest Ritzen/Hoekstra [4] van toepassing is. Daartoe verwijst de curator naar de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring in de bodemzaak. Subsidiair betwist de curator dat op basis van het Zeester-arrest de belangenafweging in het voordeel van [eiser] moet uitvallen.
De curator concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna ingaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Anders dan de curator betoogt, volgt uit de aard van het geschil reeds het spoedeisend belang van [eiser] . Het spoedeisend belang is bij een executiegeschil als dit een gegeven.
Ten aanzien van het loonbeslag
5.2.
De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat (ook) hij verrast was over het ten laste van [eiser] gelegde loonbeslag, dat hij daarvoor geen opdracht aan de deurwaarder heeft verstrekt, dat hij dit met de betrokken deurwaarder heeft besproken, dat deze deurwaarder op zijn beurt met de werkgever van [eiser] heeft gecommuniceerd dat het loonbeslag wordt geschorst totdat uitspraak in de bodemzaak is gedaan en dat eventuele beslagen gelden aan [eiser] kunnen worden gerestitueerd.
Gelet op deze verklaring/toezegging van de curator heeft [eiser] geen (proces)belang (meer) bij het gevorderde sub (I) en (II) als het gaat om het loonbeslag. [eiser] is in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.
Ten aanzien van het bankbeslag
5.3.
Ten aanzien van het wel door de curator gehandhaafde bankbeslag overweegt de kantonrechter als volgt.
5.4.
Aan de orde is in eerste plaats de vraag welke maatstaf de rechter moet hanteren bij de beoordeling van een vordering om de executie te schorsen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak. De Hoge Raad heeft in het Zeester-arrest – samengevat – geoordeeld dat in kort geding onder andere schorsing kan worden uitgesproken van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak
waartegen een rechtsmiddel is of kan worden ingesteld(rechtsoverweging 5.6.2) als uit omstandigheden volgt dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven het uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen (‘de ruimere maatstaf’).
In rechtsoverweging 5.7.1 oordeelt de Hoge Raad dat indien de vordering in kort geding tot schorsing betrekking heeft op een rechterlijke uitspraak
waartegen geen rechtsmiddel (meer) openstaatde maatstaf uit het arrest Ritzen/Hoekstra onverkort geldt en dus schorsing slechts aan de orde is indien tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW Pro) oplevert (‘de strengere maatstaf’).
5.5.
Volgens [eiser] moet voor de vraag of zijn vorderingen kunnen worden toegewezen, de ruimere maatstaf worden gehanteerd. Hij voert daartoe aan dat hij op 19 mei 2026 tijdig het rechtsmiddel van verzet tegen het verstekvonnis heeft ingesteld.
De curator stelt zich op het standpunt dat de strengere maatstaf moet worden gehanteerd, omdat het verzet te laat is ingesteld en tegen het verstekvonnis geen rechtsmiddel meer openstaat en op 19 mei 2026 ook niet meer openstond. Naar voorshands oordeel van de kantonrechter doet het laatste geval zich hier voor en moet dus de strengere maatstaf worden toegepast. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.6.
Op eigen verzoek heeft de advocaat van [eiser] op 2 maart 2026 de concept dagvaarding van de curator ontvangen. De advocaat van [eiser] had daardoor kennis van de (grondslag van de) vorderingen van de curator tegen [eiser] . De dagvaarding is aan [eiser] betekend. Nadat op 24 maart 2026 het verstekvonnis was gewezen, heeft de advocaat van [eiser] op 31 maart 2026 en 1 april 2016 richting de curator aangekondigd dat hij (tijdig) verzet tegen het verstekvonnis zal instellen. Op 9 april 2026 is de advocaat van [eiser] in het bezit gekomen van het verstekvonnis. Vanaf (in ieder geval) dat moment was de advocaat van [eiser] bekend met de inhoud van het verstekvonnis.
5.7.
Hoewel daden van bekendheid van de advocaat of een andere vertegenwoordiger buiten rechte niet zonder meer aan de veroordeelde (gedaagde) mogen worden toegerekend, ook niet als de advocaat of vertegenwoordiger daarbij namens de veroordeelde is opgetreden, zal in het algemeen en behoudens bijzondere door de veroordeelde aan te voeren omstandigheden moeten worden aangenomen dat aan zulk een daad van de vertegenwoordiger van de veroordeelde een daad van deze zelf, waaruit zijn bekendheid met het vonnis wél noodzakelijk voortvloeit, zal zijn voorafgegaan [5] . Hierbij valt te denken aan een brief van de raadsman aan de wederpartij met de mededeling dat hij namens zijn cliënt (de veroordeelde) verzet zal instellen. Een dergelijke mededeling pleegt immers niet zonder opdracht van de cliënt te geschieden.
5.8.
In het licht van het voorgaande oordeelt de kantonrechter voorshands dat de daad van bekendheid van de advocaat van [eiser] met het verstekvonnis aan [eiser] mag worden toegerekend. Dat [eiser] gedurende de periode van 7 t/m 22 april 2026 in China verbleef, doet daar niet aan af. Een verblijf in het buitenland vormt, zonder nadere toelichting, maar die is door [eiser] niet gegeven, immers geen belemmering voor digitale communicatie, bijvoorbeeld per e-mail, zoals thans gebruikelijk. Dit betekent dat, gelet op de vierwekentermijn van artikel 143 lid 2 Rv Pro, aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het verzet van [eiser] niet tijdig is ingesteld en dat de veroordeling waarvan de executie ter discussie staat definitief is. In dat geval staat vast dat tegen het verstekvonnis geen rechtsmiddel meer openstaat en geldt dus de maatstaf zoals vermeld in het Ritzen/Hoekstra-arrest onverkort. Er bestaat dus slechts grond voor staking of schorsing ingeval van – kort gezegd – misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW Pro).
5.9.
Met betrekking tot de strengere maatstaf in een executiegeschil in kort geding heeft de Hoge Raad in het Ritzen/Hoekstra-arrest overwogen:
“In een dergelijk executiegeschil (…) kan de rechter slechts de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die (…) zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.”
In het Zeester-arrest is daaraan toegevoegd dat dit slechts voorbeelden zijn van een situatie waarin – gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij tenuitvoerlegging en het belang dat door die tenuitvoerlegging wordt geschaad – naar redelijkheid niet tot tenuitvoerlegging kan worden gekomen en dus sprake is van misbruik van bevoegdheid.
5.10.
De kantonrechter overweegt dat de door [eiser] gestelde en door de curator betwiste onwaarheden/omissies in de dagvaarding van 16 maart 2026 – te weten dat (a) zich ten tijde van de dagvaarding geen advocaat voor [eiser] had gemeld, dat (b) de broer van [eiser] namens hem met de curator heeft gecommuniceerd, dat (c) [eiser] heeft erkend huurder te zijn van de [woonplaats] woning, dat (d) de curator de hoogte van de vordering niet heeft onderbouwd en dat (e) de curator het verweer ten aanzien van de onderhoudsplicht onbesproken heeft gelaten – niet als kennelijke misslagen kunnen worden aangemerkt. Van een evidente fout in de toepassing van het recht of van een evidente vergissing ten aanzien van de feiten in het verstekvonnis is niet gebleken. Bovendien betreffen dit stellingen van de curator waartegen [eiser] zich had kunnen verweren maar dat om hem moverende redenen heeft nagelaten door niet in de procedure te verschijnen. Verder is relevant dat de curator heeft toegezegd dat het loonbeslag wordt geschorst totdat uitspraak in de bodemzaak is gedaan. Dat door de executie aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal ontstaan, is gelet op de beperkte omvang van het door het bankbeslag getroffen bedrag (iets meer dan € 1000) dan ook in het geheel niet aannemelijk geworden. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die maken dat in verband met na het verstekvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid overeenkomstig de in artikel 3:13 BW Pro genoemde maatstaf.
5.11.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook indien de ruimere maatstaf zou worden toegepast, dat niet tot een ander oordeel zou leiden. Omstandigheden waaruit volgt dat het belang van schorsing van de executie van het verstekvonnis zwaarder moeten wegen dan het belang van de curator bij tenuitvoerlegging van het vonnis in het kader van een ordentelijke afwikkeling van het faillissement van de vader van [eiser] zijn niet aannemelijk geworden. Daarbij is van belang dat
  • i) uitgangspunt is dat uitvoerbaar verklaarde vonnissen hangende de procedure die door het rechtsmiddel is ingeleid, kunnen worden uitgevoerd;
  • ii) het om een relatief beperkt bedrag gaat; en
  • iii) niet aannemelijk is geworden dat bij gegrondbevinding van het verzet de curator niet tot terugbetaling zal kunnen overgaan.
Conclusie
5.12.
De kantonrechter komt tot de slotsom dat alle vorderingen van [eiser] , zowel primair als (meer) subsidiair, moeten worden afgewezen.
Proceskosten
5.13.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verklaart [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk, voor zover deze betrekking hebben op het op 3 juni 2026 ten laste van hem gelegde loonbeslag;
6.2.
wijst de vorderingen van [eiser] voor het overige af;
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.5.
verklaart 6.3 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026. (PvdS)

Voetnoten

1.Zaaknummer: 12153870 CV EXPL 26-915
2.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026
3.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10097 en Gerechtshof Amsterdam 12 augustus 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2134
4.Hoge Raad 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575
5.Hoge Raad 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325