ECLI:NL:RBOVE:2026:4193

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
71.086930.24 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 1 lid 4 OpiumwetArt. 1 lid 5 OpiumwetArt. 3a lid 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereiden invoer cocaïne en deelname criminele organisatie

De rechtbank Overijssel heeft op 17 juli 2026 een 32-jarige man veroordeeld voor het voorbereiden van de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika en deelname aan een criminele organisatie. Verdachte was nauw betrokken bij de aanschaf van zeilboten en de afstemming van cocaïnetransporten, waarbij hij als bemanningslid op een zeilboot aanwezig was en vele contacten met medeverdachten onderhield.

Het onderzoek startte in januari 2022 en richtte zich op een groep personen die wisselend betrokken waren bij drugstransporten per zeilboot. Hoewel niet is vastgesteld dat daadwerkelijk drugs zijn vervoerd, acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorbereidingen heeft getroffen en deel uitmaakte van een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van drugsmisdrijven.

Verdachte heeft procesafspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie, waardoor de procedure efficiënt kon verlopen. De rechtbank heeft het afdoeningsvoorstel aanvaard en een gevangenisstraf van 540 dagen opgelegd, waarvan 204 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht.

Daarnaast is een teruggave van een op beslaglijst vermeld goed aan verdachte gelast. De rechtbank benadrukt de ernst van de feiten en het ondermijnende effect van georganiseerde drugscriminaliteit op de samenleving en de rechtsstaat.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 540 dagen gevangenisstraf, waarvan 204 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.086930.24 (P)
Datum vonnis: 17 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 juni 2026 en van 3 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna in enkelvoud: officier van justitie) en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 27 maart 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 5 februari 2024 tot en met 14 juni 2024 samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor de invoer van cocaïne in Nederland door samen met anderen onder meer af te reizen naar Brazilië, als bemanningslid aanwezig is geweest op de zeilboot de “[zeilboot 1]” en vele contacten te onderhouden met de medeverdachten ter afstemming en voorbereiding van cocaïnetransporten;
feit 2:in de periode van 5 februari 2024 tot en met 14 juni 2024 samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1hij in of omstreeks de periode 5 februari 2024 tot en met 14 juni 2024 te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Brazilië en/of Saint Lucia, tezamen en in vereniging, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederlandbrengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen:-afgereisd naar Brazilië en/of- (vervolgens) als bemanning aanwezig geweest op de zeilboot de [zeilboot 1] (ZD 2) en/of-vele fysieke en/of telefonische contacten onderhouden met medeverdachten ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
2hij in of omstreeks de periode 5 februari 2024 tot en met 14 juni 2024 te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/of Curaçao en/of Saint Lucia en/of Brazilië en/of Dominicaanse Republiek en/of Suriname heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet;

3.Het afdoeningsvoorstel

3.1
De overeenkomst
Op 11 juni 2026 is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van verdachte. Deze door partijen ondertekende overeenkomst met bijlagen is gevoegd bij dit vonnis.
Het afdoeningsvoorstel houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat:
  • de verdediging de ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter zitting intrekt;
  • de verdediging geen strafmaat, ontvankelijkheids- of bewijsverweren zal voeren;
  • de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
  • het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van een vordering tot ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel over de feiten die zijn opgenomen in de huidige tenlastelegging;
  • het Openbaar Ministerie zal de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten vorderen en in totaal de oplegging van de navolgende straf:
3.2
De beoordeling van het afdoeningsvoorstel
Bij de beoordeling van het afdoeningsvoorstel heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader [1] als uitgangspunt genomen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 18 juni 2026 is verdachte niet verschenen. De raadsman van verdachte verklaarde uitdrukkelijk gemachtigd te zijn het woord namens verdachte te voeren. Op voorstel van de raadsman en met instemming van de officier van justitie heeft de raadsman via beeldbellen contact gezocht met de verdachte. De rechtbank en de officier van justitie hebben verdachte herkend van eerdere zittingen en de rechtbank heeft verdachte bevraagd met betrekking tot de hiervoor weergegeven procesafspraken. Deze zijn de uitgebreid en indringend met verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft via beeldbellen te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan voor hem en zijn strafzaak kunnen zijn. Hij heeft verklaard volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank is van oordeel dat zij, ondanks het feit dat verdachte niet ter zitting is verschenen, heeft kunnen vaststellen dat aan de door de Hoge Raad gestelde eisen is voldaan. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
Het afdoeningsvoorstel komt daarmee voor een beoordeling door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.
Dat in acht nemend komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de strafzaak tegen verdachte.

4.De bewezenverklaring

4.1
De inleiding
Naar aanleiding van TCI- en DUO-informatie werd op 20 januari 2022 het onderzoek “26Paddock” opgestart. Hieruit kwam naar voren dat een groep personen, onder wie verdachte, in steeds wisselende samenstellingen in verband gebracht werd met (voorbereidingen van) drugstransporten van Zuid-Amerika naar Europa door middel van zeilboten.
In 2022 kreeg het onderzoeksteam zicht op de zeilboot “[zeilboot 2]” die zou worden ingezet voor een drugstransport. De [zeilboot 2] voer op 14 juni 2022 de haven van Albufeira uit en kort daarna zette de zeilboot koers naar Malaga. In de maanden daarna waren er verschillende reisbewegingen van de [zeilboot 2], maar ook door personen van de groep te zien. Het leek er eind juni 2023 op dat het uiteindelijke drugstransport geslaagd was. De [zeilboot 2] lag toen weer in de haven van Albufeira.
In oktober 2023 werd door een aantal personen van de groep op Curaçao een zeilboot met de naam “[zeilboot 1]” aangeschaft. In de maanden daarna waren er verschillende reisbewegingen van de [zeilboot 1], maar ook door personen van de groep te zien. De [zeilboot 1] bleek op verschillende momenten (motor)problemen te hebben. In Brazilië bleek dat de documentatie van de [zeilboot 1] niet in orde was. Ook werd de naam gewijzigd naar “[zeilboot 3]”. Hierna voer de zeilboot vanaf Brazilië terug naar Saint Lucia om daar voor anker te gaan.
Terwijl er een volgende (NN-)zeilboot onderweg was naar Zuid-Amerika vlogen drie personen van de groep in februari 2024 naar Suriname. Eind maart 2024 gaf één van deze personen de opdracht om de NN-zeilboot naar een specifieke locatie vlakbij de Portugese stad Viana de Castelo te varen. Voordat deze zeilboot arriveerde werden twee personen van de groep in Nederland aangehouden en één in Spanje.
Wat opviel is dat de betrokken personen zeer goed op de hoogte waren van de opsporingsmethoden van de opsporingsdiensten en dat zij ervan uitgingen dat deze methoden ook werden ingezet. De betrokken personen maakten daarom gebruik van contra strategieën en afscherming. De personen van de groep spraken – in wisselende samenstellingen – op openbare locaties af. Op 23 april 2024 werden er op verschillende plaatsen doorzoekingen gedaan en zijn er diverse gegevensdragers in beslag genomen. Nadat er in april 2024 zes personen werden aangehouden, werden in juni, juli en oktober 2024 de overige vijf personen aangehouden, onder wie verdachte.
Tijdens het onderzoek is niet vast komen te staan dat er ook daadwerkelijk drugs zijn vervoerd.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging wijst op de gemaakte procesafspraken en voert geen bewijsverweer.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij in
of omstreeksde periode 5 februari 2024 tot en met 14 juni 2024
te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of
teBrazilië en/of Saint Lucia, tezamen en in vereniging,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en
/ofte bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en
/of buitenhet grondgebied van Nederland brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),
- het opzettelijk
telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,afleveren
, verstrekkenen
/ofvervoeren van cocaïne
, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en
/ofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en
/ofandere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging
, althans alleen:
-afgereisd naar Brazilië en
/of- (vervolgens) als bemanning aanwezig geweest op de zeilboot de [zeilboot 1] en
/of-vele fysieke en/of telefonische contacten onderhouden met medeverdachten ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
2
hij in
of omstreeksde periode 5 februari 2024 tot en met 14 juni 2024
te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of
te Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/ofop Curaçao en/of op Saint Lucia en/of in Brazilië
en/of Dominicaanse Republiek en/of Surinameheeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]
en/of [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet jo. artikel 47 Sr Pro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen/gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 540 dagen waarvan 204 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de gemaakte procesafspraken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht de strafeis van de officier van justitie te volgen.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met anderen de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika voorbereid. Zij hebben met dat doel zeilboten aangeschaft, waarmee de cocaïne naar Europa zou moeten worden vervoerd. Bij de voorbereiding van de beoogde cocaïnetransporten is verdachte nauw betrokken geweest. Daarbij vormde hij met zijn medeverdachten een criminele organisatie, gericht op (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne. Verdachte heeft binnen deze organisatie een belangrijke en actieve rol gespeeld. Verdachte is afgereisd naar Brazilië, is als bemanningslid aanwezig geweest op de zeilboot de [zeilboot 1] en heeft vele contacten onderhouden met de medeverdachten ter afstemming en voorbereiding van cocaïnetransporten.
Verdachte heeft bijgedragen aan een georganiseerde vorm van internationale drugscriminaliteit die grote vormen heeft aangenomen en die gepaard gaat met zware, vaak gewelddadige criminaliteit en illegale geldstromen. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. Criminele organisaties gericht op georganiseerde drugscriminaliteit hebben daarnaast een ontwrichtend, ondermijnend effect op de samenleving. Tevens ondermijnen zij de rechtsstaat. Veel van de meest ernstige strafbare feiten die gepleegd worden, hangen hiermee samen, waaronder liquidaties en de handel in wapens. Daarbij vallen ook slachtoffers die niets met de handel in drugs te maken hebben.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Door Verslavingszorg Noord-Nederland is op 21 april 2026 een reclasseringsrapportage over verdachte opgemaakt. Door de reclassering is gerapporteerd dat verdachte niet in contact is met de reclassering en dat zij geen mogelijkheden zien de risico’s door het stellen van bijzondere voorwaarden in te perken.
De strafoplegging
Gelet op het voorgaande zou de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hoger dan gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in onderhavige zaak noopt tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Zij overweegt daartoe als volgt.
Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft – na het overleg met het Openbaar Ministerie – geen onderzoekswensen meer ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is, mede doordat een afdoeningsvoorstel is voorgelegd, voortvarend verlopen, terwijl in het geval een afdoeningsvoorstel wordt voorgelegd en gevolgd een procedure in hoger beroep – in beginsel – wordt vermeden. Dit levert tijdwinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. Het afdoeningsvoorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in het afdoeningsvoorstel overeengekomen is onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vervuld. Daarnaast is de hoogte van die straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De rechtbank beschouwt die straf in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening.
De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een gevangenisstraf van 540 dagen waarvan 204 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het onvoorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
7.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
7.4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het goed op de beslaglijst vermeld onder nummer 1 teruggegeven kan worden aan verdachte.
7.4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het goed op de beslaglijst vermeld onder nummer 1 teruggegeven kan worden aan verdachte.
7.4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave (en/of vrijgave voor zover nodig) aan de verdachte gelasten van het aan verdachte toebehorende op de beslaglijst onder 1 vermelde goed, aangezien dit goed niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen/gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
540 (vijfhonderdveertig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
204 (tweehonderdvier) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarenschuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van de op de beslaglijst genoemde voorwerp onder nummer 1.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. H. Manuel en
mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid mr. J.E. Doornwaard en mr. K. Drenth, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.