ECLI:NL:RBOVE:2026:4173

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/776
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 ParticipatiewetArt. 34 ParticipatiewetArt. 47a Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag aanvullende inkomensvoorziening ouderen wegens overschrijding vermogensgrens

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), welke door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is afgewezen vanwege een vermogen dat de toegestane vermogensgrens overschrijdt. Eiser is gehuwd in gemeenschap van goederen met zijn echtgenote die in Kroatië woont en twee woningen bezit. De SVB rekent het gezamenlijke vermogen toe aan eiser, omdat zij financieel verbonden zijn en er geen huwelijkse voorwaarden waren tijdens de beoordelingsperiode.

Eiser stelt dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote en dat de woningen bewoond zijn, waardoor deze niet tot het vermogen gerekend mogen worden. De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijke vermogen, inclusief de waarde van de woningen, terecht is betrokken bij de beoordeling van de AIO-aanvulling. De rechtbank gaat niet in op de vraag of er duurzaam gescheiden leven was, noch op de huwelijkse voorwaarden die na de beoordelingsperiode zijn opgesteld.

Verder is geoordeeld dat de vrijstelling voor een eigen woning niet van toepassing is omdat eiser zelf niet in de woningen woont. Ook is vastgesteld dat het besluit niet procedureel gebrekkig is, ondanks de taalbarrière bij het invullen van het aanvraagformulier. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de AIO-aanvulling blijft staan en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de AIO-aanvulling wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de vermogensgrens.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/776

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. L. de Widt,
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Volgens de SVB heeft [eiser] daar geen recht op. [eiser] is het met de afwijzing niet eens. Hij heeft een aantal argumenten aangevoerd (beroepsgronden) aan de hand waarvan de rechtbank zijn beroep beoordeelt.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiser] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 11 september 2025 heeft de SVB de aanvraag van [eiser] om een AIO-aanvulling afgewezen, omdat zijn vermogen boven de vermogensgrens ligt. Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 op het bezwaar van [eiser] is de SVB bij de afwijzing gebleven.
2.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en namens de SVB [naam 1] en [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
[eiser] (geboren op [geboortedatum] 1958) woont vanaf [datum 2] 1996 in Nederland. Hij is op [datum 3] 2006 in Nederland in gemeenschap van goederen getrouwd met [naam 3] (verder: [naam 3]). [naam 3] woont in Kroatië.
3.2.
[eiser] heeft over de periode 3 maart 2003 tot en met 3 september 2025 van de gemeente Hengelo een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.
3.3.
Omdat hij op [geboortedatum] 2025 de pensioengerechtigde leeftijd ging bereiken, heeft [eiser] op 5 mei 2025 een AOW-pensioen aangevraagd. Op de aanvraag heeft hij vermeld dat hij permanent apart woont, omdat zijn echtgenote in Kroatië voor haar zieke moeder zorgt. Op verzoek van de SVB heeft [eiser] daarna het ‘vragenformulier woonsituatie’ ingevuld. Op dit vragenformulier heeft [eiser] onder meer het volgende vermeld. Zolang de moeder van zijn echtgenote nog leeft, kunnen zij niet samen zijn. Zij bellen 7 keer per week met elkaar, hebben via internet contact, en zij gaan 2 keer per jaar in totaal 4 weken op vakantie. Zij presenteren zich aan anderen als echtpaar/stel, maar de geldzaken zijn volledig gescheiden.
3.4.
Met een besluit van 22 mei 2025 is [eiser] per [geboortedatum] 2025 in aanmerking gebracht voor een AOW-pensioen van € 614,77 per maand. In het besluit heeft de SVB toegelicht dat [eiser] het pensioen voor een gehuwde ontvangt, omdat hij getrouwd is. Verder is toegelicht dat hij minder AOW krijgt, omdat hij in de periode [geboortedatum] 1975 tot en met 28 januari 1996 geen AOW heeft opgebouwd. Tegen dit besluit heeft [eiser] geen bezwaar gemaakt.
3.5.
Op 4 juli 2025 heeft [eiser] een aanvraag voor een AIO-aanvulling ingediend. Op
23 juli 2025 heeft hij het stadskantoor te Enschede bezocht en aangegeven dat zijn partner in Kroatië woont, dat zij daar haar moeder verzorgt en dat het de bedoeling is dat zij naar Nederland komt als haar moeder is overleden. De SVB heeft met een formulier van
8 augustus 2025 extra informatie bij [eiser] opgevraagd. Op 27 augustus 2025 heeft [eiser] nogmaals het stadskantoor te Enschede bezocht en uiteengezet dat zijn echtgenote in Kroatië twee flatwoningen op haar naam heeft staan. In de ene woning woont zij met haar moeder, die zij verzorgt. In de andere woning woont familie, waarvan geen huur wordt ontvangen. De woningen zijn volgens [eiser] elk zo’n € 70.000,- waard. In dit gesprek heeft [eiser] nogmaals te kennen gegeven dat, als de moeder van zijn partner in de toekomst komt te overlijden, de partner naar Nederland zal verhuizen als dit mogelijk is. Het formulier ‘onderzoek vermogen buiten Nederland’ is ter plekke ingevuld. Daarna is de besluitvorming gevolgd die hiervoor is vermeld.
3.6.
Volgens de SVB heeft [eiser] geen recht op een AIO-aanvulling, omdat hij gehuwd is en het gezamenlijke vermogen hoger is dan het toegestane maximum grensbedrag van
€ 15.540,00, dat geldt voor gehuwden.
3.7.
Op 15 januari 2026 hebben [eiser] en [naam 3] te [plaats] huwelijkse voorwaarden opgesteld.
Het standpunt van [eiser]
3.8.
Volgens [eiser] heeft hij wel recht op AIO-aanvulling. Het vermogen van zijn echtgenote is ten onrechte ook aan hem toegerekend, omdat zij duurzaam gescheiden leven. Hij heeft nooit met [naam 3] samengewoond. Vanaf het begin hebben zij hun leven gescheiden ingericht, ieder in een ander land, met elk een eigen sociale en praktische leefomgeving. [naam 3] verblijft in Kroatië, waar zij zorgdraagt voor haar zieke moeder, terwijl [eiser] al die jaren in Nederland is blijven wonen. [eiser] wilde zich aanvankelijk wel in Kroatië vestigen, maar dat is al meer dan twintig jaar niet meer het geval. Ze zien elkaar maar een aantal dagen per jaar, als [eiser] in Kroatië is om zijn familie te bezoeken. Er is geen onderlinge verbondenheid en ook op financieel gebied zijn beiden volledig zelfstandig. Zij zijn wel in gemeenschap van goederen getrouwd, maar vanwege de feiten is die juridische constellatie niet doorslaggevend. De woningen in Kroatië staan ook niet op zijn naam, maar op naam van [naam 3]. Onder deze omstandigheden vindt [eiser] het niet juist dat de SVB de waarde van die woningen heeft meegeteld bij het bepalen van zijn vermogen. [eiser] heeft er in dat verband ook nog op gewezen dat de gemeente Hengelo hem twintig jaar lang als alleenstaand voor de bijstand heeft aangemerkt.
3.9.
Op de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] betoogd dat de woningen ook niet bij de vermogensvaststelling kunnen worden betrokken, omdat ze bewoond zijn. In de ene woning woont [naam 3] met haar moeder en in de andere woning woont familie, wat maakt dat het geld dat in de woningen zit feitelijk niet besteedbaar is. Gemachtigde heeft erop gewezen dat in de PW van een bijstandsgerechtigde niet wordt gevraagd zijn eigen woning te verkopen.
3.10.
Verder stelt [eiser] dat hij het aanvraagformulier niet correct heeft kunnen invullen, omdat bij de aanvraag sprake was van een taalbarrière. Het besluit is daarom volgens [eiser] ook in procedureel opzicht gebrekkig. Daarnaar gevraagd is op de zitting toegelicht, dat het aanvraagformulier de keuze bood tussen ‘gehuwd’ en ‘duurzaam gescheiden’ maar niet de mogelijkheid de situatie toe te lichten. Degene die [eiser] heeft geholpen met het invullen van het formulier heeft vervolgens voor ‘gehuwd’ gekozen, terwijl dit niet juist is.
Het standpunt van de SVB
3.11.
Volgens de SVB is uit het onderzoek gebleken dat het vermogen van [eiser] hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens voor gehuwden. De vermogensbestanddelen van alle gezinsleden tellen mee; ook het vermogen van de niet-rechthebbende partner [naam 3], met wie [eiser] in 2006 in gemeenschap van goederen is getrouwd. Zij heeft in 2013 en 2018 in Kroatië twee appartementen gekocht, waarvan [eiser] zelf de waarde heeft geschat op € 70.000,- per stuk. Deze appartementen behoren dus tot het gezamenlijk vermogen van [eiser] en [naam 3]. Omdat niet is gebleken dat er huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld, zijn [eiser] en zijn echtgenote financieel met elkaar verbonden. Van duurzaam gescheiden leven is dan ook geen sprake. De SVB heeft er in het besluit op bezwaar op gewezen dat [eiser] evenmin recht op een AIO-aanvulling zou hebben als hij wel als duurzaam gescheiden levend van [naam 3] zou worden aangemerkt. In dat geval zou hem immers nog steeds de helft van hun gezamenlijke vermogen toebehoren en zou hij ook de vermogensgrens overschrijden. Op de zitting is namens de SVB toegelicht dat dan wel de lagere vermogensgrens voor een alleenstaande van toepassing zou zijn, wat in feite maakt dat die grens sneller wordt bereikt.

Overwegingen

4. De van belang zijnde regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De voor de rechtbank te beoordelen periode is de periode die loopt van [geboortedatum] 2025 (de eerste datum waarop [eiser] recht op AIO-aanvulling zou kunnen krijgen) tot en met 11 december 2025 (de datum van het afwijzingsbesluit).
4.2.
Niet in geschil is dat [eiser] en [naam 3] in deze periode in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. Ook is niet in geschil dat [naam 3] in Kroatië twee woningen op haar naam heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of bij het bepalen van het vermogen van [eiser] ook de waarde van deze woningen moet worden betrokken. Volgens [eiser] niet, omdat hij in de beoordelingsperiode duurzaam gescheiden van [naam 3] leefde. Bovendien zijn de woningen bewoond en mogen zij daarom niet tot het vermogen gerekend worden.
4.3.
Omdat [eiser] en [naam 3] in de beoordelingsperiode in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd zijn, hebben zij een gezamenlijk vermogen. Overigens zou er ook sprake zijn van gezamenlijk vermogen voor de PW als zij in de beoordelingsperiode duurzaam van elkaar gescheiden zouden leven. Als gevolg hiervan maakt de waarde van de woningen op naam van [naam 3] deel uit van het gezamenlijk vermogen en is die waarde terecht betrokken bij de vermogensbepaling in het kader van de beoordeling van de aanspraak van [eiser] op AIO-aanvulling.
4.4.
Omdat het niet relevant is voor de beoordeling van het recht op AIO-aanvulling gaat de rechtbank verder niet in op de vraag of [eiser] en [naam 3] in de periode in geding duurzaam gescheiden leefden. Ook de vraag of de huwelijkse voorwaarden al dan niet van invloed zijn op de vermogensvaststelling laat de rechtbank onbesproken, omdat deze zijn opgemaakt na de beoordelingsperiode.
4.5.
Namens [eiser] is op de zitting aangevoerd dat over de woningen in Kroatië niet vrijelijk kan worden beschikt omdat ze worden bewoond, de ene woning door [naam 3] en haar moeder en de andere woning door familie. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op een vrijstelling voor de vermogensgrens in de zin van artikel 50 van Pro de PW. Uit dit artikel volgt dat een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning, wel recht heeft op bijstand op het moment dat het te gelde maken van het aan de woning verbonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. De rechtbank ziet echter geen grond voor het oordeel dat deze vermogensvrijstelling hier van toepassing is. [eiser] woont immers niet zelf in de betreffende woningen. De rechtbank laat in het midden of [eiser] gevolgd moet worden in zijn stelling dat van belang is dat zijn echtgenote in één van de woningen woont. Ook als dit zou betekenen dat die woning wordt bewoond door ‘zijn gezin', geldt dit in ieder geval niet voor de andere woning.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat de woningen behoren tot het gezamenlijk vermogen en ook dat in elk geval over één van deze woningen redelijkerwijs kan worden beschikt. Dit betekent dat de SVB in elk geval één van de woningen terecht heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag van [eiser] om een AIO-aanvulling. De gedingstukken bieden bovendien voldoende grondslag voor het standpunt dat de woningen elk een waarde van zo’n € 70.000,- vertegenwoordigen. [eiser] kan aanspraak maken op de helft hiervan. Hieruit volgt dat [eiser] in de beoordelingsperiode de beschikking had over vermogen boven de geldende vermogensgrens.
4.7.
Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat het besluit in procedureel opzicht gebrekkig tot stand is gekomen. Mocht het al zo zijn dat het aanvraagformulier onvoldoende ruimte bood om de situatie toe te lichten, dan is [eiser] ná het invullen van dat formulier voldoende in de gelegenheid gesteld om dat alsnog te doen. [eiser] is immers op gesprek geweest bij de SVB en heeft de situatie daar uitgebreid toegelicht.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag van de AIO-aanvulling terecht is afgewezen. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage

Participatiewet

Artikel 34. Vermogen
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 65.500,00;
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 7.770,00;
b. voor een alleenstaande ouder: € 15.540,00;
c. voor de gehuwden tezamen: € 15.540,00.
het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 67.500,00;
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
Artikel 47a. Taak Sociale verzekeringsbank
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 50. Eigen woning
1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:
a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en
b.voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.