Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
Sint-Petersburg, althans in Rusland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 325 kilo cocaïne, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.Het afdoeningsvoorstel
- de verdediging de ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter zitting intrekt;
- de verdediging ten aanzien van feit 3 een ontvankelijkheidsverweer ten aanzien van het Openbaar Ministerie zal voeren;
- de verdediging (verder) geen strafmaat- en/of bewijsverweren zal voeren;
- de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
- de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
- het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van een vordering tot ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel over de feiten die zijn opgenomen in de huidige tenlastelegging en/of andere strafbare feiten zoals bedoeld in het tweede en/of derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr);
- het Openbaar Ministerie geen verbeurdverklaring zal vorderen van de klassiek in beslaggenomen zaken die onder de verdachte in beslag zijn genomen;
- het Openbaar Ministerie zal primair de bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten vorderen en in totaal de oplegging van de navolgende straf:
gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maandenmet aftrek van de tijd verdachte reeds in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht;
geldboete ter hoogte van € 50.000,00;
40 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijkmet aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht.
een gevangenisstraf van 40 (veertig) maandenmet aftrek van de tijd verdachte reeds in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht;
geldboete ter hoogte van € 50.000,00.
4.De bewezenverklaring
hij in
of omstreeksde periode 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024
te Sneek en/of Joure en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/of Suriname, tezamen en in vereniging,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en
/ofte bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen
en/of buitenhet grondgebied van Nederland brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),
- het opzettelijk
telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,afleveren
, verstrekkenen/of vervoeren van cocaïne
, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en
/ofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en
/ofandere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging
, althans alleen:
- een zeilboot, genaamd de [boot 1], aangeschaft en
/of- veelvuldig afgereisd naar Spanje en/of Portugal en
/of- afgereisd naar Suriname en
/of- voor de bevoorrading gezorgd van de NN-zeilboot en
/ofde zeilboot de [boot 1] en
/of- de bemanning geregeld en/
of laten regelen voor de NN-zeilboot en
/ofde zeilboot de [boot 1] en/of
- de bemanning van de NN-zeilboot aangestuurd m.b.t. vaarrichting en coördinaten en
/of- vele fysieke en
/oftelefonische contacten onderhouden met medeverdachten en derden ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
hij in
of omstreeksde periode 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024
te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of Portugal en/of Spanje
en/of Gran Canaria en/of Curaçao en/of Saint Lucia en/of Brazilië en/of Dominicaanse Republieken/of Suriname heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 1] en/of[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]
en/of [medeverdachte 4]en/of [medeverdachte 5]
en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]en/of [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet;
hij in
of omstreeksde periode 28 november 2019 tot en met 11 december 2019 te
althans inRusland, tezamen en in vereniging,
althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk gevalopzettelijk aanwezig heeft gehad, 325 kilo cocaïne
, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen/gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
primairten aanzien van feiten 1, 2 en 3: een gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maanden met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht en een geldboete ter hoogte van € 50.000,00;
subsidiairten aanzien van feiten 1 en 2: een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht en ten aanzien van feit 3: een geldboete ter hoogte van € 50.000,00.
subsidiairestrafeis van de officier van justitie te volgen, nu er voor feit 3 geen expliciete overlevering is verzocht, noch een aanvullend Europees Aanhoudingsbevel (EAB) ligt. Op grond van artikel 27, lid 2 en lid 3 sub c van het Kaderbesluit kan ten aanzien van feit 3 daarom geen straf worden opgelegd welke de persoonlijke vrijheid van de verdachte beperkt. De verdediging voert op dit punt enkel een (voorwaardelijk) ontvankelijkheidsverweer voor het geval de rechtbank van oordeel is dat aan verdachte (ook) voor feit 3 een straf moet worden opgelegd die de persoonlijke vrijheid van de verdachte beperkt.
subsidiairestraf – die in het kader van de aanpassing van het afdoeningsvoorstel ter zitting van 17 juni 2025 overeengekomen is – onder de gegeven omstandigheden, ook voor zover betreffend de voor feit 3 op te leggen geldboete, in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vervuld. Daarnaast is de hoogte van die straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De rechtbank beschouwt die straf in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening. Nu daarmee de voorwaarde die de verdediging aan haar niet-ontvankelijkheidsverweer ten aanzien van feit 3 had verbonden, niet wordt vervuld, komt de rechtbank aan een bespreking en beoordeling van dat verweer niet toe.
- ten aanzien van feiten 1 en 2: een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht;
- ten aanzien van feit 3: een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, te vervangen door 225 dagen hechtenis.
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen/gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden;
een geldboete van
225(
tweehonderdvijfentwintig) dagen;