ECLI:NL:RBOVE:2026:4187

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
71.027627.22 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 47 SrArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen en deelneming aan criminele organisatie voor drugssmokkel

De rechtbank Overijssel heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van het smokkelen van cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het onderzoek richtte zich op een internationale drugstransportorganisatie die zeilboten gebruikte voor het vervoeren van cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Europa.

Verdachte was nauw betrokken bij de aanschaf en bevoorrading van zeilboten, het aansturen van bemanningen en het onderhouden van contacten met medeverdachten. Hoewel niet is vastgesteld dat daadwerkelijk drugs zijn vervoerd met de zeilboten, is op basis van onder meer TCI- en DUO-informatie en SkyECC-gesprekken bewezen dat verdachte voorbereidingen heeft getroffen en deel uitmaakte van een criminele organisatie.

De rechtbank heeft het afdoeningsvoorstel van het Openbaar Ministerie gevolgd, waarbij verdachte een gevangenisstraf van 40 maanden opgelegd kreeg met aftrek van voorlopige hechtenis en een geldboete van €50.000, te vervangen door 225 dagen hechtenis bij niet-betaling. Daarnaast zijn diverse goederen, waaronder de zeilboot en GPS-trackers, onttrokken aan het verkeer, terwijl andere gegevensdragers aan verdachte zijn teruggegeven.

De straf is gematigd vanwege de medewerking van verdachte aan het proces en het efficiënter verlopen van de rechtspleging. Verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en ondergaat momenteel een gevangenisstraf. De rechtbank benadrukt de ernstige maatschappelijke impact van georganiseerde drugscriminaliteit en de rol van verdachte daarin.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf en een geldboete van €50.000 voor medeplegen van drugssmokkel en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.027627.22 (P)
Datum vonnis: 17 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de P.I. [locatie].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 juni 2026 en van 3 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna in enkelvoud: officier van justitie) en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Canatan, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 27 maart 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024 samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor de invoer van cocaïne in Nederland door samen met anderen onder meer een zeilboot genaamd de “[boot 1]” aan te schaffen, voor de bevoorrading van en (aansturing van) bemanning voor die boot en een NN-zeilboot te zorgen, af te reizen naar Spanje en/of Portugal en/of Suriname en contact te onderhouden met de medeverdachten ter voorbereiding van cocaïnetransporten;
feit 2:in de periode van 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024 samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;
feit 3: in de periode van 28 november 2019 tot en met 11 december 2019 samen met anderen in Sint-Petersburg 325 kilo cocaïne opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1hij in of omstreeks de periode 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024 te Sneek en/of Joure en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/of Suriname, tezamen en in vereniging, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen:- een zeilboot, genaamd de [boot 1], aangeschaft (ZD 3) en/of- veelvuldig afgereisd naar Spanje en/of Portugal en/of- een of meermalen afgereisd naar Suriname en/of- voor de bevoorrading gezorgd van de NN-zeilboot (ZD 1) en/of de zeilboot de [boot 1] (ZD 3) en/of- de bemanning geregeld en/of laten regelen voor de NN-zeilboot (ZD 1) en/of de zeilboot de [boot 1] (ZD 3) en/of- de bemanning van de NN-zeilboot aangestuurd m.b.t. vaarrichting en coördinaten (ZD 1) en/of- vele fysieke en/of telefonische contacten onderhouden met medeverdachten en derden ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
2hij in of omstreeks de periode 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024 te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/of Curaçao en/of Saint Lucia en/of Brazilië en/of Dominicaanse Republiek en/of Suriname heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet;
3hij in of omstreeks de periode 28 november 2019 tot en met 11 december 2019 te

Sint-Petersburg, althans in Rusland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 325 kilo cocaïne, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.Het afdoeningsvoorstel

3.1
De overeenkomst
Op 7 mei 2026 is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van verdachte. Deze door partijen ondertekende overeenkomst met bijlagen is gevoegd bij dit vonnis.
Het afdoeningsvoorstel houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat:
  • de verdediging de ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter zitting intrekt;
  • de verdediging ten aanzien van feit 3 een ontvankelijkheidsverweer ten aanzien van het Openbaar Ministerie zal voeren;
  • de verdediging (verder) geen strafmaat- en/of bewijsverweren zal voeren;
  • de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
  • het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van een vordering tot ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel over de feiten die zijn opgenomen in de huidige tenlastelegging en/of andere strafbare feiten zoals bedoeld in het tweede en/of derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr);
  • het Openbaar Ministerie geen verbeurdverklaring zal vorderen van de klassiek in beslaggenomen zaken die onder de verdachte in beslag zijn genomen;
  • het Openbaar Ministerie zal primair de bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten vorderen en in totaal de oplegging van de navolgende straf:
a. een
gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maandenmet aftrek van de tijd verdachte reeds in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht;
b. een
geldboete ter hoogte van € 50.000,00;
- het Openbaar Ministerie zal subsidiair de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 en een verklaring van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor feit 3 vorderen en oplegging van
40 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijkmet aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht.
Het afdoeningsvoorstel is op de terechtzitting van 17 juni 2026 besproken en uitgebreid. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten de navolgende straf, met het oog op artikel 27 lid 2 en Pro lid 3 sub c van het Kaderbesluit [1] ook onder het gemaakte afdoeningsvoorstel valt:
a. ten aanzien van feiten 1 en 2:
een gevangenisstraf van 40 (veertig) maandenmet aftrek van de tijd verdachte reeds in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht;
b. ten aanzien van feit 3: een
geldboete ter hoogte van € 50.000,00.
3.2
De beoordeling van het afdoeningsvoorstel
Bij de beoordeling van het afdoeningsvoorstel heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader [2] als uitgangspunt genomen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 17 juni 2026 zijn de hiervoor weergegeven procesafspraken uitgebreid en indringend met verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan voor hem en zijn strafzaak kunnen zijn. Hij heeft verklaard volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
Het afdoeningsvoorstel komt daarmee voor een beoordeling door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.
Dat in acht nemend komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de strafzaak tegen verdachte.

4.De bewezenverklaring

4.1
De inleiding
Naar aanleiding van TCI- en DUO-informatie werd op 20 januari 2022 het onderzoek “26Paddock” opgestart. Hieruit kwam naar voren dat een groep personen, onder wie verdachte, in steeds wisselende samenstellingen in verband gebracht werd met (voorbereidingen van) drugstransporten van Zuid-Amerika naar Europa door middel van zeilboten.
In 2022 kreeg het onderzoeksteam zicht op de zeilboot “[boot 1]” die zou worden ingezet voor een drugstransport. De [boot 1] voer op 14 juni 2022 de haven van Albufeira uit en kort daarna zette de zeilboot koers naar Malaga. In de maanden daarna waren er verschillende reisbewegingen van de [boot 1], maar ook door personen van de groep te zien. Het leek er eind juni 2023 op dat het uiteindelijke drugstransport geslaagd was. De [boot 1] lag toen weer in de haven van Albufeira.
In oktober 2023 werd door een aantal personen van de groep op Curaçao een zeilboot met de naam “[boot 2]” aangeschaft. In de maanden daarna waren er verschillende reisbewegingen van de [boot 2], maar ook door personen van de groep te zien. De [boot 2] bleek op verschillende momenten (motor)problemen te hebben. In Brazilië bleek dat de documentatie van de [boot 2] niet in orde was. Ook werd de naam gewijzigd naar “[boot 3]”. Hierna voer de zeilboot vanaf Brazilië terug naar Saint Lucia om daar voor anker te gaan.
Terwijl er een volgende (NN-)zeilboot onderweg was naar Zuid-Amerika vlogen drie personen van de groep in februari 2024 naar Suriname. Eind maart 2024 gaf één van deze personen de opdracht om de NN-zeilboot naar een specifieke locatie vlakbij de Portugese stad Viana de Castelo te varen. Voordat deze zeilboot arriveerde werden twee personen van de groep in Nederland aangehouden en één in Spanje.
Wat opviel is dat de betrokken personen zeer goed op de hoogte waren van de opsporingsmethoden van de opsporingsdiensten en dat zij ervan uitgingen dat deze methoden ook werden ingezet. De betrokken personen maakten daarom gebruik van contra strategieën en afscherming. De personen van de groep spraken – in wisselende samenstellingen – op openbare locaties af. Op 23 april 2024 werden er op verschillende plaatsen doorzoekingen gedaan en zijn er diverse gegevensdragers in beslag genomen. Nadat er in april 2024 zes personen, onder wie verdachte, werden aangehouden, werden in juni, juli en oktober 2024 de overige vijf personen aangehouden.
Tijdens het onderzoek is niet vast komen te staan dat er ook daadwerkelijk drugs zijn vervoerd.
In een apart zaaksdossier staat beschreven dat er rond december 2019 vermoedelijk 325 kilo cocaïne uit een schip in de buurt van Sint Petersburg is gehaald. Op basis van SkyECC gesprekken is de verdenking ontstaan dat verdachte daar betrokkenheid bij heeft.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging wijst op de gemaakte procesafspraken en voert geen bewijsverweer.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij in
of omstreeksde periode 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024
te Sneek en/of Joure en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/of Suriname, tezamen en in vereniging,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en
/ofte bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen
en/of buitenhet grondgebied van Nederland brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),
- het opzettelijk
telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,afleveren
, verstrekkenen/of vervoeren van cocaïne
, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en
/ofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en
/ofandere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging
, althans alleen:
- een zeilboot, genaamd de [boot 1], aangeschaft en
/of- veelvuldig afgereisd naar Spanje en/of Portugal en
/of- afgereisd naar Suriname en
/of- voor de bevoorrading gezorgd van de NN-zeilboot en
/ofde zeilboot de [boot 1] en
/of- de bemanning geregeld en/
of laten regelen voor de NN-zeilboot en
/ofde zeilboot de [boot 1] en/of
- de bemanning van de NN-zeilboot aangestuurd m.b.t. vaarrichting en coördinaten en
/of- vele fysieke en
/oftelefonische contacten onderhouden met medeverdachten en derden ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
2
hij in
of omstreeksde periode 20 januari 2022 tot en met 23 april 2024
te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of Portugal en/of Spanje
en/of Gran Canaria en/of Curaçao en/of Saint Lucia en/of Brazilië en/of Dominicaanse Republieken/of Suriname heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 1] en/of[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]
en/of [medeverdachte 4]en/of [medeverdachte 5]
en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]en/of [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet;
3
hij in
of omstreeksde periode 28 november 2019 tot en met 11 december 2019 te
Sint-Petersburg,
althans inRusland, tezamen en in vereniging,
althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk gevalopzettelijk aanwezig heeft gehad, 325 kilo cocaïne
, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet jo. artikel 47 Sr Pro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen/gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
feit 3
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het (ter terechtzitting gewijzigde) afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte in geval van een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot:
-
primairten aanzien van feiten 1, 2 en 3: een gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maanden met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht en een geldboete ter hoogte van € 50.000,00;
-
subsidiairten aanzien van feiten 1 en 2: een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht en ten aanzien van feit 3: een geldboete ter hoogte van € 50.000,00.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de
subsidiairestrafeis van de officier van justitie te volgen, nu er voor feit 3 geen expliciete overlevering is verzocht, noch een aanvullend Europees Aanhoudingsbevel (EAB) ligt. Op grond van artikel 27, lid 2 en lid 3 sub c van het Kaderbesluit kan ten aanzien van feit 3 daarom geen straf worden opgelegd welke de persoonlijke vrijheid van de verdachte beperkt. De verdediging voert op dit punt enkel een (voorwaardelijk) ontvankelijkheidsverweer voor het geval de rechtbank van oordeel is dat aan verdachte (ook) voor feit 3 een straf moet worden opgelegd die de persoonlijke vrijheid van de verdachte beperkt.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met anderen de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika voorbereid. Zij hebben met dat doel zeilboten aangeschaft, waarmee de cocaïne naar Europa zou moeten worden vervoerd. Bij de voorbereiding van de beoogde cocaïnetransporten is verdachte nauw betrokken geweest. Daarbij vormde hij met zijn medeverdachten een criminele organisatie, gericht op (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne. Verdachte heeft binnen deze organisatie een belangrijke en actieve rol gespeeld. Verdachte is onder meer betrokken geweest bij de aanschaf van de zeilboot de [boot 1] en de bevoorrading van en de (aansturing van) bemanning voor die boot en een NN-zeilboot. Daarnaast is verdachte meerdere malen afgereisd naar het buitenland en heeft hij contact onderhouden met de medeverdachten ter voorbereiding van de cocaïnetransporten. Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij het uit een schip halen van 325 kilo cocaïne in de buurt van Sint Petersburg. Verdachte heeft bijgedragen aan een georganiseerde vorm van internationale drugscriminaliteit die grote vormen heeft aangenomen en die gepaard gaat met zware, vaak gewelddadige criminaliteit en illegale geldstromen. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. Criminele organisaties gericht op georganiseerde drugscriminaliteit hebben daarnaast een ontwrichtend, ondermijnend effect op de samenleving. Tevens ondermijnen zij de rechtsstaat. Veel van de meest ernstige strafbare feiten die gepleegd worden, hangen hiermee samen, waaronder liquidaties en de handel in wapens. Daarbij vallen ook slachtoffers die niets met de handel in drugs te maken hebben.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte ondergaat op dit moment een gevangenisstraf van 33 maanden wegens het plegen van voorbereidingshandelingen om cocaïne te vervoeren en/of naar Nederland te krijgen, deelname aan een criminele organisatie en witwassen.
Verdachte heeft op de terechtzitting naar voren gebracht dat hij na zijn detentie weer terug wil keren naar zijn huis en gezin.
De strafoplegging
Gelet op het voorgaande zou de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hoger dan gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in onderhavige zaak noopt tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Zij overweegt daartoe als volgt.
Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft – na het overleg met het Openbaar Ministerie – geen onderzoekswensen meer ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is, mede doordat een afdoeningsvoorstel is voorgelegd, voortvarend verlopen, terwijl in het geval een afdoeningsvoorstel wordt voorgelegd en gevolgd een procedure in hoger beroep – in beginsel – wordt vermeden. Dit levert tijdwinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. Het afdoeningsvoorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de
subsidiairestraf – die in het kader van de aanpassing van het afdoeningsvoorstel ter zitting van 17 juni 2025 overeengekomen is – onder de gegeven omstandigheden, ook voor zover betreffend de voor feit 3 op te leggen geldboete, in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vervuld. Daarnaast is de hoogte van die straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De rechtbank beschouwt die straf in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening. Nu daarmee de voorwaarde die de verdediging aan haar niet-ontvankelijkheidsverweer ten aanzien van feit 3 had verbonden, niet wordt vervuld, komt de rechtbank aan een bespreking en beoordeling van dat verweer niet toe.
De rechtbank legt dan ook aan verdachte op:
  • ten aanzien van feiten 1 en 2: een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht;
  • ten aanzien van feit 3: een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, te vervangen door 225 dagen hechtenis.
7.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
7.4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de goederen op de beslaglijst vermeld onder nummers 23, 37, 39, 40, 41, 43, 44, 47 en 49 teruggegeven kunnen worden aan verdachte en de goederen op de beslaglijst vermeld onder nummers 33, 34, 35, 36, 38, 42, 45, 46, 48, 50, 51, 52 en 56 onttrokken moeten worden aan het verkeer.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de gegevensdragers (45, 46, 48, 50), de zeilboot de [boot 1] (56) en het certificaat van de boot (38) aangevoerd dat deze goederen aangewend en bestemd zijn voor criminele activiteiten. De gegevensdragers bevatten criminele en daartoe bruikbare informatie, waardoor deze van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit (teruggave) in strijd is met de wet en algemeen belang en onttrekking aan het verkeer dient te volgen.
7.4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de gegevensdragers (45, 46, 48), de zeilboot de [boot 1] (56) en het certificaat van de boot (38) en de GPS (baken)trackers (51, 52) zich niet lenen voor onttrekking aan het verkeer. De raadsman heeft aangevoerd dat deze legale goederen zich in beginsel niet lenen voor onttrekking aan het verkeer en dat het bezit daarvan niet in strijd is met het algemeen belang, waardoor deze goederen moeten worden teruggegeven aan verdachte.
7.4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de onder 33, 34, 35, 36, 42 op de beslaglijst vermelde goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank is van oordeel dat ook de op de beslaglijst vermelde zeilboot de [boot 1] (56), het certificaat van de boot (38), de mobiele telefoondetector (50) en de GPS (baken) trackers (51, 52) vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat deze goederen zijn aangeschaft met als doel (en als onderdeel van) het plegen van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen ten behoeve van cocaïnetransporten. Nu die voorwerpen tot het begaan van de feiten bestemd zijn en zij in die context van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang zal de rechtbank de goederen vermeld onder 50, 51, 52, 56 en 38 onttrekken aan het verkeer.
De rechtbank overweegt anders ten aanzien van de gegevensdragers (45, 46, 48). Het gaat in de onderhavige zaak om reguliere gegevensdragers die relevante informatie inzake strafbare feiten zouden bevatten. De rechtbank kan op basis van het dossier ten aanzien van die goederen niet vaststellen dat die zijn aangeschaft met als doel het plegen van de ten laste gelegde strafbare feiten. Er is verder onvoldoende onderbouwd waarom het ongecontroleerde bezit van deze goederen in strijd zou zijn met de wet of het algemeen belang. Het gaat in de onderhavige zaak om reguliere gegevensdragers die relevante informatie inzake strafbare feiten zouden bevatten. De enkele omstandigheid dat er toentertijd relevante informatie op de gegevensdragers stond voor het begaan van strafbare feiten is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat dit een zodanig relevante betekenis heeft om te komen tot het oordeel dat het bezit van die gegevensdragers op zichzelf in strijd is met de wet of het algemeen belang. [3] De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze goederen geretourneerd moeten worden aan verdachte.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst onder 23, 37, 39, 40, 41, 43 t/m 49 vermelde goederen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36b, 36c, 36d, 57 en 63 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen/gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
feit 3
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van
een geldboete van
€ 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
225(
tweehonderdvijfentwintig) dagen;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 33, 34, 35, 36, 38, 42, 50, 51, 52 en 56;
- gelast de teruggave van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 23, 37, 39, 40, 41, 43, 44, 45, 46, 47, 48 en 49 aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. H. Manuel en
mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid mr. J.E. Doornwaard en mr. K. Drenth, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.Kaderbesluit 2002/584 JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
2.HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
3.HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2644 en HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116.