ECLI:NL:RBOVE:2026:4223

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
05/036474-24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.1 Wet milieubeheerArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delictenArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk dumpen van drugsafval in strijd met milieuregelgeving

De rechtbank Overijssel heeft op 16 juli 2026 een 25-jarige man veroordeeld voor het opzettelijk dumpen van afvalstoffen afkomstig van de productie van MDMA in Sinderen, Pannerden en Loerbeek in januari 2024. De verdachte handelde samen met een ander en nam geen beschermende maatregelen, waardoor de bodem ernstig werd verontreinigd.

Het bewijs bestond uit meldingen van dumpingen, aangetroffen jerrycans en emmers met drugsafval, overeenkomsten in wijze van dumpen en gebruikte voertuigen, en een bekennende verklaring van de verdachte. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van het milieudelict.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het milieudelict, de maatschappelijke impact, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een stabiele leefsituatie en een laag recidiverisico. De redelijke termijn was overschreden, wat resulteerde in een korting op de taakstraf.

De straf bestaat uit 196 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 190 uur, en een schadevergoeding van €24.599,09 aan de benadeelde partij. Een andere benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard wegens procedurele fouten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 196 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 190 uur en betaling van €24.599,09 schadevergoeding voor het dumpen van drugsafval.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 05/036474-24 (P)
Datum vonnis: 16 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 februari 2026 en 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.G. Bischop, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 3 januari 202 tot en met 5 januari 2025 in Sinderen, Pannerden en Loerbeek, al dan niet opzettelijk, samen met een ander drugsafval heeft gestort en daarbij geen beschermende maatregelen heeft genomen, terwijl hij wist of kon vermoeden dat de bodem daardoor kon worden verontreinigd of aangetast.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 januari 2024 tot en met
5 januari 2024 te Sinderen en/of te Pannerden en/of te Loerbeek, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
een of meerdere handelingen met afvalstoffen heeft verricht en/of heeft nagelaten,
waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders redelijkerwijs hadden kunnen weten
dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders niet aan zijn/hun verplichting
heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of
zijn mededaders konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te
voorkomen en/of te beperken,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders,
• (afvaldump in Sinderen)
op of omstreeks 3 januari 2024 één of meer jerrycans en/of emmers bevattende
destillatie afval (MONO) en/of kristallisatie afval (aceton), in elk geval afvalstoffen
afkomstig van de productie van drugs (MDMA), gestort en/of achtergelaten en/of
anderszins op of in de bodem gebracht;
• (afvaldump in Pannerden)
op of omstreeks 4 januari 2024 één of meer jerrycans en/of emmers bevattende
afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs, gestort en/of achtergelaten en/of
anderszins op of in de bodem gebracht, en/of
• (afvaldump in Loerbeek)
op of omstreeks 5 januari 2024 één of meer jerrycans en/of emmers bevattende
destillatie afval (MONO) en/of kristallisatie afval (aceton), in elk geval afvalstoffen
afkomstig van de productie van drugs (MDMA), gestort en/of achtergelaten en/of
anderszins op of in de bodem gebracht.

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Inleiding
Op 3, 4 en 5 januari 2024 ontving de politie meerdere meldingen betreffende het dumpen van drugs gerelateerd afval. Naar aanleiding daarvan werden op de Wissinklaan in Sinderen, de Lobberdenseweg in Pannerden en de Lage Eitenseweg in Loerbeek meerdere jerrycans en emmers met drugsafval aangetroffen. Uit het daaropvolgende politieonderzoek bleek dat tussen de drie drugsdumpingen diverse overeenkomsten bestonden. Zo vertoonden de wijze van dumpen, de gebruikte verpakkingen, de hoeveelheden aangetroffen drugsafval en de bij de dumpingen gebruikte voertuigcombinatie grote gelijkenissen. Deze omstandigheden vormden aanleiding voor het vermoeden dat de dumpingen door dezelfde dader(s) waren gepleegd. Naar aanleiding hiervan is het strafrechtelijk onderzoek “Ackermann” opgestart.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten last gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweren gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten: [1]
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juli 2026, voor zover inhoudende, de bekennende verklaring van verdachte;
  • het proces-verbaal van bevindingen (Pannerden) van 3 februari 2025;
  • het proces-verbaal van bevindingen (Sinderen) van 4 januari 2024;
  • het proces-verbaal van bevindingen (Loerbeek) van 5 januari 2024;
  • het proces-verbaal van bevindingen (vaststelling gevaarlijke stoffen) van 15 juli 2024.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 3 januari 2024 tot en met 5 januari 2024 te Sinderen en te Pannerden en te Loerbeek,
tezamen en in vereniging met een ander
opzettelijk,
een of meerdere handelingen met afvalstoffen heeft verricht en heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader redelijkerwijs hadden kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en konden ontstaan,
terwijl hij, verdachte en zijn mededader niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en zijn mededader konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken,
immers heeft/hebben hij, verdachte en zijn mededader,
• (afvaldump in Sinderen)
op 3 januari 2024 jerrycans en emmers bevattende destillatie afval (MONO) en kristallisatie afval (aceton), in elk geval afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs (MDMA), gestort en achtergelaten en anderszins op of in de bodem gebracht;
• (afvaldump in Pannerden)
op 4 januari 2024 jerrycans en emmers bevattende afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs, gestort en achtergelaten en anderszins op of in de bodem gebracht, en
• (afvaldump in Loerbeek)
op 5 januari 2024 jerrycans en emmers bevattende destillatie afval (MONO) en kristallisatie afval (aceton), in elk geval afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs (MDMA), gestort en achtergelaten en anderszins op of in de bodem gebracht.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 10.1 Wet milieubeheer, de artikelen 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten en artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een taakstraf van tweehonderd uren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, alsmede een deels voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van twee jaren. Hierbij heeft zij verzocht aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en (ambulante) begeleiding en verblijf bij Stichting [stichting] te verbinden.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in strijd met de milieuregelgeving dumpen van een grote hoeveelheid afvalstoffen, afkomstig van de productie van MDMA. De nadelige gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid zijn groot. Door het dumpen van chemische afvalstoffen ontstaat aanzienlijke milieuschade. Daarbij gaat het opruimen van drugsafval gepaard met aanzienlijke kosten die uiteindelijk voor rekening van de maatschappij komen. Daardoor zijn dumpingen van drugsafval een groot maatschappelijk probleem. Daarnaast maakt het onderdeel uit van de productieketen van MDMA. De productie van en handel in deze verboden middelen is zeer lucratief. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte advies van Reclassering Nederland van 1 juni 2026. In het advies is beschreven dat de leefsituatie van verdachte stabiel lijkt te zijn en er geen risicofactoren meer aanwezig zijn, Verdachte woont momenteel in de beschermde woonvorm “ [stichting] ” en is gemotiveerd tot gedragsverandering. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering acht reclasseringstoezicht niet noodzakelijk en adviseert het opleggen van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 4 maart 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte op 27 februari 2025 door de politierechter van de rechtbank Gelderland is veroordeeld voor een tweetal verkeersdelicten en daarvoor aan hem een geldboete van € 1.200,-- en een rijontzegging voor de duur van acht maanden en 29 dagen is opgelegd. Artikel 63 Sr Pro is daarom van toepassing.
De redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Op 31 januari 2024 is verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. In deze zaak is op dat moment jegens verdachte een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op 31 januari 2024 de redelijke termijn is aangevangen. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 16 juli 2026 wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent van ruim vijf maanden. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door een korting van tien dagen toe te passen op de op te leggen taakstraf.
De op te leggen straf
De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het dumpen van drugsafval is een ernstig feit. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de positieve ontwikkeling die hij de afgelopen periode heeft doorgemaakt aanleiding de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Wel acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel aangewezen waarmee wordt beoogd verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten moet plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf te verbinden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het meest recente reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering geen noodzaak ziet voor het opleggen van bijzondere voorwaarden. Indien de reclassering van mening was geweest dat het voorzetten van de begeleiding en de huidige woonvorm in een strafrechtelijk kader noodzakelijk was geweest, had zij dat in haar advies tot uitdrukking gebracht. Dat is niet gebeurd.
Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 190 uren opleggen. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met een korting van tien uren vanwege de eerder genoemde overschrijding van de redelijke termijn.

8.De schade van benadeelden

8.1
De vordering van de benadeelde partijen
[benadeelde partij 2]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 43.025,64 [drieënveertigduizendvijfentwintig euro en vierenzestig eurocent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- saneringswerkzaamheden € 25.236,58;
- bodemonderzoek, analyses drugspakket; € 1.815,--;
- afvalverwerking, inzet personeel, rapportage € 15.974,06.
[benadeelde partij 1]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 41.924,09 [eenenveertigduizendnegenhonderdvierentwintig euro en negen eurocent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- “ Ecoloss” € 15.128,33;
- “ De Klinker”; € 1.815,--;
- “ De Klinker”; € 24.497,97;
- “ [omschrijving]” € 482,79.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de door [benadeelde partij 2] als de [benadeelde partij 1] gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is, onder aftrek van de BTW en de 50% vergoeding die de Rijksoverheid op grond van de “Subsidie-regeling opruiming drugsafval” kan uitkeren respectievelijk heeft uitgekeerd.
Zij heeft daarbij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat beide benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 2] heeft de raadsvrouw als grond van de niet-ontvankelijkheid ook nog aangevoerd dat niet is gebleken van een machtiging van de persoon die de vordering namens de benadeelde partij heeft ingediend alsook dat de vordering niet is ondertekend.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
8.4.1
Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 2]
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering nu de vordering niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend. Uit het dossier volgt dat de (waarnemend) burgemeester van de [benadeelde partij 2] uitsluitend de heer
[naam 1] en mevrouw [naam 2] heeft gemachtigd om de gemeente als benadeelde partij te vertegenwoordigen. De onderhavige vordering is opgesteld en ingediend door mevrouw [naam 3]. Niet is gebleken dat zij daartoe bevoegd was. Daar komt bij dat de vordering niet is voorzien van een handtekening.
8.4.1
Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 1]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en zijn ook aannemelijk. Uit de stukken blijkt dat de Rijksoverheid reeds 50 % van de kosten heeft vergoed op grond van de “Subsidieregeling opruiming drugsafval”. In zoverre heeft de benadeelde partij daardoor minder schade dan gevorderd is. Voor de aan haar in rekening gebrachte BTW kan de benadeelde partij – onder voorwaarden – gecompenseerd worden uit het BTW-compensatiefonds. Gesteld noch gebleken is echter dat de benadeelde partij een beroep heeft gedaan op deze compensatie. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen inclusief de in rekening gebrachte BTW, tot een bedrag van € 24.599,08, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
8.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van een gemeente mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij een verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
196 (honderdzesen-negentig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
190 (honderdnegentig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
95 (vijfennegentig) dagen;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde partij 1]: van een bedrag van
24.599,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2024 met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door R.P. van Campen, voorzitter, mr. H. Stam en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Van Campen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON3R024003/Ackermann. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.